KERKELIJKE RONDSCHOUW
Bokkenschieten is weinig eervol. Lasteren en liegen is bepaald ergerlijk--EEN „ETHISCHE" PLEISTER--CAVIJN OVER HET AVONDMAAL--DE KINDERDOOP VERBOND EN DOOP (38)--DE NOODZAKELIJKHEID VAN EEN CHRISTELIJK LEVEN (12)
Bokkenschieten is weinig eervol. Lasteren en liegen is bepaald ergerlijk
Wij gaan nooit in op 't geen het Gereformeerd Weekblad schrijft. Niet alleen dat dit blad in z'n laatste levensperiode „in ongerechtigheid geboren is", maar de manier, waarop de dingen daar behandeld worden en de toon, waarop de dingen daar gezegd worden en de bedoeling, die er veelal, bij wat men schrijft, achter zit, lust ons niet om er aandacht aan te schenken. Anderen moeten weten wat zij doen willen, maar wij bedanken voor de eer.
Het zal altijd wel heel-erg-Gereformeerd zijn ; natuurlijk ! Maar Christelijk is het zeer zeker niet. Lasteren, liegen, kwaadspreken, gebreken breed uitmeten, persoonlijke beleedigingen de wereld in sturen, enz. enz. is zoo onchristelijk mogelijk En men weet het - en daarom doet men het ook - „er blijft allicht iets van hangen, waar of onwaar, dat doet er niet toe". Dat is juist zoo verschrikkelijk. En dat is juist in onze dagen zoo onverantwoordelijk en zoo slecht. Waarom doet men dat toch ? Uit welken geest leeft men toch ? Hoe komt het, dat zoo iets nu onophoudelijk gedaan wordt, zoodat men den in-, druk krijgt, dat men daarvoor zoo ongeveer alleen leeft ; „z'n lust en z'n leven in die dingen vindt ?
Waarom we dan nu tóch even op iets uit het Geref. Weekblad ingaan ?
Omdat pas dat ergerlijke, lasterlijke bericht inzake onzen zoon de wereld in gestuurd is ; wat betreft het steun trekken uit het Studiefonds, terwijl men daarvoor niet het minste bewijs had, ook zelfs geen schijn of schaduw ! Laster maar, en lieg maar — er blijft allicht wat van hangen !........
En nu komt dadelijk daar bovenop weer een ander leugenachtig en lasterlijk bericht, waarvoor niet de minste aanleiding bestaat en dat men dan ook weer heelemaal „gezocht" heeft, om weer kwaad te kunnen spreken en weer onrust te kunnen zaaien en weer haat en nijd te kunnen verwekken.
't Geldt nu iets, dat ons persoonlijk treft. Daarom een enkel woord tot verweer. Maar dan is 't ook, wat ons betreft, afgedaan. We voelen niet de minste lust, om er verder nog éen woord over vuil te maken.
Wij hebben — zooals we reeds in de rubriek Leestafel meedeelden — bij Neerbosch' Drukkerij een boek uitgegeven, dat Kanselboek heet. Dat is geen Kerkboek, nog minder een Kerkbijbel ; ook geen boek om officieel op den kansel te leggen, als een volledig Kanselboek, met Oud- en Nieuw Testament, Psalmen en Gezangen, Ned. Geloofsbelijdenis, enz. Niets daarvan.
Het is niets meer en niets minder dan een boek voor dominees, om altijd bij zich te hebben, als ze in eigen gemeente naar den kansel gaan, maar méér nog om altijd mee te nemen als ze in een andere gemeente moeten preeken, 't zij voor vacaturebeurt, 't zij om andere oorzaak, waarbij ze de risico loopen — om maar één ding te noemen — het Doopsformulier of het Avondmaalsformulier te moeten gebruiken, of wel een afdeeling van den Catechismus te moeten gebruiken, of ook wel de Wet of de Apostolische Geloofsbelijdenis te moeten lezen, enz. enz.
Zoo'n boek bestond vroeger, uitgegeven bij Callenbach, de oude firma Callenbach, te Nijkerk. Veertig jaar geleden hebben wij ons dat aangeschaft, en velen met ons, in den loop der jaren. Maar ons exemplaar ligt, door veelvuldig gebruik — met hier en daar aanteekeningen en aanwijzingen — heelemaal uit elkaar en is tot op den draad toe versleten. Wat we ook bij andere collega's gewaar werden.
En een nieuw exemplaar is niet meer te krijgen. Althans voor Hervormde dominees niet. Voor dominees van de Gereformeerde Kerken wel, bij den uitgever Verhoog te Nijkerk. Maar Hervormde dominees kunnen nergens een nieuw exemplaar koopen, want het bestaat niet.
Dat deed ons besluiten om er zelf een te bewerken; naar dat bekende model, en Neerbosch' Boekhandel was aanstonds bereid dit boek uit te geven en noemde het : Kanselboek, keurig gebonden, en heelemaal voor dominees-gebruik ingericht, met portefeuille voor preekenboekje, briefjes, aanteekeningen, enz. Niet bestemd dus voor gewone kerkgangers, maar alleen voor dominees voor eigen gebruik.
Wat doet nu het Geref. Weekblad ? Met totale miskenning van het bijzondere doel en met totale negatie van wat vroeger bestond, nu niet meer te verkrijgen is en algemeen gevraagd werd en wordt - leutert het over allerlei dingen, behalve over hetgeen waarom het juist ging en gaat. Natuurlijk om dit Kanselboek, waarvan men de beteekenis totaal miskent, af te kammen.
Maar dat zou ons waarlijk niet bewogen hebben om er hier iets over te schrijven. Want zulke dingen kunnen we gelukkig o ! zoo gemakkelijk naast ons neer leggen. Er zullen er ook niet velen zijn, buiten een bepaald kringetje, die deze dingen au serieux nemen ; daarvoor is het al te doorzichtig en te dwaas.
Er is echter nog iets anders. En dat willen we even recht zetten.
Het Geref. Weekblad wil den indruk vestigen, dat we den tekst en de lezing van den Catechismus bedorven hebben. En wil dan — natuurlijk moet er dat bij komen, want daarom is het juist te doen — de voorstelling geven, dat we dat gedaan hebben omdat we niet Gereformeerd zijn, maar Remonstrant !
En dat zegt men zóó maar niet. Met een voorbeeld wordt dat dan duidelijk gemaakt. En — eerlijk gezegd krijgen we nu een beetje schik in 't geval — genoemd wordt dan : vr. 17 en vr. 18 van den Catechismus — van Zondag 6 — waar het gaat over de twee naturen van Christus.
En wat daar naar voren gebracht wordt, moet dan dienen om — dat is de klap op de vuurpijl — te zeggen : de Herv. Geref. predikanten hebben heel iets anders noodig dan dit Kanselboek ! Ze moeten het vooral niet koopen want het is van ds. Van Grieken !
Wat is de kwestie ?
Wij hebben in onze uitgave staan : „Waarom moet Hij tegelijk waarachtig God zijn ? en verder : „Maar wie is deze Middelaar, die tegelijk waarachtig God en een waarachtig rechtvaardig mensch is ? Dat is fout — zegt prof. Visscher (want die is de schrijver van bedoeld artikel in het Geref. Weekblad). En niet alleen is 't fout — maar het is een Remonstrantsche ketterij, enz. enz. Er moet niet staan ,,tegelijk", maar „te zamen". Dus : „Waarom moet Hij tezamen een waarachtig God zijn ? " en : „Maar wie is die Middelaar, die te zamen waarachtig God en waarachtig rechtvaardig mensch is ? " Ook hierover zouden we heusch nu niet geschreven hebben, ware het niet, dat prof. Visscher er nog wat bij gezegd had.
Hij zegt n.l. : had ds. Van Grieken in deze nu maar in de leer willen gaan bij dr. A. Kuyper, die heel wat beter op de hoogte is van de juiste lezing van den Catechismus, dan zou hij hier de tekst van den Heidelberger niet zoo erbarmelijk verknoeid hebben! Enz.
Dit nu willen we even bekijken. Want wat is het geval ? Natuurlijk is ons de uitgave van dr. Kuyper niet onbekend. De kleine uitgave hebben we en de groote uitgave (verzorgd door prof. dr. F. I. Rutgers met medewerking van prof. dr. H. Bavinck en dr. A. Kuyper, uitgegeven te Middelharnis op de Flakkeesche Boekdrukkerij). En wat vinden we nu in de kleine èn in de groote uitgave, in de uitgave voor de catechisatie èn in het Kanselboek (dat daar bestemd is om als „Kerkboek" op den kansel te liggen, zijnde een volledig „Psalmboek" .? Precies hetzelfde als in onze uitgave staat .....
We lezen in de kleine èn in de groote uitgave van het groote driemanschap Rutgers, Bavinck en Kuyper het volgende :
17 Vr. Waarom moet hij tegelijk waarachtig God zijn ?
18. Vr. Maar wie is deze middelaar, die tegelijk waarachtig God en een waarachtig rechtvaardig mensch is ?
Wat nu hier het verschil is tusschen ónze lezing en de tekst van dr. Kuyper, hebben we niet kunnen ontdekken ; en toch is de ónze van een Remonstrant en die van Kuyper c.s. is Gereformeerd !
Er is verschil. Want in onze uitgave staat: Hij èn Middelaar — bij Kuyper : hij èn middelaar.
Maar dat is toch niet het verschil van een Remonstrant en van een Gereformeerde ?
Nu zouden we nog op andere uitgaven kunnen wijzen, waar precies hetzelfde staat, als wij hebben gegeven, n.l. tegelijk en niet tezamen. We zouden kunnen noemen het mooie Psalmboekje van dr. J. C. de Moor (uitgegeven bij Gebr. Zomer & Keuning te Wageningen — met dat mooie uitvoerige woord „Ter Inleiding", dat ieder van ons eens rustig moest lezen !) Daar geeft dr. De Moor ook : 17 Vr. Waarom moet Hij tegelijk waarachtig God zijn ? " en 18 Vr. „Maar wie is deze Middelaar, die tegelijk waarachtig God en een waarachtig rechtvaardig mensch is ? "
Is dat óók een Remonstrant ? Doch genoeg.
Of neen (want we vinden die bokkenschieterij toch ook wel aardig), laat ons nog één voorbeeld noemen.
In ons bezit is de eerste, de oudste, de oorspronkelijke Duitsche uitgave van den Heidelbergschen Catechismus van 1563.
Die ligt nu voor ons. De indeeling in Zondagsafdeelingen is er dan nog niet en de nummering der vragen ontbreekt dan nog.
We lezen daar : „Was mussen wir den für einen Mittler und Erlóser suchen ? Antwort : Einen solchen, der ein warer und gerechter mensch, und doch stercker den alle Creaturen, das jst, zugleich warer Gott sey".
„Warum muss er zugleich warer Gott sein ? "
„Wer ist aber derzelbe mittler, der zugleich warer Gott, und ein warer gerechter mensch is?
„Unser Herr Jesus Christus, der uns zur volkomenen erlósung und gerechtigkeit geschenkt ist". Enz.
Het kan ons nu niet meer verontrusten, dat grooter theologen dan wij zijn, vertaald hebben „tegelijk".
Alleen, we vinden die bokken-schieterij van prof. Visscher nu niet bepaald vereerend. Doch dat is het ergste niet. Homerus sliep ook wel eens en de beste breister laat wel eens een steek vallen. We moeten elkaar trouwens ook wat weten te vergeven ; anders hebben we heelemaal geen leven.
Maar erger dan de bokken-schieterij, die weinig eervol is, vinden we het lasteren en liegen, dat bepaald ergerlijk is.
EEN „ETHISCHE" PLEISTER
Net waren we totaal „knock-out" geslagen en beroofd en naakt langs den weg neergesmeten, toen daar toevallig een oud-hoogleeraar voorbij kwam en ons een druppel olie in de wonde goot en ons een dronk t'risch water toereikte.
't Geval zit zóó. In het Algemeen Weekblad voor Kerk en Christendom (29 Maart '40) lazen we hel volgende :
„Ds. M. van Grieken. Kanselboek, inhoudende Catechismus, Christelijke gebeden, formulieren en orde van eeredienst, 84 blz., geb. ƒ 1.75. Neerbosch' Boekhandel. Veel predikanten zullen ds. Van Grieken dankbaar zijn voor de samenstelling van dit boekje, waarin alles is bijeengebracht wal aan formulieren, belijdenisgeschriften en liturgie op den kansel aanwezig behoort te zijn en wat er nu oo wel is, maar meestal alleen in onhandige en onhandelbare groote kerkboeken. De titel „Kanselboek" is zeer gelukkig gekozen. De samensteller heeft enkele verklarende aanteekeningen toegevoegd, o.a. een heele serie „trouwteksten". Formaat en uitvoering (zwarte band met gouden titel) passen bij de bestemming van dit hoek".
Deze recensie is geteekend ,,0" - waaruit gemakkelijk de naam van prof. dr. H. Th. Obbink te spellen is.
't Is waar — het is „maar" een „ethische" pleister ; maar het is dan toch een pleister. We kunnen nu weer verder, al voelen we de slagen nog geducht. Want dat valt niet mee !
CAVIJN OVER HET AVONDMAAL
II.
Ook in de 2de preek, die voorkomt in Het gepredikte Woord, Deel III, spreekt Calvijn over des Heeren Heilig Avondmaal, als hij de tekst verhandelt : „Houd in gedachtenis, dat Jezus Christus uit de dooden is opgewekt", enz. (2 Tim. 2 vs. 8—10). Hij zegt daar dit :
,,Het gaat om de gemeenschap en den band, dien wij hebben met den Zoon van God, om te ontvangen algeheele en volkomen vertroosting, zoowel uit al wat Hij voor ons geleden heeft, als uit het feit, dat Hij opgewekt is tot heerlijkheid.
Ik zeg dit vooral, nu wij a.s. Zondag het Heilig Avondmaal van onzen Heere Jezus Christus zullen ontvangen. Nu komt deze waarheid ons wel goed van pas, dat Jezus Christus Zich vereenigt met geheel 't lichaam der Kerk. Want als dit niet zeker was, waartoe zou ons dan nog dienen, dat Hij verheerlijkt is en dat Hij de heerschappij ontvangen heeft, opdat alle knie voor Hem zou buigen en de duivelen zelfs zouden sidderen voor Zijn goddelijke majesteit ? Wat zouden wij aan dat alles hebben, indien wij niet wisten, dat Hij in geen enkel opzicht van ons gescheiden is ?
Want Hij is niet enkel sterfelijk mensch geworden, geheel aan ons gelijk, om in ware gemeenschap als met broeders te verkeeren met hen allen, die zich aan Hem in geloof overgeven. Maar Hij voedt ons met Zijn suhstantie. Hij wil ons Hoofd zijn, wij moeten van Hem het leven verkrijgen, en dat doet Hij door de kracht van Zijn Heiligen Geest.
Dit nu verzekert Hij ons door Zijn Heilig Avondmaal, dat ons daarom tot een zegel is. Telkens wanneer wij aan dien heiligen tafel aangaan, zullen wij verzekerd worden, dat onze Heere Jezus Christus met ons vereenigd is, en dat wij nooit meer van Hem kunnen gescheiden worden. Daar Hij rijk is, hebben wij niet te vreezen voor onze armoede ; daar Hij machtig is, hebben wij niet te vreezen voor onze zwakheden ; daar Hij de gerechtigheid voor God is, hebben wij niet te vreezen voor onze zonden. Daar Hij de wijsheid Gods is, mogen wij met vrijmoedigheid toegaan om door Hem vernieuwd te worden.
Dat hebben wij te bedenken, als de heilige tafel voor ons wordt toegericht. Onze Heere Jezus Christus toch betuigt ons dan, dat Hij ons aanneemt en dat Hij ons wil voeden met Zijn eigen substantie.
Maar laten wij er wel aan denken, niet tot de heilige tafel van onzen Heere Jezus Christus te naderen, of wij zijn gedachtig aan wat Paulus hier (2 Tim. 2 vs. 8—10) zegt. Want in de eerste plaats hebben wij van noode in de leer der waarheid onderwezen te zijn. En daarbij is het dan niet voldoende, dat wij daarin onderwezen zijn, maar zij moet ook haar kracht in ons betoonen, en wij moeten weten, dat, als wij er dagelijks mee omgaan, ze ijverig moet onderzocht worden om ons in te oefenen al den tijd van ons leven.
Hoe staat het echter hiermee ? Wij zien, hoevelen wel heel ver er van af zijn om in gedachtenis te houden, dat Jezus Christus is opgewekt. Want nog nooit hebben zij leeren verstaan, wat de eerste beginselen van het geloof zijn. Zij zijn altijd bij hun dwaasheid gebleven.
Vervolgens zien wij, hoe anderen aanvankelijk het oor er aan leenden, en deden alsof zij het evangelie geloof schonken, maar zij hebben zich er zóó van afgewend, dat als men een vergelijking maakt tusschen de Pausgezinden en hen, zij zeer zeker duivelen zijn en de Pausgezinden, met hen vergeleken, engelen zijn. God moet dan ook wel wraak nemen op hun ondankbaarheid, daar zij op een dergelijke wijze met Hem spotten, alsook de zoo kostbare schat van het evangelie, die zij, gelijk men ziet, op zoo'n ongelukkige wijze hebben ontheiligd. Toch houden zij niet op zich te vermengen met de kinderen Gods, al strekt het hun tot verdoemenis.
Wanneer wij dat zien, zullen wij van onzen kant zuchten. Niet alsof wij geen roeping hadden zooveel in ons is er voor te zorgen, dat het heilig sacrament niet ontheiligd wordt door zulke onreinheden en slechtigheden. En wanneer wij al onze krachten hebben, ingespannen om het Avondmaal heilig te houden, hebben wij ook God te bidden of Hij Zijn Kerk wil reinigen van zulke ongerechtigheden en ergernissen.
En wat ons zelf betreft, hebben wij toe te zien, dat niemand van ons vershijne om het Avondmaal van onzen Heere Jezus Christus te ontvangen, of hij houdt dit goed voor oogen, dat het is om den Zoon van God te aanschouwen, die om onzentwil geheel vernietigd is, die aan de uiterste versmaadheid is bloot gesteld, ja, die neergedaald is tot in de diepten der hel, en dat Hij daaruit verhoogd is in heerlijkheid, en dat alles, opdat wij tenslotte met Hem zouden aangenomen worden.
Wij moeten dus niet nalaten altijd onzen weg te gaan, want ook al zien wij, dat de menschen zich op zoodanige wijze keeren tegen Zijn majesteit, zoo weten wij, dat hun ondergang nabij is. Wij daarentegen zullen onoverwinnelijk blijken om allen strijd, die Satan ons aandoet, te boven te komen. En met alle nederigheid en vreeze hebben wij te staan naar die standvastigheid des geloofs, om ons te verheffen tot boven in de hemelen en Jezus Christus te aanschouwen, die in Zijn hand de heerschappij heeft, waaraan alle schepselen zijn onderworpen.
Ook hebben wij ons altijd uit te strekken naar het hemelsche leven, en wel door op zulk een wijze door deze wereld te gaan, dat wij er vreemdelingen zijn, wien de rust niet verzekerd is, dan in die hemelsche erfenis, die ons is bereid en waar wij de kroon der heerlijkheid verwachten, die door den Zoon van God voor ons is verworven". (Deel III, blz. 34— 36).
Wanneer wij deze laatste woorden lezen, treffen we ook hier, wat vooral in de gebeden van Calvijn (uitgave van ds. Barkey Wolf) zoo duidelijk uitkomt : we moeten hier den strijd des geloofs strijden en de loopbaan loopen, die ons is voorgesteld, om te leven voor den Heere en aan Zijn hand te wandelen — en dan met het zalige uitzicht op de overwinning, die in en door Christus is, ons vertroostende met de belofte, dat de rust elders is, waar ze bewaard wordt voor allen, Die de verschijning van Jezus Christus in oprechtheid liefhebben.
En het Heilig Avondmaal des Heeren is hierbij van de grootste beteekenis.
DE KINDERDOOP VERBOND EN DOOP (38)
Het geloof in Gods Verbondsbelofte bestreden door vrome menschen.
Wormser, die zelf als een oprecht geloovige zich mocht verblijden in het heil des Heeren, kon het op bepaalde punten niet goed vinden met „de vrome menschen" van zijn tijd, die hij telkens aanduidt als „de bekrompen richting". En het is opmerkelijk, dat mr. Groen van Prinsterer in de historische Inleiding bij den 2den druk (gedateerd 21 April 1864) deze woorden en deze bezwaren en beschuldigingen precies overneemt, om het te verklaren, dat hij, evenals Wormser, van deze bekrompen en verkeerde inzichten en opvattingen zooveel last en zooveel verdriet heeft gehad.
In het stuk van 't boekje : De Kinderdoop, beschouwd met betrekking tot het bijzondere, kerkelijke en maatschappelijke leven — dat we nu voor ons hebben, zien we deze zelfde dingen ook weer.
Het opschrift is al dadelijk : „Het geloof in Gods Verbondsbelofte bestreden door vrome menschen". En we lezen daar dan als volgt :
„Het gedoopte kind, zoo schreven we, staat nu op een grondslag, dien het slechts in al zijn verdere ontwikkelingen behoeft vast te houden om „eindelijk onder de gemeente der uitverkorenen onbevlekt gesteld te worden". Met dien grondslag moet zijn geloofsweg gedurende zijn geheelen levensweg zich ontwikkelen. Het kind moet niet slechts een rank in Christus zijn, het moet ook uit Hem léven.
Daarom — zoo zegt het Doopsformulier — „zullen de ouders gehouden zijn hun kinderen in het opwassen hiervan breeder te onderwijzen" ; en zij leggen bij den doop hunner kinderen daarvan ook de belofte af.
Maar hoe deerlijk worden die teedere rankjes, zelfs dikwijls door het onderwijs zelf van godvruchtige ouders, in het opwassen gehavend, wanneer veeleer de doop en Gods Verbondsbelofte in hen bestreden, dan levend gehouden en aangekweekt worden !
Wel mocht een geacht prediker onlangs bij het toedienen van den Kinderdoop zeggen, dat wij ons, wanneer wij nagaan hoe onverantwoordelijk de doop in het midden der Christenheid verwaarloosd wordt, mogen verwonderen dat er nog zooveel van den doop terecht komt.
„Ik laat" — aldus Wormser, om geen misverstand te wekken — „ik laat voor 't oogenblik de bestrijdingen rusten, die de doop van het kind, tot het einde van zijn loopbaan, als geloofsbestrijding heeft door te staan vanwege zijn natuurlijke verdorvenheid, ongeloof, kleingeloof, aanvechtingen en verleidingen van de wereld en den Satan. Die geloofsstrijd hebben we allen door te maken en behoort tot den geestelijken strijd, waartoe we door den doop geroepen worden, om tenslotte te mogen overwinnen in en door Christus en te betoonen, dat wij het pand, ons in den doop toebetrouwd, hebben weten te bewaren. Daarom eindigt de Gereformeerde Kerk haar dankzegging met de bede, dat de gedoopte kinderen „in alle gerechtigheid, onder onzen eenigen Leeraar, Koning en Hoogepriester Christus Jezus leven, en vromelijk tegen de zonde, den duivel, en zijn gansche rijk strijden en overwinnen mogen, om U en Uw Zoon Jezus Christus, mitsgaders den Heiligen Geest, den eenigen en waarachtigen God, eeuwiglijk te loven en te prijzen. Amen".
Zoo is de overwinning uit dien strijd dit : dat het kind, als zuigeling gedoopt, gedurende zijn ganschen levensweg de Verbonds-belofte van God vasthoudt, en eindelijk uit dit leven scheidende, met geestelijke zelfbewustheid de levende verklaring kan afleggen : ik ben gedoopt, ik ben met Christus gestorven en opgestaan, en ben het eigendom van een Drieëenig Verbonds-God !"
Die geloofsstrijd neemt Wormser dus heel ernstig, daar hij zelf bij ervaring weet, hoe het alles Gods genade en ontferming is voor arme zondaren, die alles verzondigd en verbeurd hebben. Maar dan is zijn ernstige grief tegen de vrome menschen van zijn tijd, die hij de bekrompen richting noemt (evenals Groen dat doet), dat men absoluut geen oog meer heeft, in tegenstelling met onze Gereformeerde Vaderen uit de 16de eeuw, voor het Verbond Gods en de Verbondsbeloften in het midden van de Gemeente van den God des Verbonds. Dat alles acht men als niets ! Subjectivistisch is men in alles individualistisch in z'n opvattingen en men heeft de Gereformeerde lijn totaal losgelaten en is verzeild geraakt in de baptistische wateren. In den grond van de zaak hecht men niet de minste waarde aan den Kinderdoop.
„Ik heb het nu" — aldus zegt Wormser - „over de bestrijdingen van den doop des kinds door vrome en godvruchtige meiischen, zells door dezulken, die de kinderen doopen of laten doopen, maar door wie het kind in zijn opwassen door averechtsch onderwijs niet alleen wordt bestreden, maar als een teeder rankje wordt mishandeld".
Over den geestelijken strijd schrijft Wormser dan verder nog. Hij zegt :
„Het ééne geslacht komt na het andere ; en hoe verschillend zijn de uit- en inwendige omstandigheden, de geaardheden en karakters, die in de Kerk gevonden worden ! De voortdurende en telkens zich vernieuwende toevoer van de Adamsnatuur in de Kerk, door het geboren worden van nieuwe geslachten, die door den doop Christus worden ingeënt, maakt dus een onafgebroken worsteling van de goddelijke genade, in den doop verzegeld, met die Adamsnatuur noodzakelijk, en veroorzaakt een voortdurenden inwendigen strijd van de genade en de waarheid met al de zondige krachten en hoedanigheden van het menschelijk hart en verstand".
„Daarom vooral is de Kerk een strijdende Kerk, die zich voortdurend onder de bewerking van de goddelijke genade bevindt en zich door het aangrijpen van de kracht van Christus' verlossing uit de zondige Adamsnatuur tot de vrijheid der kinderen Gods ontworstelt".
En wat is nu het vreeselijke — zegt Wormser ?
„Wanneer men bij dit alles nu aan de kinderen in het opwassen de wapenen om dien strijd te voeren onthoudt en hen buiten Gods genade plaatst op een heidenschen grondslag, door hun in te prenten, dat de uitwendig door hen ontvangen doop toch eigenlijk geen kracht heeft en niet veel beteekent — en door te zeggen : dat zij toch eeuwig verloren gaan, indien zij niet uitverkoren zijn — en : dat zij toch niet kunnen bidden en niet kunnen gelooven — en : dat zij zich wel hebben te wachten zich iets toe te eigenen en zich te bedriegen met een gestolen Christus — en : dat zij langs den rand der hel moeten gesleept worden om hun zonden recht te leeren kennen, enz. enz. — dan vraag ik u — aldus Wormser — of dit geen mishandelen is van de teedere rankjes, die Christus door den doop zijn ingeënt".
(Wordt voortgezet.)
DE NOODZAKELIJKHEID VAN EEN CHRISTELIJK LEVEN (12)
Geen vrees voor den dood.
We zagen dus, dat de Christen dit leven heeft te waardeeren als een geschenk Gods, hem met heilige bedoelingen gegeven en gelaten, zoolang het God belieft. Het is onze roeping den Heere te leven — maar er staat ook, dat we moeten leeren: den Heere te sterven. Daarom moeten wij den tijd van leven en dood aan Hem overlaten, doch zóó, dat wij branden van verlangen naar het hemelleven, en steeds bedenken, dat wij dit leven gering moeten achten in vergelijking van het toekomstige ; ja we zullen om der wille van de slavernij der zonde, begeerte moeten hebben om het gaarne af te leggen, zoodra den Heere zulks goeddunkt.
Het is een onbegrijpelijke zaak, dat velen, die zich toch durven beroemen Christenen te zijn, inplaats van naar den dood begeerig uit te zien, zóó bevreesd daarvoor zijn, dat zij bij het enkele woord „dood" sidderen, als voor iets geheel onheilspellends en schrikwekkends. Het is weliswaar niet te verwonderen, dat ons natuurlijk leven met schrik wordt aangedaan bij de gedachte aan onze ontbinding ; maar het mag toch niet bestaan, wanneer in het gemoed van een Christen het licht des geloofs de vreeze des doods — hoe groot die ook zijn moge — niet met rijke troostgronden overwint en onderdrukt. Want als wij overwegen, dat deze onvaste, gebrekkige, verderfelijke, bouwvallige, wankele tabernakel van onze lichamen wordt gesloopt, om tot duurzame, volmaakte, onverwelkbare hemelsche heerlijkheid vernieuwd te worden, moet het geloof dan niet vurig verlangen naar datgene, waarvoor het vleesch siddert ? Als wij bedenken, dat wij door den dood uit de ballingschap worden teruggeroepen naar het hemelsch vaderland, is dat geen rijke troost ?
Het is waar; al wat leven ontvangen heeft, verlangt te blijven leven ; maar daarom juist moeten wij onzen blik vestigen op de toekomstige heerlijkheid, waar ons deel wordt, wat op aarde nergens te vinden is. Terecht zegt Paulus immers, dat de geloovigen met vreugde den dood verbeiden, omdat zij niet ontkleed, maar bekleed willen vvorden. (2 Cor. 5 vers 4).
Spreekt de Apostel niet van een „met opgestoken hoofde" verlangen, om als Gods kinderen te mogen komen tot de hemelsche vrijheid, verlost van den dienst der vergankelijkheid en der zonde ? En daarom moeten wij, door den Geest Gods verlicht, onze harten verheffen boven het stof en de zonde der aarde, verlangende naar onze ware bestemming. Wie den dag des doods en der opstanding niet met blijdschap tegemoet ziet, heeft nog weinig geleerd in de school van Christus (2 Tim. 4 vs. 18 ; Titus 2 vs. 13). Want dit is bij Paulus het kenmerk van alle ware geloovigen, en de Schrift wijst ons daarop telkens als zij ons een vasten grond tot blijdschap wil aanwijzen.
„Verheugt u", zegt de Heiland (Lukas 21 vs. 28) „en heft uwe hoofden omhoog, omdat uwe verlossing nabij is". Kan het ons droefheid en angst veroorzaken, wat Hij ons heeft voorgesteld als een reden tot blijdschap en vreugde ? Zouden wij ons dan nog kunnen beroemen Hem tot onzen Meester te hebben ? Laat ons dan verstandiger zijn en onophoudelijk niet alleen om de toekomst des Hee ren bidden, maar die ook met zuchten en verlangen tegemoet zien als ons hoogst geluk, hoewel onze verblinde en dwaze vleeschelijkc neiging zich hiertegen verzet. Want Hij zal komen als onze Verlosser, die ons redt uit dezen grondeloozen poel van lijden en jammer, om ons binnen te leiden in het zalig leven en ons deelgenooten te maken van Zijn heerlijkheid.
Alle geloovigen, zoolang zij hier op- aarde wonen, moeten beschouwd worden als schapen, die ter slachtbank worden geleid, opdat zij aan Christus, hun Heere, gelijk worden. (Rom. 8 vs. 36). Zij zouden de ellendigsten van alle menschen zijn, indien zij niet hun hart ten hemel hieven, bovenal het aardsche, en de gedaante van deze tegenwoordige wereld niet voorbij zagen. Al zien zij dan, dat de goddeloozen voorspoed hebben, zij kennen een ander en hooger en heerlijker goed, met Asaf zeggende : Wien heb ik nevens U in den hemel, nevens U lust mij ook niets op aarde. En zij begeeren hier door Gods hand geleid te worden, naar Zijn raad, en daarna te vvorden opgenomen in heerlijkheid. (Psalm 73). Den goddeloozen wacht niet anders dan bittere teleurstelling en eeuwig wee, maar aan degenen, die God vreezen en op Zijn Naam betrouwen, staat de dag te wachten, dat de Heere de Zijnen zal opnemen in Zijn rijk en alle tranen zal afwisschen; hen bekleeden zal met het kleed der heerlijkheid en vreugde, hen weiden zal met wateren der onuitsprekelijke zoetheid van Zijn lieflijkheden en hen verheffen zal tot de gemeenschap met Zijn hoogheid en zaligheid. (Openb. 7 vs. 17).
Paulus noemt het een bewijs van Gods rechtvaardig oordeel, dat Hij verdrukking vergeldt dengenen, die verdrukken, en verkwikking aan degenen, die verdrukt worden, als de Heere Jezus van den hemel zal geopenbaard worden met de engelen Zijner kracht. (2 Thess. 1 vs. 6). In waarheid, dit is onze eenige troost ; als deze wegvalt, moeten wij den moed laten ziaken ; gelijk Asaf klaagt : „Mijn voeten waren bijna uitgeweken". Maar de blijdschap keert weder in het harte, wanneer het oog mag zien op Jezus Christus, die de opstanding en het leven is. Als Hij komt, zal het zijn om al de Zijnen binnen te halen in den hemel der heerlijkheid, in het huis Zijns Vaders met de vele woningen. ,,Mijne nieren verlangen zeer in mijn schoot" — zei Job, omdat hij wist : mijn Verlosser leeft ! (Job 19).
(Wordt voortgezet.)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 4 april 1940
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 4 april 1940
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's