De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

STAAT EN MAATSCHAPPIJ

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

STAAT EN MAATSCHAPPIJ

11 minuten leestijd

ONS STANDPUNT--Waarom wij Hervormd blijven-

ONS STANDPUNT

Het standpunt, dat wij, die de Christelijke levensovertuiging zijn toegedaan, ten opzichte, van de lijkverbranding innemen, is, dat de crematie moet worden tegengestaan omdat het verbranden van lijken, zooals wij de vorige week in het slot van ons artikel : het nieuwe wetsontwerp reeds schreven tot de heidensche zeden behoort ; terwijl de christelijke religie en als gevolg daarvan de christelijke traditie het begraven der overledenen vordert.

Zelfs staat liet zoo, dat met de verbreiding van het Christendom het heidensch beginsel van het verbranden van lijken verdween.

De lijkverbranding wordt niet verworpen, omdat zij een verhindering zou zijn voor de opstanding der dooden, of dat de opstanding der dooden er ook maar eenigszins minder door mogelijk zou zijn ; dit hebben de martelaren in de eerste eeuwen na Christus' heengaan van de aarde begrepen, toen zij de brandstapels niet vreesden, doch zelfs met blijdschap het leven gaven, om in de eeuwige heerlijkheid binnen te gaan.

In de begrafenis treedt de Christelijke symboliek naar voren, die tot uitdrukking komt in : het lichaam wordt aan de aarde toevertrouwd als een tarwegraan, dat eerst sterft om later veel heerlijker aan het licht te treden en vruchten te dragen ; of zooals de Heere Jezus zeide : ,,Voorwaar, voorwaar zeg Ik u, indien het tarwegraan in de aarde niet valt en sterft, zoo blijft het alleen maar indien het sterft, zoo brengt het veel vrucht voort."

Het lichaam wordt gezaaid in verderfelijkheid, het wordt opgewekt in onverderfelijkheid.

Hoe de Heilige Schrift tegenover de lijkverbranding staat, daarvoor herinnerde nog onlangs De Standaard aan de modernistische actie in de zeventiger jaren der vorige eeuw en hoe toen dr. Kuyper er op wees, dat de Bijbel de lijkverbranding kent, dat Hij haar als straf voor gruwzame misdadigers beveelt en haar als uitzondering noemt, als begraven bezwaarlijk ging of het lijk in gevaar bracht.

Dr. Kuyper sprak van vierderlei stuk der Christelijke belijdenis, die de Christenen tegen de lijkverbranding deden ingaan en dit met groote kracht.

In de eerste plaals het belijden, dat de mensch geschapen is naar Gods beeld, wat den eerbied werkte voor het lichaam des menschen, ook als de dood was ingetreden. In de tweede plaats de overtuiging, dat de dood geen natuurproces is, maar een daad Gods. In de derde plaats, dat de opstanding van den Christus het middelpunt der Openbaring is. En eindelijk in de vierde plaats, omdat het Christendom de afgodische vereering van de dooden tegen stond.

Eerbied voor de dooden, maar geen vereering van de dooden.

Bij vele heidensche volken vindt men de gewoonte de dooden niet te begraven, doch deze te verbranden. Het stoffelijk overschot wordt op een grooten brandstapel verbrand, en de asch bewaard in een urn, zooals de voorstanders van de lijkverbranding ook met de asch van hen doen, die zich laten cremeeren.

Maar zoo leert Gods Woord het niet. Abraham, de vader der geloovigen, legde Sara ter ruste in de spelonk van Machpela, in welke spelonk ook de aartsvaders hun laatste rustplaats vonden. God de Heere zelf heeft het lichaam van Mozes begraven. Bij Israël was het regel, dat de lijken ter aarde werden besteld, alleen de misdadigers zelf of hun lijken werden soms verbrand. Het was voor het Joodsche volk een groote smaad, wanneer iemand een eervolle begrafenis geweigerd werd. De vromen in Oud- en Nieuw-Testament kennen slechts het neerleggen van haar afgestorvenen in het graf. Christus' lichaam is begraven. Steeds heeft men in de Christelijke Kerk daaruit vastgesteld, dat nu voor den Christen het graf, omdat ook Jezus' lichaam daarin gerust heeft, geheiligd is. Over de graven van hen, die in Jezus ontsliepen, straalt het licht van den morgen der Opstanding, ingrijpen in het ontbindingsproces door verbranding is niet toegelaten en is geheel in strijd met hetgeen ons in de Heilige Schrift is geopenbaard.

Begraven was en is  zede die wortelt in het Christelijk geloof. Daarom worde de lijkverbranding als oudheidensche zede met alle kracht tegengegaan. In het ontbindingsproces worde niet gewelddadig ingegrepen, gedachtig aan het Godswoord : ,,Stof zijt gij en tot stof zult gij wederkeeren".

Waarom wij Hervormd blijven

Wanneer men het over kerkelijk besef heeft, kan men weleens van hen die zich daarover geen zorgen maken, de opmerkingen hooren : ,,het zit 'em niet in de kerkmuren", of ,,er zal straks niet gevraagd worden, waar wij gekerkt hebben", enz.

Hiermede meent men dan vaak het probleem opgelost te hebben, doch dit is wel een heel oppervlakkige en goedkoope oplossing. En met oppervlakkige en goedkoope oplossingen moeten wij altijd zeer voorzichtig zijn, vooral wanneer deze verband houden met de openbaring van het lichaam van Christus op aarde, hetgeen de gemeente des Heeren toch is.

Wanneer wij van ieder ijdel woord rekenschap zullen hebben af te leggen, zal dat dan ook niet het geval zijn ten opzichte van de vraag, tot welke Kerkgemeenschap wij behoord hebben ? Vooral wanneer daarmede gepaard gegaan is het verbreken van een ander Kerkverband. En het is zeker geen bewijs van diep geestelijk leven als de uitwendige Kerk ons onverschillig zou laten. Waarbij men er in het beste geval alleen maar op bedacht is zelf gesticht te worden, doch er zich intusschen weinig om bekommert, dat het Huis des Heeren al meer en meer afgebrokkeld wordt, mede door het zich onttrekken aan opbouwend werk in het midden daarvan en door het onthouden van biddende en trouwe meelevende belangstelling.

Waarom blijven - vij Hervormd ?

En dan hebben wij maar één antwoord : omdat naar onze innige overtuiging dit de eenig Schriftuurlijke houding is en in overeenstemming met het voorbeeld der Apostelen en Reformatoren.

Wij, Hervormden van gereformeerd beginsel, worden wel eens voor de vraag gesteld : waarom blijft u nog in de Hervormde Kerk ? Men wijst ons op haar diep verval. — Wie kan het ontkennen ?

Men wijst ons op zooveel, dat in onze Kerk niet in overeenstemming is met Gods geopenbaarden wil. -  Alweer, wie kan het ontkennen ?

Bovenal, men herinnert er ons aan dat op meerdere kansels in onze Hervormde Kerk het Woord Gods niet recht gesneden wordt en dat zoovelen, die een kerkelijk ambt bekleeden, lang niet altijd wandelen volgens de inzettingen des Heeren.

Hoe is het mogelijk, zoo klinkt het ons legen, het nog in zulk een Kerk uit te houden. Is blijven geen ontrouw aan het gereformeerd beginsel en zich afscheiden dure roeping ?

Het is inderdaad, helaas, geen rooskleurig beeld dat de Kerk onzer Vaderen te aanschouwen geeft. Of het bij al die andere Kerkgemeenschappen wèl rooskleurig is, laten wij in het midden. Intusschen willen degenen, die bovenstaande opmerkingen maken, ons voor de keuze stellen : blijven of zich afscheiden.

Doch bij alle waardeering die er kan zijn voor verschillende personen en voor velerlei arbeid, in ander Kerkverband verricht , wanneer wij het woord afscheiding hooren, dan, hoe zou het anders kunnen, dan zien wij de biltere gevolgen daarvan in een onderlinge verscheurdheid van hen, die allen op denzelfden grondslag der belijdenis staan. Nimmer kan zulk een verscheurdheid, welke toch zeker niet strekt tot Gods eer, op grond van Schrift en Belijdenis goedgepraat worden.

Van alle zijden wordt het ons. Hervormden van gereformeerd beginsel, toegeroepen: komt over tol ons. Dat krijgen wij te hooren van de zijde der Chr. Geref. Kerk, Geref. Kerken, Oud-Geref. Gemeente, Gereformeerde Gemeenten, enz. enz.

En de een roept al luider dan de ander : de Kerk des Heeren, de Kerk des Heeren, zijn wij. Terwijl het ook nog voorkomt dat een predikant of voorganger zelfs uit de veelheid der Kerkgemeenschappen geen keus kan doen en op zichzelf gaat staan, om het den volke kond te doen : de Kerk des Heeren, dat ben ik.

Is het niet diep-treurig en God-onteerend ? Wordt de Kerk des Heeren op deze wijze niet tot een belaching ?

Die verscheurde, versplinterde christenheid geeft nu niet bepaald een verheffend beeld te aanschouwen. Ze moest een levende brief van Christus zijn, van Hem, Die gebeden heeft : „Vader, Ik wil, dat ze allen één zijn". Dit gebed voor oogen te houden, behoort ook tot het gereformeerd zijn.

Maar de werkelijkheid ?

Een eindeloozc verdeeldheid, en dit onder hen, die allen iii hun psalmbundel dat ontroerend, schoone vers hebben staan, waarin bezongen wordt hoe goed en hoe liefelijk het is dat broeders van hetzelfde huis als zoodanig ook samenwonen.

In welken bundel ook dat andere psalmvers staat, dat tot slot heeft : „Om vriend en broed'ren spreek ik nu, De vrede zij en blijv' in u. Nooit moet haar nijd of twist verkloeken. Om 's Heeren Huis in u gebouwd, waar onze God Zijn woning houdt, Zal ik het goede voor u zoeken".

Nu komt tot ons, Hervormd Gereformeerden, de ernstige vraag : Mogen wij gehoor geven aan de stemmen die ons toeroepen : komt over tot ons ?

Maar wanneer wij dan zien dat, indien wij daaraan gevolg zouden geven, wij ons mede verantwoordelijk zouden stellen aan de grenzelooze versplinteringen van het lichaam van Christus, dan is er maar één antwoord mogelijk, n.l. een afwijzend. Wat dan het zwaarste is, moet ook het zwaarste wegen. En waar zelfs boven de zaligheid onzer zielen de eere Gods behoort te staan, daar hebben wij ons er wel voor te wachten dat hetgeen God samengevoegd heeft (n.l. de leden van Christus, waarin God verheerlijkt wordt) wij scheiding zouden brengen.

Een leerzaam voorbeeld gaf Calvijn ons. Zooals bekend, was het in Geneve zoover gekomen, dat men Calvijn uit de Kerk en uit de stad Geneve verbannen had. Nog wel met medewerking van zijn mede-predikanten. Wij kunnen het ons begrijpen, dat verschillende geloovigen in Geneve hierdoor zeer ontstemd waren. Deze ontstemming ging zoover, dat men besloot niet meer bij die andere predikanten ter kerk te gaan, doch zich van hen af te scheiden.

Dit nu was Calvijn ter oore gekomen. En wat deed Calvijn ? Gaf hij hieraan zijn goedkeuring ? Integendeel. Hij vermaant hen ernstig en schreef hun, dat het geen punt van ondergeschikt belang is, of er in de kerk scheuringen en secten ontstaan en bevorderd worden. Geen christen, zoo schrijft Calvijn, zou dit zonder afschuw in zijn hart kunnen vernemen. En inplaats van de Kerk den rug toe te keeren, bidt hij dat God die Kerk weer in goeden toestand moge brengen, en terwijl Calvijn zijn volgelingen op het hart drukt zich niet af te scheiden, smeekt hij dat zij vóór alles met den Geest van Christus' zachtmoedigheid mogen vervuld worden, opdat wij ons allen in ware eensgezindheid des gemoeds wijden kunnen aan de komst van Zijn Rijk !

Na verloop van tijd is Calvijn weer naar Geneve teruggekeerd en heeft hij dezelfde Kerk weer gediend, uit welke men hem voordien verdreven had. En toen hij daar terugkeerde, waren er ook nog enkele van diezelfde predikanten, die er eertijds aan medegewerkt hadden dat Calvijn verbannen werd.

Hoe was nu Calvijn's houding tegenover die predikanten ? Heeft hij misschien niet met hen willen samenwerken in eenzelfde Kerkeraad ? Dat heeft hij wel willen doen. En dat niet alleen, maar hij heeft bovendien getracht de verhouding onderling zoo vriendschappelijk mogelijk te doen zijn.

In dit verband schreef hij aan een vriend : „Ik besloot dus, hen in elk opzicht te verdragen, aangezien er geen mogelijkheid was, hen te verwijderen. Ik was mij heel wel bewust, welk een harden dwang ik mij op die manier oplegde. Want men kan er niet mee volstaan, een collega naast zich te hebben ; maar men moet tegelijk ook vrede met hem houden. Ik wist dan ook maar al te goed, dat er geen vrede bestaan kon, als ik dien niet tegen den prijs van groote gematigdheid en verdraagzaamheid afkocht. Ik doe mijn gemoed werkelijk geweld aan, maar door mijn gematigdheid houd ik hun verkeerdheid in toom, dat deze niet openlijk uitbreken kan. Ook zijzelf ontkennen niet, dat ik hen veel vriendelijker behandelde en nóg behandel dan zij hadden durven hopen". (Zie „Calvijn in het licht zijner brieven", door W. de Zwart).

Aldus handelde Calvijn, de groote reformator.

Zouden wij dan on-calvinistisch handelen door ook in dit opzicht zijn voetstappen te drukken en inplaats van ons af te scheiden de eenheid te bewaren ? Daarbij tegelijkertijd trachtend de gereformeerde beginselen in het midden onzer Kerk te verbreiden.

Het was ook Calvijn, die hartgrondig instemde met de uitspraak van Augustinus, dat wij het verkeerde in Gods Kerk zooveel mogelijk moeten trachten te verbeteren en voorzoover dat ons niet gelukt, het aan God overlaten. Doch intusschen het goede voor de Kerk te blijven zoeken.

Waarom wij Hervormd blijven ?

Omdat op grond van Schrift en Belijdenis wij moeten getuigen : „Hier (n.l. op Schrift en Belijdenis) staan wij. Wij kunnen niet anders !"

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 11 april 1940

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's

STAAT EN MAATSCHAPPIJ

Bekijk de hele uitgave van donderdag 11 april 1940

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's