De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Hoe staal onze Gereformeerde Bond tegenover de Liturgische diensten

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Hoe staal onze Gereformeerde Bond tegenover de Liturgische diensten

7 minuten leestijd

De lezers weten, dat er gedurende de laatste tientallen jaren een beweging aan het groeien is, die in den eeredienst onzer Kerk groote veranderingen wil teweeg brengen.

Vooral in de zoogenaamde Jeugddiensten worden die veranderingen het meest ingevoerd. Vaak laat men een koor zingen. In de Engelsche Kerk, die, wat de liturgie betreft, het dichtst bij Rome staat, vinden we die koren ook. Men meent door het mooie koorgezang nog weer veel menschen naar de kerk te zullen trekken. Er wordt ook vaak gezongen bij beurten. Eerst zingt het koor en, dan weer de gemeente. Door op te gaan staan en weer te gaan zitten, door samen luide belijdenis te doen van ons algemeen ongetwijfeld Christelijk geloof, wil men wat afwisseling in den kerkdienst brengen. Ook de organist heeft in dergelijke diensten een belangrijke taak. Men hoort ook door de schoone muziek menschen naar de kerk te lokken.

Sommige predikanten gaan nog veel verder. Er wordt een datum bepaald, waarop allerlei schoone bloemen, zelfs manden met fruit, naar de kerk worden gebracht. Na het beëindigen van den dienst worden de bloemen en het fruit naar arme, zieke menschen gebracht. Het is ook al gebeurd, dat de jonge menschen een ommegang hielden door het groote bedehuis, terwijl men brandende kaarsen in de hand hield.

We ontkennen niet, dat er vele menschen zullen zijn, die dit alles zeer interessant vinden. Maar wat blijft er nu in zulke diensten over van den eigenlijken dienst des Woords ? Een preekje van een kwartier is vaak al lang genoeg.

Ik geloof, dat we weer denzelfden weg opgaan, dien de Kerk in de middeleeuwen is opgegaan. Men is het in den loop der eeuwen vóór de Hervorming hoe langer hoe meer gaan zoeken in het ceremonieele. In de Roomsche Kerk vormen tot op den huldigen dag de ceremoniën de hoofdschotel van den eeredienst. De dienst des Woords is op den achtergrond gedrongen.

De Reformatoren hebben heel goed ingezien, dat dit verkeerd was. Ze hebben beseft, dat niet de mensch, maar dat God te bepalen had hoe Hij zou gediend worden. Nu is een beroep op het Oude Verbond hier absoluut niet op zijn plaats. Men een beroep op 't Oude Testament kon men ook nu nog wel wierook gaan offeren op een reukwerkaltaar in de bedehuizen. Maar de dienst der schaduwen is voorbij. Men wil van ethische zijde nog al eens beweren, dat we met het Oude Testament hebben afgedaan. Wij denken er geheel anders over. Maar als het dan nu waar is, dat men met het Oude Testament heeft afgedaan, dan moet men ook inzake de liturgie maar eens luisteren naar hetgeen de Heere in het Nieuwe Testament ons heeft te zeggen.

Behalve van de bediening van de sacramenten, merken we van allerlei ceremoniën niets. Van koorzangen is in de Jeruzalemsche gemeente geen sprake.

Lees van de samenkomsten, die de apostelen hielden in de gemeenten, die ze hadden gesticht, maar van beurtzangen, van koorzangen, van zitten en opstaan, enz. enz. hoort ge niets. Het was in den vollen zin dienst des Woords. In die samenkomsten werd dus het Woord des Heeren uitgedragen. En de gemeente kwam samen om te hooren naar hetgeen de Geest tot de gemeente had te zeggen.

Van dien dienst des Woords was er in de 16de eeuw in de Kerk maar weinig of niets meer overgebleven. Toen heeft Gods Geest weer opnieuw mannen bezield, die weer zijn gaan vragen naar de oude paden. De wateren in de kerkelijke bedding waren zoó vertroebeld, dat men gevoelde dat men weer teug moest naar den oorsprong, naar de bron van de Kerk.

Toen de reformatoren dat zagen, moest er natuurlijk een ingrijpende hervorming plaats hebben. Niet alleen, dat men in het stuk van de rechtvaardigmaking van den zondaar weer terug naar het Woord moest, maar ook op liturgisch gebied waren de veranderingen ingrijpend.

Men wilde, dat de samenkomsten van Gods gemeente weer het karakter van absoluten eenvoud zouden dragen. In zulk een sfeer kon het geestelijke element het beste spreken. En daarom : weg met de pronk en de praal in de kerken. Weg met het kostbare priestergewaad ! Weg met de beelden !

Het Woord Gods moet weer spreken tot de menschen. Men is in sommige kringen zelfs zoover gegaan, dat men de orgels uit den booze achtte. Er zijn nu nog vele Gereformeerde gemeenten in ons vaderland, waar men geen orgels heeft.

Wij gelooven, dat men hierin te ver gaat. Dan komt men tot een ander uiterste. Dit gelooven we echter wel, dat de taak van den organist geen andere moet zijn dan de begeleiding van den zang der gemeente.

Een kerk is geen gehoorzaal voor toonkunst. Die mooie muziek wil hooren, moet die maar beluisteren in de week. Voor een koor is in onze samenkomsten op Gods dag om dezelfde reden geen plaats. Een van de jongeren zei mij eens, dat hij den koorzang toch oneindig veel mooier vond dan het gegil en geschreeuw van allerlei menschen, die absoluut geen kennis van muziek hebben en die toch de Psalmen Davids willen zingen.

Ik zou de laatste wezen om niet te erkennen, dat er hier en daar aan den eerbied bij het zingen in Gods' huis heel wat hapert, maar dat neemt niet weg, dat de roeping van Gods gemeente is, niet om naar een koor te luisteren, maar om samen God te verheerlijken in het lied. Laat elk vogelke dan maar zingen, zooals het gebekt is, maar men zinge samen. Laten dan de bedillers maar vele aanmerkingen hebben, als de ziel van Gods gemeente nog maar eens mag zingen.

Het is onze bedoeling niet om het in dit korte artikel te hebben over het voor en het tegen van de gezangen. Maar toch zouden we er in dit verband toch ook nog even op willen wijzen, dat onze Vaderen er daarom ook voorstanders van zijn geweest om de psalmen te zingen. De Heere Jezus zong bij het Heilig Avondmaal de psalmen Davids. Het is stellig de veiligste weg om die liederen te zingen, die de Heere God ons in Zijn Woord geschonken heeft. Gods Kerk staat niet zonder het lied. We hebben in de psalmen liederen, waarin allerlei omstandigheden des levens, in natuur en genade, zich afteekenen.

En nu vraagt mij misschien iemand, of de Duitschers er kwaad mee doen, als men van de Weichsel tot den Rijn het bekende lied van Luther zingt :

Een vaste burg is onze God, Een toevlucht voor de Zijnen.

Ik geloof, dat er geen enkel bezwaar is om bij allerlei gelegenheden dit lied na te zingen. Maar men bedenke wel, dat er in al die liederen, waarmede de Christelijke wereld van thans overstroomd wordt, openlijk of bedektelijk allerlei wind van leer in de Kerk waait. Men onderschatte den invloed van het lied niet. In den goeden zin niet, maar ook in den kwaden zin niet.

In den goeden zin. Het gebeurt, dat een stokoude eenvoudige ziel, een kind van God, van al zijn kennis maar weinig meer heeft overgehouden dan juist het psalmlied. Maar nog eens, men onderschatte den verderfelijken invloed van het lied niet, want de Kerkgeschiedenis laat ons zien dat met het lied reeds menige Remonstrantsche gedachte in de harten is binnengedrongen. Er zijn helaas niet zooveel liederen, waarin Gods souvereine genade verheerlijkt wordt.

We verwachten ook van de aparte jeugddiensten geen heil. In Gods huis moet gepredikt worden voor jong en oud. De huisgezinnen behooren op te gaan naar Gods huis,  ouders en kinderen tezamen.

Of sommige bedienaren des Woords niet vergeten zijn, dat ook de jongeren in de prediking niet mogen worden vergeten, ik wil 't niet ontkennen. Er moet zoó gepreekt worden, dat ook de jongeren zullen luisteren. Wij vreezen, dat straks ook de bezoekers der jeugddiensten van al die ceremoniën genoeg zullen hebben. Het moge eerst tot het gevoel en de verbeelding gesproken hebben, maar langzamerhand houdt ook dat op. En wat houden we dan over ? Niets anders dan wat doode vormen !

O, laat ons het niet van de vormen verwachten ! Daarmede is de ledigheid van den geest niet aan te vullen. Wat we noodig hebben, het is de prediking van het levende Woord van God.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 4 april 1940

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's

Hoe staal onze Gereformeerde Bond tegenover de Liturgische diensten

Bekijk de hele uitgave van donderdag 4 april 1940

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's