De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Het fundament des geloofs

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Het fundament des geloofs

10 minuten leestijd

„Het fundament des geloofs is de genadige belofte". Calvijn.

Iemand heeft eens gezegd : „Men komt nooit uit boven het geloof". Wanneer dit zoo is, en zoo is het inderdaad, dan wil dit dus tevens zeggen dat de genadige beloften, die het fundament des geloofs zijn, in het leven der geloovigen van de allergrootste beteekenis zijn.

De Heilige Schrift bevat dan ook één lange schakel van beloften.

Het begint reeds in het Paradijs met de moederbelofte. En sindsdien zijn de beloften vermenigvuldigd. Wij denken aan den tijd der patriarchen. God sprak tot hen : „Ik zal de schoonste landen, 'k Zal Kanaan leev'ren in uw handen, 't Welk 't snoer uws erfdeels wezen zal". Het volk was weinig in getal, 't Verkeerde daar als vreemdeling, toen 't zulk een gunstrijk woord ontving.

En in het geloof op den God van Abraham, Izaak en Jacob, den God des Verbonds, is de Kerk van den ouden dag voortgetrokken, als het ware van belofte tot belofte, verwachtende de komst van den beloofden Messias.

Met de komst van Christus is echter het geloof nog niet in aanschouwen overgegaan. Want het vleeschelijk oog zag in Christus gedaante noch heerlijkheid. Het geloof bleef noodzakelijk en daardoor bleven ook de beloften onmisbaar. Maar door de komst van Christus kregen ze meer glans en meer perspectief.

Waren de beloften onder het Oude Verbond nog vaak verduisterd door aardsche verwachtingen omtrent haar vervulling, n.l. het in bezit krijgen van het aardsche Kanaan en de stichting van een machtig Koninkrijk hier op aarde - onder het Nieuwe Verbond is de geestelijke beteekenis der beloften meer in het licht komen te staan, mede door de uitstorting des Heiligen Geestes.

Wie Kerk zegt, zegt belofte. Want waar de Kerk is, daar is ook geloof dat juist de genadige belofte tot fundament heeft. En alle beloften concentreeren zich weer in den Beloofde, zoodat Jezus Christus en Dien gekruisigd de kracht Gods tot zaligheid is, een ieder die gelooft.

Calvijn zegt : „Het fundament des geloofs is de genadige belofte".

Let wel : de genadige belofte. Er zijn ook andere beloften, n.l. die der Wet. Deze beloften zullen echter eerst dan in vervulling gaan, wanneer de geheele Wet door ons volkomen is onderhouden. Dat zijn dus voorwaardelijke beloften. Doch aangezien de daaraan verbonden voorwaarde, n.l. de volkomen onderhouding der Wet, door niemand kan worden vervuld vanwege den val in zonde, is er ook geen uitzicht op de vervulling dier beloften, en blijft alleen de vloek der Wet over.

Daarom is het van de grootste beteekenis om vrij van de Wet te komen. Hetgeen alleen zal kunnen indien de Zoon ons zal vrijgemaakt hebben. Dan toch zullen wij waarlijk vrij zijn. Niet alleen vrij van den vloek der Wet, maar juist omdat Christus de Wet volkomen voor de Zijnen vervuld heeft, zullen zij weer deelen in de vervulling van de beloften der Wet, die het eeuwige leven in uitzicht stelt.

Dat vrij zijn van de Wet zal geen vleeschelijke vrijheid zijn, die ons er van zou afhouden in de inzettingen des Heeren te wandelen. Het is echter een geestelijk vrij zijn van de Wet, zoodat de door schuld verslagene opgericht en vertroost wordt, omdat hij door het geloof in Christus zich vrij weet van den vloek en van de verpordeeling.

Zijn de beloften der Wet voorwaardelijk, de genadige beloften zijn onvoorwaardelijk. De beloften der zaligheid zijn algemeen. God maakt bij Zijn aanbieding des Evangelies geen onderscheid tusschen de zondaren. Niemand die onder het Evangelie leeft zal kunnen zeggen dat Gods barmhartigheid hem of haar niet is aangeboden of dat die aanbieding niet welgemeend was. Doch als antwoord op Gods aanbieding vraagt God van ons geloof. Dan eerst zullen de beloften der zaligheid voor ons levenskracht hebben.

Het woord geloof wordt ook wel eens met een vreemd woord credo genoemd. Nu houdt b.v. ons woord crediet ten nauwste verband met credo. Men zou daarom kunnen zeggen : gelooven is crediet geven.

Wanneer wij dus Gods beloften, welke Hij aan een ieder onvoorwaardelijk komt aan te bieden, niet geloovig aanvaarden, dan beteekent dit, dat God geen crediet van ons krijgt, dal wij Hem dat niet waardig achten. Dit juist is het ontzettende van ons ongeloof.

De Heilige Schrift vergelijkt het leven wel met een verdrukking van tien dagen. Doch de mensch in zijn ongeloof wil aan God deze tien dagen geen crediet geven. Hij heeft geen vertrouwen in de beloften van Hem, Wiens Woord ja en amen is.

Evenals de mensch de duisternis liever gehad heeft dan het licht, zoo geeft hij eveneens de voorkeur aan den zandgrond van eigen verwachtingen boven het vaste fundament. Als de mensch kiest, dan kiest hij den zandgrond.

En het is alleen door de verkiezing van Gods zijde, de uitverkiezing, dat menschen hun treden leeren zetten op het fundament des geloofs, dat ze dus Gods beloften door het geloof aannemen.

Wat is nu het geloof ? Geen vrucht van 's menschen akker. Een gave Gods. Calvijn zegt ergens in zijn Institutie : „Geloof is God's verlichting. En Hij verlicht hen Die Hij uitverkoren heeft".

Geloof — God's verlichting — vrucht der uitverkiezing.

Doch — en laten wij dit nooit vergeten — God werkt middellijk. En wanneer Calvijn zegt dat geloof God's verlichting is, dan denken wij onwillekeurig aan de psalmregels : „Uw Woord is mij een lamp voor mijnen voet, mijn pad ten licht". Het geloof is immers uit het gehoor en het gehoor door het Woord Gods, dat terecht het Woord des geloofs genoemd wordt.

Daarom is het dure roeping zich getrouw onder de prediking van Gods Woord te voegen, met de bede : ,,Zend Heer' Uw licht en waarheid neder en breng mij door dien glans geleid, tot Uw gewijde tenten weder."

Het geloof is God's verlichting. Terwijl het fundament des geloofs Gods genadige belofte is.

Zoo is dus, zoowel het fundament als hetgeen daarop gegrondvest is, Gods werk. Vandaar dat Gods Kerk door alle eeuwen heen zingt :

,,Ik weet hoe 't vast gebouw van Uwe gunstbewijzen Naar Uw gemaakt bestek, in eeuwigheid zal rijzen. Zoo min de hemel ooit uit zijnen stand zal wijken, Zoo min zal Uwe trouw ooit wank'len of bezwijken.

Het fundament des geloofs is Gods genadige belofte.

Het is wel opmerkelijk dat Calvijn zich zoo uitdrukt. Hij is immers de man, wiens naam niet genoemd kan worden of men denkt aan de leer der uitverkiezing, welke hij op grond van de Heilige Schrift zoo duidelijk geleerd heeft. Toch zegt hij niet : het fundament des geloofs is de uitverkiezing. En waarom niet ? Omdat het geloof nooit kan beginnen met de uitverkiezing, aangezien het daar aanvankelijk geen houvast aan heeft. Men weet immers wanneer men tot het geloof komt niet of men uitverkoren is.

Daarom moet ook in de prediking des Woords de aanbieding des Evangelies een ruime plaats innemen. Want een prediking waarin eenzijdig de uitverkiezing naar voren gebracht wordt, brengt het gevaar mee dat Gods genadige beloften niet als ernstig gedaan beschouwd worden. Terwijl juist Gods beloften als , het fundament des geloofs moeten worden voorgesteld. Anders komt men voor het eigenaardige geval te staan dat men wel aan de verre heidenen de aanbieding des Evangelies laat brengen, doch aan het eigen volk zulk een rijke aanbieding zou onthouden.

Als voorbeeld hoe Calvijn zelf de beloften Gods als pleitgrond aan zijn gemeente voorhield, volgen hier eenige zinsneden uit een preek van hem over den tekst : „En het zal zijn, dat een iegelijk, die den naam des Heeren aanroept, zalig zal worden". Hij zegt in die preek o.a. :

„Maar ziehier de vertroosting, die Hij ons meer en meer schenkt, dat indien wij den naam van God aanroepen, wij zaligheid zullen hebben, zelfs midden onder de grootste verwarring en ontbinding, die er zou kunnen zijn. Ja al hadden wij de het vlak bij ons om ons te verslinden, er is een toevlucht, waar we zeker van kunnen zijn, als wij maar ons vertrouwen op God stellen om Hem aan te roepen.

Wanneer iemand in beproeving en zwarigheid verkeert, zal de duivel er alles op zetten om hem tot wantrouwen te brengen, dat hij tot God niet naderen kan. Maar hier is groote vertroosting, die wij moeten vinden in de waai-heid, dat God geen tijd kent, waarin wij Hem niet zouden mogen aanroepen, maar dat wanneer wij als in een afgrond zijn verzonken, wij nog vrijmoedig tot Hem kunnen roepen. Want evenals de profeet zegt, dat die den naam van God zal aanroepen, zalig zal worden, zoo zal daartegenover ook die Hem niet aanroept, verdoemd worden, al leefde hij als in een. paradijs. De profeet heeft ons willen te kennen geven, dat wij niet moeten ophouden van den naam Gods aan te roepen. En Paulus zegt : hoe zullen zij Hem aanroepen, in Wien zij niet geloofd hebben ? Dit is een tekst, waarop men wel moet letten. Want Paulus verklaart ons, dat wij - wanneer er sprake is van den naam des Heeren aan te roepen - Hem moeten zoeken als onzen Vader, wetende, dat wij in Hem alle goeds hebben en dat Hij bereid is om ons aan te nemen, zoo spoedig wij ons tot Hem wenden. Hoe zouden wij anders den moed hebben Hem aan te roepen, indien wij dat niet wisten ?

Wij moeten dus volkomen zeker zijn, dat de Heere God ons zal aannemen, wanneer wij in waarheid Hem aanroepen. Want het Evangelie wordt ons niet verkondigd om ons tot twijfel te brengen, maar om ons te verzekeren van ons heil."

Terwijl Calvijn zijn preek aldus besloot :

,,Voorts laten wij bedenken, dat deze preek, die eens door Petrus gehouden is in de stad Jeruzalem, nu onder ons gehouden werd om er winst mee te doen. Hebt daarom vertrouwen in deze belofte Gods : Alwie den naam van God zal aangeroepen hebben, zal zalig worden".

Duidelijk blijkt uit het bovenstaande dat, hoewel Calvijn de uitverkiezing nadrukkelijk geleerd heeft, hij toch krachtig komt aan te dringen op een geloovig vertrouwen in de genadige beloften Gods. Dit is trouwens geheel in overeenstemming met dit Woord der Heilige Schrift : „Tot wien van den zade Jacobs heb Ik ooit gezegd, zoek Mij tevergeefs ? "

Gelooven in de uitverkiezing en daarnaast toch de genadige beloften Gods aan ieder die het hooren wil onvoorwaardelijk aanbieden, is voor het verstand een dwaasheid. Zou het daarom zijn dat in sommiger prediking deze rijke aanbieding des Evangelies nagenoeg geheel ontbreekt ? Waarbij men b.v. tot de onbekeerden wel met veel woorden zegt: „zoekt, klopt, bidt", doch waarbij slechts met een enkel woord wordt gewezen op het tweede gedeelte: „gij zult vinden ; u zal worden open gedaan ; gij zult ontvangen". Zoodat men dus in zulke gevallen niet genoeg licht laat vallen op de genadige beloften Gods.

Zie daartegenover een Mozes, de man der Wet, in de woestijn staan met een uitgestrekte hand wijzend naar de koperen slang, terwijl hij de kinderen Israels in Gods naam opwekt om geloovig op te zien om daardoor van den doodelijken slangenbeet genezen te worden.

En wij beluisteren het N. Testamentische woord, door Christus gesproken : „Gelijk Mozes de slang in de woestijn verhoogd heeft, alzoo moet de Zoon des menschen verhoogd worden. Opdat een iegelijk, die in Hem gelooft niet verderve, maar het eeuwige leven hebbe. Want alzoo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij Zijn eeniggeboren Zoon gegeven heeft (en weer wordt het herhaald), opdat een iegelijk, die in Hem gelooft, niet verderve, maar het eeuwige leven hebbe".

Dit is één uit de vele genadige beloften, waarop het geloof zich fundeert.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 4 april 1940

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's

Het fundament des geloofs

Bekijk de hele uitgave van donderdag 4 april 1940

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's