WAT DE PERS TE LEZEN GEEFT
De Afscheiding - niet.
De Afscheiding — niet. Mr. Izaak Da Costa was een held des geloofs, die veel gedaan heeft voor „de verbreiding van de kennis van het Schriftuurlijke Evangelie" en die krachtig mee gestreden heeft, met Groen, Wormser e.a. in den strijd tegen de ongeloofsleer zijner dagen. Bekend is zijn boekje : „Bezwaren tegen den geest dezer eeuw". Van hem is het lied : „Ze zullen ons niet hebben, de goden dezer eeuw !"
Da Costa was een geestverwant van degenen, die in 1834 ijverden voor Kerkherstel, maar hij heeft zich telkens weer en telkens meer verklaard tegen de Afscheiding. („Nederlandsche Stemmen").
„Ofschoon ook het lichaam onzer Nederlandsche Gereformeerde Kerk in openbare leer, bestuur en tucht van hare oorspronkelijke belijdenis en bestemming ongetwijfeld is afgeweken, 200 is deze afwijking, op zich zelve beschouwd, nog geenszins het kenmerk der va1sche Kerk, waarvan men volgens artikel 28 onzer Nederl. Geloofsbelijdenis moet uitgaan, en geeft ook geenszins, naar Gods Woord, aan de ware geloovigen, zonder nader bijkomenden wenk en leiding van Boven, vrijheid om zich van de gemeenschap dier Kerk af te scheiden en een nieuwe te vestigen".
Wat de leer betreft, is de Kerk ontrouw aan het Gereformeerde beginsel, doordat zij de leer der vrije genade Gods doet wijken voor die der algemeene genade en den vrijen wil ; ontrouw aan het Protestantsche beginsel, doordat de leer van wedergeboorte en gerechtigheid in Christus verdrongen wordt door die eener godsdienstige of enkel zedelijke verbetering ; ontrouw aan het Christelijk beginsel, doordat de belijdenis van een heilig en Drieëenig God plaats maakt voor de begrippen van een algemeen Vaderschap.
Da Costa erkent gaarne ds. Scholte e.a. als „ijverig handhaver der waarheid" en wil hem en anderen gaarne „de broederband" reiken, maar hij kan „niet nalaten eene handeling openbaar af te keuren, die wij met droefheid gezien hebben, en waarvan hij voor de Kerk bedenkelijke gevolgen tegemoet ziet".
Da Costa zegt verder : „Wat nu de handelingen der Gemeente betreft, zoo heeft daarin, naar ons oordeel, een spoed geheerscht, die, bij een zaak van zoo groot gewicht, niet dan ten hoogste verwonderen kan".
„Alles draagt hier te veel het kenmerk van gevoeligheid over de bejegening, eenen geliefden leeraar aangedaan, en hoe prijzenswaardig die aanhankelijkheid anders ook zij, het komt ons voor, dat dezelve heer te veel invloed op de zoo overhaaste beslissing gehad heeft".
Ook Da Costa houdt herstel van leer en leven en tucht voor noodzakelijk, maar dan binnen de Kerk. Hij had gewild, „dat diegenen, wien het heil der Kerk ter harte ging, op alle mogelijke wijzen het herstel zouden gezocht hebben alvorens, gelijk in deze geschied is, hun recht in eigen handen te nemen en daardoor de tegenpartij in de hand te werken".
In hetgeen te Doeveren en elders gebeurd is, vindt Da Costa „veel stof tot aanmerkingen" ; hij laat ook doorschemeren dat het „vleesch" hier te veel den boventoon voerde, als hij zegt : „Mocht het ieder, die zich in zulk een strijd gebracht vindt, gegeven worden, om, door de genade Gods, niet in eigen weg en eigen kracht te blijven staan, maar den strijd des Geestes te voeren".
„Ook wij meenen de eer van Christus te verlangen — doch hebben wij niet dikwijls in den loop der kerkelijke geschiedenis gezien, hoe het belang der zielen en de uitbreiding van het Rijk des Heeren schade geleden heeft bij het woeden van partijschappen en het opsteken van leuzen" ? "
Da Costa wilde in den kerkelijken weg herstel der Nederlandsche Gereformeerde Kerk en wenschte dat de ijveraars meer hadden bedacht, dat zij ook zelven tot die Kerk behoorden. Om dan het herstel dier Kerk binnen de Kerk te zoeken en niet naast en buiten en tegenover die Kerk te gaan staan. „De Pauselijke Antichristisch gewordene Kerk (in de dagen der Hervormers) „vertoonde bij alle hare overige kenmerken van bederf en afval, daarenboven dat alles beslissende kenmerk van onherstelbaarheid — een kenmerk, dat niemand wel zal durven beweren in onze Nederlandsche Gereformeerde Kerk vooralsnog aanwezig te zijn".
[Bovenstaand is ontleend (gedeeltelijk) aan een artikel van ds. H. G. Groenewoud, van Wageningen : „Grepen uit de Vaderlandsche Kerkgeschiedenis" No. IX, voorkomend in „de Geref. Kerk" van 28 Maart, geput uit „Nederlandsche Stemmen", hoofdstuk „Ons beginsel omtrent scheiding uit de bestaande Kerk" van mr. I. Da Costa).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 11 april 1940
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 11 april 1940
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's