KERKELIJKE RONDSCHOUW
DE NOODZAKELIJKHEID VAN EEN CHRISTELIJK LEVEN (13)--DE KINDERDOOP VERBOND EN DOOP (39)--KERK OF GENOOTSCHAP?--Mr. GROEN VAN PRINSTERER EN WORMSER--DE LEERGESCHILLEN IN DE GEREF. KERKEN
Wij mogen de aardsche goederen niet zondig verachten.
Bij een recht christelijken wandel moeten de aardsche goederen op de rechte wijze gebruikt worden em mogen zij allerminst wor den verwaarloosd. Wij hebben immers deze aardsche goederen noodig tot onderhouding van ons leven, en mogen ook wat meer tot veraangenaming, dan noodzakelijk is, niet verachten. Het komt er bijzonder nu op aan, dat wij een juisten maatstaf weten te verkrijgen om ze met een rein geweten te gebruiken, hetzij ter vervulling onzer behoeften, hetzij tot ons vermaak. Dezen maatstaf geeft de Heere ons in Zijn Woord, als Hij ons leert, dat dit leven voor de Zijnen een reis is naar het hemelsch Koninkrijk. Dan is het duidelijk, dat we de aardsche goederen slechts zóó mogen gebruiken, dat zij onze reis eer bevorderen dan belemmeren. Daarom geeft Paulus ons terecht den raad (1 Cor. 7 vers 30 enz.), deze wereld te gebruiken, als niet misbruikende, en te koopen, als niet bezittende ; in de wereld, maar niet van de wereld. Maar omdat dit een moeilijk terrein is, waar men gemakkelijk naar verschillende kanten kan afglijden, moeten wij trachten een vast steunpunt voor onzen voet te vinden.
Er zijn sommigen geweest, die, om overdaad en misbruik tegen te gaan, geleerd hebben, dat den mensch slechts het allernoodzakelijkste gebruik der aardsche goederen vergund is. De bedoeling daarvan was wel goed, maar de maatregel ongemeen streng en zeer gevaarlijk. Want op die wijze werd het geweten binnen engere grenzen beperkt, dan in Gods Woord staat aangegeven!
Men leert dan, dat men zich volstrekt onthouden moet van alles, wat men missen kan, en men zou dan, als men daarnaar handelde, nauwelijks iets meer nuttigen dan brood en water !
Anderen daarentegen nemen aan, dat de vrijheid in uitwendige dingen onbeperkt is, en dat aan ieders geweten moet worden overgelaten, hoever men z'n vrijheid wil uitstrekken (wat ik hun niet toegeef — zegt Calvijn).
Nu kan en mag weliswaar het geweten niet aan vaste en nauwkeurige voorschriften gebonden worden, maar als de H. Schrift eenige algemeene bepalingen omtrent het gebruik der aardsche goederen vaststelt, moeten wij ons daarnaar richten. Hier geldt dan vooral de stelling, dat alle gebruik der gaven geoorloofd is, als het beantwoordt aan het doel, waartoe de Schepper Zijn gaven geschonken heeft.
Vragen we nu : waartoe het voedsel geschapen is, dan zullen wij bevinden, dat het niet alleen moet strekken om onze behoefte te stillen, maar óók tot ons genot en genoegen. Evenzoo beoogt Hij met de kleeding niet alleen onze nooddruft, maar ook onze sier en onze tooi. Gras, kruiden, bloemen, planten, vruchten, dienen onderscheiden doel, maar óók om ons door het gezicht en den aangenamen geur te verlustigen. Als dat niet zoo was, zou de Psalmist niet onder de weldaden van God rekenen, dat de wijn het hart des menschen verheugt en zijn aangezicht doet blinken van olie. (Psalm 104 vers 15). Dan zou de H. Schrift niet op zoovele plaatsen den lof van God vermelden, wijl Hij ons dat alles geeft in Zijn milde goedheid, die uitgespreid ligt over al Zijne werken.
De gaven der natuur zelf toonen ons duidelijk genoeg, waartoe en in hoeverre wij er ons van bedienen mogen. Of zou God aan de bloemen zoo'n uitnemende schoonheid en een zoo aangename geur geschonken hebben, opdat wij ons zouden bezondigen door ons in de schoonheid er van te verlustigen ? Of is Hij het niet, die de kleuren zóó geschakeerd heeft, dat Hij de eene nog aangenamer maakte dan de ander ? Is Hij het niet, die aan het goud en zilver, aan het marmer en ivoor zijn glans verleende, opdat het kostbaarder zou zijn dan andere metalen en gesteenten ?
God Zelf heeft dus vele dingen voor ons begeerlijk gemaakt, ofschoon zij niet rechtstreeks voor het gebruik noodzakelijk zijn.
Wèg dus met die onmenschelijke filosofie, die ons slechts het noodzakelijk gebruik der aardsche dingen wil toestaan onder de strengste en onbarmhartigste beperkingen en bepalingen, om ons zoo het genot te ontzeggen van ons te verheugen in Gods werken en weldaden.
Deze leer toch kan van den mensch - zoo besluit Calvijn - slechts een gevoelloos stuk hout maken ! (Slot volgt.)
DE KINDERDOOP VERBOND EN DOOP (39)
„De Waarheid, zóó voorgesteld en zóó mishandeld door, zoovele ouders, die hun kind nog laten doopen, blijft geen waarheid meer" — zegt Wonnser. Door allerlei z.g.n. geestelijke redeneeringen bederft men zooveel. ,,Gods Woord spreekt anders en ook spreken anders onze Gereformeerde Vaderen in de Belijdenis- en Liturgische Schriften". „Om de Adamsnatuur in al haar zondige gedaanten en ontwikkelingen te bestrijden, bestaan er geen andere wapenen dan die van verlossende on heiligende genade ; en die genade zet God in Zijn Kerk voorop en niet achteraan, op gevaar af, dat de mensch, die eerst van God afgevallen is in het Paradijs, zich nu ook andermaal gaat bezondigen aan Zijn genade. Inmiddels volvoert God Zijn raad en zamelt Hij Zijn uitverkorenen in".
Gods genade gaat voorop, en dat blijkt juist in de Kinderdoop : God de Eerste en de mensch de laatste.
En nu heeft God het genadeverbond en Zijn instellingen en Zijn beloften niet geschonken opdat wij die zouden bejegenen met ongeloof, zooals de verspieders, die het land Kanaan, het land der belofte, bezien hadden, deden. Maar de Heere geeft ons en onzen kinderen dit alles, opdat de Jozua's en de Kaleb's een vasten grond voor hun geloof zouden hebben en door het geloof zouden ingaan, hoe velen er ook rondom hen door het ongeloof mogen vallen.
,,De vraag is dus niet, wat de doop en al Gods beloften, wat de geheele voorwerpelijke waarheid is voor ongeloovigen, maar wat dit alles is voor hen, die geloovende, zich tot God wenschen te bekeeren".
Maar — zoo vraagt men — de mensch kan immers toch niet gelooven wanneer hij wil ; het geloof is immers een gave Gods, die de Heilige Geest in hem moet werken ?
Dat is zoo — zegt Wormser. Maar als God in den weg van Zijn Verbond komt met Zijn beloften, gaat men nu bovendien het voorwerp des geloofs afbreken en bestrijden en men gaat het recht om te mogen gelooven betwisten, met z'n vele z.g.n. geestelijke redeneeringen. Wat God Zelf voorhoudt, gaat men verdacht maken, om hen, die willen gelooven, te verhinderen en hun die wenschen in te gaan, den weg te versperren en te bemoeilijken.
En zonder het voorwerp des geloofs zouden er geen begenadigden zijn. En de groote fout van de bekrompen richting is deze : dat zij zichzelve en anderen niet wijst op de gemeenschappelijke beloften aan de Kerk gedaan en op de gemeenschappelijke goederen aan de Kerk geschonken, maar dat zij nieuwe en bijzondere beloften verlangt". Krachtens haar subjectivistische en individualistische geestesgesteldheid. Door het Verbond haalt men een streep, en er blijven alleen maar enkele los-van-elkander-staande individuën over, waarbij men dan van niets schijnt te weten dan van de uitverkiezing, uit welke verborgenheid men redeneert en heel z'n stelsel opbouwt.
Deze richting wordt op alle wijzen door de Kerk veroordeeld, b.v. :
door de Algemeene Christelijke Kerk van alle plaatsen en van de vroegste tijden af, wanneer zij in de z.g.n. Apostolische geloofsbelijdenis nog verklaart : „Ik geloof een heilige, algemeene Christelijke Kerk — de gemeenschap der heiligen — vergeving der zonden".
De Kerk erkent dus, dat de vergeving der zonden een voorwerp des geloofs is, hetwelk men door het geloof zelf deelachtig wordt ; door de Gereformeerde Kerk wordt deze richting eveneens veroordeeld, wanneer zij, in overeenstemming hiermede, lederen Avondmaalganger vermaant : „Ten anderen onderzoeke een iegelijk zijn hart, of hij deze gewisse belofte Gods gelooft, dat hem al zijn zonden, alleen om het lijden en sterven van Jezus Christus vergeven zijn", enz."
„Niet op grond van een particuliere belofte, maar op grond van de belofte, aan de gansche Kerk gedaan, aan welke belofte men personeel aandeel erlangt door haar personeel te gelooven".
„Uit die verzekering en uit die zekerheid begint de Gereformeerde Kerk, wanneer zij bij den Kinderdoop) dankt : „Wij danken en loven U, dat Gij ons en onzen kinderen, door het bloed van Uw lieven Zoon Jezus Christus, al onze zonden vergeven hebt, enz." „En gelijk nu het kind geleerd moet worden wat Adam voor hem was, zoo moet hem ook geleerd worden wat Christvis voor hem is". (Wordt voortgezet.)
KERK OF GENOOTSCHAP?
Het doet ons altijd pijnlijk aan, als degenen, die kerkelijk gescheiden van ons leven, onze Hervormde Kerk een Genootschap noemen. Maar pijnlijker nog treft het ons, als- wat Wormser in zijn boekje „De Kinderdoop" en Groen van Prinsterer in zijn breede inleiding bij de 2de druk van dat boekje, „de bekrompen richting" noemt — verschillende subjectivistische menschen, die individualistisch zijn aangelegd, binnen de muren van de Hervormde Kerk óók gaan spreken van „Genootschap" inplaats van Kerk.
Men erkent de Nederlandsche Hervormde Kerk dan niet meer als Kerk en men is er op uit een groep van geloovigen te verzamelen en te vormen als een kerkje in de Kerk, waarbij men de Nederlandsche Hervormde Kerk als zoodanig los laat en niet meer als Kerk wil beschouwen en handhaven.
Door onze Hervormde Kerk te maken tot Genootschap, wil men zich zelf de vrijheid scheppen in het midden van dat „genootschap" een eigen groep, club, kring, gemeenschap te vormen en dan met andere groepen en kringen samen genootschappelijk in één huis te wonen, met vrije beweging voor zich zelf en vrije beweging voor anderen. Het is dan gemeenschappelijk bezit — zooals de gewone Nederlandsche woning hoe langer hoe meer plaats gaat maken voor de Amerikaansche manier van gemeenschappelijk samenwonen in 'n reusachtig hooge wolkenkrabber, in een flat, met vele geheel aparte woningen in één groot complex, administratief beheerd en verzorgd door een Vennootschap.
De een heeft dan geen gemeenschap met den ander ; de eene dominé heeft geen boodschap voor de anderen, die niet tot zijn groep of club of kring hooren ; men heeft voor elkaar niet meer de minste verantwoordelijkheid en het geheel wordt totaal uit het oog verloren, omdat de groepsbelangen en de kring-aangelegenheden 't een en het al zijn. De levensregel is dan : ben ik mijns broeders hoeder ? Immers neen !
Dat dit op het uiteenvallen van de Nederlandsche Hervormde Kerk moet uitloopen, is duidelijk. Ieder preekt voor z'n eigen parochie, ieder werkt voor z'n eigen groep, ieder ijvert voor z'n eigen gebouw, ieder loopt voor z'n eigen stichting, ieder zoekt z'n eigen voordeel — en het huis des Heeren wordt woest gelaten. Het geheel bestaat niet meer, de onderdeden ziet men los naast elkaar, en ieder kiest er het zijne van uit, en loopt er in eigen richting, naar eigen kring, hard mee weg.
Dat er een gemeenschappelijke geschiedenis is, dat het Verbond Gods er is in het midden van dat groote geheel, dat er gemeenschappelijke beloften des Heeren liggen, voor ons en voor onze kinderen in de geslachten, acht men als niets, en de breuk, die er om der zonde wil is, door de overtredingen van onze Vaderen en ons in de geslachten, wordt op 't lichtst geheeld, ieder zoekende het zijne.
Dat zoo de plaats der Kerk ledig komt, dat zoo het huis des Heeren woest gelaten wordt, dat zoo de stem Gods door Zijn Kerk verwaarloosd wordt, dat zoo de eere Gods geschonden en het heil van land en volk geschaad, beseft men niet en rekent men niet. Het is altijd weer : die met ons niet zijn, die bestaan voor ons niet ; die mij niet hooren wil, die tel ik niet ; die ons niet volgen, die hebben verder geen beteekenis voor ons, enz. Dat men zoo buiten de Hervormde Kerk staat, is duidelijk.
Het subjectivisme viert hoogtij en het individualisme schrijft de wet voor.
Tegen welke dwalingen en zonden mannen als Wormser en Groen van Prinsterer altijd zoo ernstig gewaarschuwd hebben, opkomende voor Kerk en School, voor Kerk en Volk. Wij herinneren hier aan wat in het „Amsterdamsche Eindpretest van 1854" — een stuk, door Wormser opgesteld - staat. Daar gaat het er om, de Hervormde Kerk op te eischen, krachtens haar eigen belijdenis, als Kerk van Christus, die als Nederlandsche Hervormde Kerk recht heeft op een plaats in het midden der Nederlandsche natie en dan
Wormser zegt daar o.a. (en Da Costa schreef vol bewondering, dat dit stuk „waardig was in onze Kerkboeken als vervolgstuk op de belijdenisschriften te worden opgenomen"!) : ,,De ondergeteekenden vertrouwen, dat het niet te veel ware, de handhaving te verlangen van die waarheden, welke de gansche Schrift door, als de grondslag en de kern der goddelijke openbaring aan een afgevallen menschengeslacht worden voorgesteld; — die de hoop en de verwachting hebben uitgemaakt van de Patriarchen, Profeten en Apostelen ; — die de belijdenis van de gansche Christenheid van alle eeuwen en van alle plaatsen hebben gekarakteriseerd ; - en die de ziel en het leven hebben uitgemaakt ook van die groote kerkelijke beweging in de 16e eeuw, welke nog steeds bij alle ware Protestanten onder den naam van de Kerkhervorming met zegen en welgevallen wordt herdacht".
En als zóó de Nederlandsche Hervormde Kerk wordt opgeëischt, ook met het oog op het volksleven en den Staat, zijn het Wormser en Groen (zie zijn „inleiding" bovenbedoeld) die zeggen, dat ze beangst worden, door een richting, die het kerkelijk karakter schijnt verloren te hebben ; en het vreeselijke voor hen is, dat „óók door haar" (n.l. die richting) de Kerk ontbonden wordt en de Staat onnoemelijke schade lijdt. „Ook door haar" !
„Tegen dergelijke afwijking en verwarring wordt men behoed door het fiksche, krachtige em onbekrompen standpunt van de Gereformeerde Kerk" — zegt Wormser. En Groen neemt het met hartelijke instemming over. Gelijk wij het weer overnemen van deze strijdbare geloofshelden van de vorige eeuw.
Mr. GROEN VAN PRINSTERER EN WORMSER
Inleidend Woord in het boekje : De kinderdoop. (2)
Het loont de moeite, na te gaan hoe mr. Groen van Prinsterer in zijn warm gesteld inleidend woord, geschreven bij de 2de druk van Wormser's boekje : „De Kinderdoop", telkens woordelijk, in breede citaten overneemt, wat Wormser gezegd heeft over het individualisme van „de bekrompen richting", waar men de band des Verbonds niet in waarde houdt, ja, er in den grond der zaak niets van wil weten. Dat moet leiden tot ontbinding van de Kerk, maar ook töt loslating van de gedoopte natie en ontbinding van den Staat.
Groen schrijft : „Gedachtig aan dit Individualisme, dat ook den Staat niet spaart, begrijpt men de beteekenis van de wonderspreuk : leer de natie haar doop verstaan en waardeeren, en Kerk en Staat zijn gered". „Het pleit der ontchristelijking van Nederland is nog niet beslist en de vereeniging van Kerk en Staat is onoplosbaar, zoolang er christelijke beginselen in den boezem van het volk overblijven, ook waar de scheiding is uitgesproken".
Groen vraagt dan met Wormser : „Waarin heeft de dwaling omtrent den doop haar diepsten grond ? " En woordelijk neemt hij het antwoord van Wormser over : „Dat men den doop onderwerpelijk (subjectief) en niet voorwerpelijk (objectief) opvat. Alleen het voorwerp des geloofs (de waarheid) heeft vruchtbaarmakende kracht, en door haar moet het onderwerp (de mensch) vruchtbaar gemaakt worden, wanneer de waarheid door het geloof overgaat en ontvangen wordt in het hart."
Vandaar — zegt Groen met Wormser — „vandaar dat deze bekrompen richting de vrijmakende en verlossende kracht van Jezus' dood en opstanding niet ten volle gevoelt."
Ook de gevolgen voor de wetenschap zijn zeer schadelijk, zegt Groen. Want ook de geloovige wetenschap is ziekelijk. „De onkerkelijke richting der wetenschap en de bekrompen richting der Kerk" gaan hand aan hand ; want beide verwaarloozen de objectieve (voorwerpelijke) waarheid en daarin den onveranderlijken grondslag van Gods gemeente ; en de belijdenis der Kerk wordt ingewisseld tegen een chaos van subjectieve, individueele, tegenstrijdige meeningen en gissingen".
„Tegen dergelijke afwijkingen en verwarring" — zegt Groen met Wormser's woorden - : wordt men behoed door het fiksche, krachtige en onbekrompen standpunt van de Gereformeerde Kerk."
De doode rechtzinnigheid, die alles vertroebelt en bederft, veroordeelt Wormser, en Groen met hem. De Geest des levens moet zich komen openbaren aan het hart der Christusbelijders. „En de rechtzinnigheid, in haar schriftuurlijken hoofdinhoud, is onmisbaar voor het leven der Kerk en het leven der ziel". „Men heeft de instellingen der Kerk met haar Christelijken rustdag en Kinderdoop en dogmatiek voorgesteld als nuttelooze geraamten, weinig in overeenstemming met den geestelijken aard van het Christendom. Ik deins voor die schildering niet terug ; maar neem aan, dat al die instellingen geraamten kunnen zijn. Maar ook dan nog bewijzen zij mij, dat èn de Kerk met haar belijdenis, èn de Christelijke rustdag èn de Kinderdoop behooren tot het lichaam, tot het beenderstelsel, tot de vastigheid van het Christendom. En ik weet, dat een schoon en gezond lichaam onbestaanbaar is, zoo het heendergestel wordt aangetast."
Wormser en Groen waren het hierin ook met elkander eens : zonder geloofseenheid geen Kerk. Vrije verkondiging van elke leer in de Ned. Hervormde Kerk staat gelijk met de slooping der Kerk, en haar bestaan is onafscheidelijk van de handhaving der waarheden, waarop de Christelijke Kerk ten allen tijde gerust heeft. Daarin, ligt tegelijk de voorwaarde van de Christelijke vrijheid en van Christelijke wetenschap.
„Vasthouding aan het beginsel moest daarbij gepaard gaan met onbekrompenheid in de toepassing". {Wordt voortgezet).
DE LEERGESCHILLEN IN DE GEREF. KERKEN
De Synode van Amsterdam 1936 heeft aan de Commissie voor leergeschillen een massa werk opgedragen. Zij moet ,,naar haar zakelijke beteekenis onderzoeken en aan de Schrift en belijdenis toetsen" die opvattingen, „welke van de tot nog toe gangbare leeringen afwijken".
En dat zijn dan de „opvattingen, welke betrekking hebben op de onderwerpen (in alfabetische orde) : Algemeene genade. Genadeverbond, Onsterfelijkheid der ziel. Pluriformiteit der Kerk, Vereeniging van de beide naturen in Christus, Zelfonderzoek" (Acta, art. 212).
Dit is heel wat ! En het is te begrijpen, dat de Commissie nog niet gereed gekomen is. In die Commissie zijn benoemd : ds. Schouten van Amsterdam, prof. Aalders, ds. G. Diemer, prof. Greydanus, prof. Hepp, prof. Schilder, dr. Thijs en prof. Vollenhoven.
Zooals men weet, heeft prof. Greijdanus verldaard, dat hij niet langer tot deze Commissie wenschte te behooren, terwijl de hoogleeraren -Schilder en Vollenhoven verklaard hebben, dat zij niet langer konden samenwerken met de anderen.
We zullen dus, wanneer het zoover is, wel meer dan één rapport krijgen .... vol leergeschillen ?
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 11 april 1940
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 11 april 1940
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's