De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Moet een vrouw of een meisje in het huis des gebeds een hoed of een muts op hebben ?

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Moet een vrouw of een meisje in het huis des gebeds een hoed of een muts op hebben ?

8 minuten leestijd

Slotconclusie.

Slotconclusie.

In dit slotartikel vestigen we nog eens de aandacht op 1 Cor. 11 vs. 11—16, om daarna nog enkele conclusies te trekken voor onzen tijd. In het vorig artikel wezen we er al op, dat de scheppingsordinantiën door den zondigen mensch niet meer worden begrepen. Vele mannen hebben die scheppingsordinantiën aangegrepen om de vrouw eigenlijk als een slavin te onderwerpen.

Paulus wijst er op, dat de man hiertoe echter geen recht heeft. Hoor maar wat hij zegt : Nochtans is noch de man zonder de vrouw, noch de vrouw zonder den man in den Heere.

Let vooral op de woorden „in den Heere". Als man en vrouw waarlijk den Heere vreezen, dan is er geen sprake van dat de eisch van onderworpenheid van de vrouw aan den man voor haar een knellende band zou wezen. De gemeenschap tusschen Christelijke echtgenooten kan zoo innig zijn, dat het verschil in recht voor de vrouw niets pijnlijks inhoudt.

O, als Christus maar de derde mag wezen in dat heilig huwelijksverbond ! Als Christus maar het heilig doelwit van beider hart moge wezen ! Als de man zijn vrouw door genade in Christus mag zien, dan noemt hij haar zijne zuster, en omgekeerd, dan noemt de vrouw den man haren broeder.

Man en vrouw kunnen elkaar niet missen. Ze zijn verschillend van lichaamsbouw. Het zieleleven van den man openbaart zich weer anders dan bij de vrouw. Bij den man treedt het verstand, bij de vrouw meer het gevoel op den voorgrond. Maar samen vormen ze een hoogere eenheid. Ze zouden tot één vleesch zijn. Ook in de openbaring van hun zieleleven zouden ze elkander aanvullen en zoo een hoogere eenheid vormen.

Letten we op den oorsprong van man en vrouw, dan kunnen we zeggen, met den apostel, dat de vrouw uit den man is. De Schepper bouwde Eva op uit de rib, die Hij uit Adam's lichaam genomen had.

Maar nu bedenke de man wel terdege, dat ook de man door de vrouw is. Let wel, er staat niet, dat de man uit de vrouw is, maar tooh wèl, dat de man door de vrouw is. Dat wil toch zeggen : De man wordt geboren door de tusschenkomsl der vrouw. De man heeft dus de vrouw noodig om het geslacht voort te zetten. Wat zal hij zonder haar beginnen ? Wat zal hij doen, als hij hare hulp zou missen ?

Maar als deze dingen zoo zijn, dan is de man daardoor ook geroepen om aan de vrouw als aan het zwakkere vat hare eere te geven. Ja, met recht schrijft de apostel : doch alle dingen zijn uit God. God maakte den man tot het hoofd der schepping, maar hij schonk aan de vrouw de eer van het moederschap.

Tot hiertoe heeft de apostel zich op de scheppingsordinantiën beroepen. Dat was op zich zelf reeds genoeg geweest. Toch laat hij het er niet bij zitten. Hij beroept zich op het oordeel der Korinthiërs zelf.

Of oordeelt gij onder u zelf : is het betamelijk, dat de vrouw ongedekt God bidde ? Of leert u ook de natuur zelf niet, dat zoo een man lang haar draagt, het hem een oneer is, maar zoo een vrouw lang haar draagt, dat het haar een eer is, omdat het lange haar voor een deksel haar gegeven is ?

Ik geloof, dat we onder de natuur met Van Andel hebben te verstaan : de schepping als de draagster van Gods gedachten.

Welnu, in de schepping rondom ons zien we dat de mannen kort haar en dat de vrouwen lang haar hebben. De man moet wel kort haar hebben. Hij is Gods beeld en Gods heerlijkheid. Daarom mag hij niet bedekken, wat hem tot eere moet strekken.

Met de vrouw staat het echter anders. Hare eere bestaat hierin, dat ze de heerlijkheid des mans is. Daarom wijst het lange haar, waarmede de natuur haar heeft begiftigd, ook aan, dat ze onder den man gesteld is. Dat haar is haar niet slechts tot een eer, maar ook tot een bedekking.

Het was dan ook de gewoonte, dat men het haar van een vrouw, die echtbreuk gepleegd had, afsneed, tot een bewijs, dat ze van onder haar hoofd was afgeweken.

De natuur heeft het dus aldus niet gewild, dat man en vrouw in de haardracht aan elkaar zouden gelijk wezen. We mogen die scheppingsordinantie niet met voeten treden. We zien dan ook in het feit, dat vele vrouwen onzer eeuw zich in het openbare leven vertoonen als op de mannen gelijkend, een zeer droevig verschijnsel.

Men ziet meisjes, die net als de mannen het haar kort hebben laten knippen. Ze dragen broeken als de mannen. Ze rooken als de jonge mannen. Ze wandelen met een stok in de hand. Hoé men er ook over moge denken, ik zie in dit alles een schending van de scheppingsordinantiën.

Laten onze Christenvrouwen en Christenmeisjes toch het haar niet laten afknippen. Het gaat maar niet om een of ander gebruik in de gemeente van Corinthe. De apostel laat zijn betoog steunen op de scheppingsordinantiën, gelijk die in de natuur tot openbaring komen.

Laat het lange haar ook voor de vrouw van onzen tijd een sluier moge wezen. Krachtens haar wezen behoort de vrouw niet aan het publieke leven maar aan de intieme gesluierde huiselijke sfeer.

Ik kom nu nog weer eens terug op een vraag van den ongenoemden lezer van De Waarheidsvriend. Deze zeide in zijn schrijven, dat er velen waren, die van meening waren, dat het lange haar als bedekking reeds voldoende was. Het haar diende als een sluier.

Ook prof. Grosheide stelt in zijn commentaar de vraag, of Paulus dan ook in het voorafgaande van het lange haar der vrouwen als van een sluier heeft gesproken.

Moeten de eerste verzen van hoofdstuk 11 niet veeleer zoó worden opgevat, dat Paulus daar een sluier of een hoofddoek op het oog heeft? Prof. Grosheide geeft op die vraag het volgende antwoord :

„Dat staat er wel niet met zoovele woorden, maar dat wordt toch ondersteld, als er gesproken wordt van „iets op het hoofd hebben".

De oplossing is deze. Wanneer de Grieksche vrouw het haar opmaakte, deed ze, gelijk vele afbeeldingen ons leeren, een band of doek om het haar. Zoo kan gezegd, dat de vrouw, die het haar opgemaakt droeg, iets op het hoofd had. En de Korinthische vrouwen lieten blijkbaar, als ze in extase kwamen, het haar los hangen en deden zoo, wat alleen een man doen kan".

Hierin staat prof. Grosheide niet alleen. Bij onbevangen bezien van den tekst zal men onmiddellijk moeten erkennen, dat er een sluier of een hoofddeksel is bedoeld.

Calvijn zegt van deze verzen maar heel weinig, wat ons gespeten heeft.

Ik sluit mij echter geheel aan bij wat Van Andel schrijft in zijn commentaar : „Nu zegge men niet, dat de vrouw geen bedekking des hoofds noodig heeft, gelijk Paulus wil, naardien ze door hare haren reeds van nature bedekt is. Veeleer toch heeft de vrouw in haar lange haar een wenk ontvangen, om het werk der bedekking voort te zetten en aan de natuurlijke sluier een kunstmatige toe te voegen. Nadat de vrouw gevallen is door de zonde, getuigt het lange haar wel van hare roeping om onder den man te staan, maar niet van hare gewilligheid om zich aan deze ordening te onderwerpen.

Daarvoor is het noodig, dat zij zich kunstmatig dekke, als ze in 't openbaar optreedt ; eerst door zich zelf te dekken, toont ze, dat ze hare roeping ook harerzijds aanvaardt. Het lange haar is immers ook een sieraad ; eerst aan den sluier laat zich merken, dat de vrouw hare lange haren niet bloot om der schoonheid, maar ook om des beginsels wille draagt. Blijf dan, o vrouw, in de schaduw des verborgen levens. Slechts onder uwen sluier zijt gij vrouw. „Plaats u niet in het licht des openbaren levens over, en zoo niet, doe dan ten minste tegelijk met uwen sluier het hoofdhaar van u af".

Met deze schoone woorden van Van Andel stemmen we van harte in en meenen daarmede de vraag van den lezer uit het Noorden te hebben beantwoord.

Hiermede zijn we aan het einde van ons artikel. Dat hiermede ook het laatste woord over deze zaak gezegd is, zouden we niet durven beweren. Er zullen misschien lezers zijn, die zeggen, dat er over zulk een nietige kwestie niet zoo in den breede had geschreven behoeven te worden.

Noemt ge het een nietige kwestie, een zaak, waarover de apostel Paulus, neen, laat ik liever zeggen, waarover Gods Heilige Geest zoo breed in het Woord heeft getuigd ?

Hebt gij dan geen oog voor de ernstige beteekenis van Gods getuigenis ? Maak de kwestie niet belachelijk. Het gaat maar niet om pietluttige beuzelingen in Corinthe. De apostel beroept zich niet slechts op Corinthische gewoonten. Nóg eens : hij grijpt terug naar de scheppingsordinantiën.

Dat zoovelen dit niet meer willen inzien, is een bewijs van het diep verval van onzen tijd en van de toenemende wereldgelijkvormigheid van Gods gemeente in deze eeuw. Einde.

P.S. Men leze voorts vers 16 : „Doch indien iemand schijnt twistgierig te zijn, wij hebben zulke gewoonte niet, noch de gemeente Gods".

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 28 maart 1940

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's

Moet een vrouw of een meisje in het huis des gebeds een hoed of een muts op hebben ?

Bekijk de hele uitgave van donderdag 28 maart 1940

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's