UIT DE HISTORIE
Luthers verklaring van Paulus' Brief aan de Galaten.
De apostel onderwijst Petras, dat de rechtvaardiging alleen geschiedt uit het geloof : niet uit de werken, vers 15—21. (VII)
Hoofdstuk II.
Dat zij verre ! (Slot vers 17).
Het is, als wil Paulus zeggen : Christus is géén dienaar der zonde, doch Hij is Schenker van gerechtigheid en het eeuwige leven.
De apostel scheidt Christus dan ook ver van Mozes, die gerust op aarde mag blijven ; laat deze maar een leeraar der letter zijn, die de Wet afeischt en de zondaren martelt en kwelt. De geloovigen echter, zoo zegt Paulus, hebben in de consciëntie een anderen leermeester, niet Mozes, maar Christus, die de Wet opgeheven heeft, die zonde, toorn en dood heeft overwonnen en weggenomen. Deze Christus beveelt ons, die vermoeid zijn, en zich door allerhande ellende neergedrukt voelen, tot Hem te komen. Nemen wij tot Hem onze toevlucht, dan verdwijnt Mozes en z'n Wet, zoodat men zelfs niet weet waar hij begraven is. Zonde en dood kunnen ons dan niet meer schaden, want Christus, onze leeraar, is een Heer over Wet, zonde en dood. Wie in Hem gelooft, is van al deze vrij.
Het eigenlijke ambt van Christus bestaat dus in het bevrijden van zonde en dood, en deze dingen zijn het, die de apostel voortdurend leert en inscherpt.
Door de Wet worden wij dus veroordeeld en gedood ; door Christus evenwel worden wij gerechtvaardigd en levend gemaakt. De Wet verschrikt, en stoot ons van God af ; Christus daarentegen verzoent ons met God, en maakt, dat wij een toegang hebben tot Hem. Want Hij is het Lam Gods, dat de zonde der wereld wegneemt. Wie dus gelooft in Christus, die bezit Hem, die de zonde der wereld heeft weggenomen. En wanneer de zonde der wereld weggenomen is, dan is zij ook voor mij, die in Hem gelooft, weggenomen. Is dus de zonde weggenomen, dan is dat ook het geval met den toorn, den dood en de verdoemenis. In de plaats der zonde is dan gerechtigheid gekomen ; in plaats van toorn : verzoening en genade ; en in de plaats van dood en verdoemenis : het leven en de eeuwige zaligheid.
Laten wij deze onderscheiding niet alleen leeren belijden met woorden, maar laten wij haar in de praktijk van het leven daadwerkelijk in beoefening brengen. Want waar Christus is, daar moet ook een rustige en opgeruimde consciëntie zijn, wijl Hij onze verzoening is, alsmede onze gerechtigheid, onze vrede, ons leven en onze zaligheid. En alles, wat een verslagen gemoed zoekt, vindt het overvloedig in Christus.
Paulus breidt zijn betoog nog uit door krachtig te betuigen :
Want indien ik, hetgeen ik afgebroken heb, dat wederom opbouw, zoo stel ik mijzelven tot een overtreder, vers 18.
Het is, als wil Paulus zeggen: ik heb niet zóó gepredikt, dat ik hetgeen ik eerst omvergeworpen heb, later weer heb moeten opbouwen. Want wanneer ik zoo handelde, dan zou ik niet alleen tevergeefs arbeiden, maar ook zou ik mezelf tot een overtreder maken, en alles onderstboven keeren, gelijk de valsche apostelen doen. Ik zou dan uit de genade en Christus weer een Wet en een Mozes maken, en omgekeerd.
Door mijn Evangelie heb ik, zoo gaat Paulus voort, zonde, droefheid, toorn en dood afgebroken. Want steeds heb ik aldus geleerd : uw consciëntie, o mensch, is der Wet, der zonde en den dood onderworpen, en door geen hulp van mensch of engel kunt ge hiervan bevrijd worden. Nu komt echter het Evangelie, dat u vergeving van zonden verkondigt door Christus, die de Wet te niet gedaan, en zonde en dood onschadelijk gemaakt heeft. Gelooft in Hem ; dan zult ge vrij zijn van den vloek der Wet, en van de tirannie der zonde en des doods. Gelooft ge in Hem, dan zult ge gerechtvaardigd worden, en het eeuwige leven erlangen.
Zoo heb ik, aldus vervolgt de apostel, door de prediking van het Evangelie de Wet te niet gedaan, opdat zij niet langer in de consciëntie heerschappij zou kunnen voeren. Want wanneer de nieuwe Gastheer Christus in het nieuwe huis komt, om daarin alleen te wonen, dan moet de oude bewoner, Mozes, wijken, en naar elders verhuizen. Waar Christus de nieuwe Gastheer is, daar moet de Wet, de zonde, de toorn en de dood niet meer zetelen. Daar wordt louter genade, gerechtigheid, vreugde, en leven gevonden, benevens kinderlijk vertrouwen in een verzoenden, goedgunstigen en genadigen Vader, om Christus wil. Zou ik dan Christus uitdrijven, en Zijn Rijk verstoren, dat ik door het Evangelie geplant heb ? En zou ik wederom de Wet in eere herstellen, en Mozes' rijk weer oprichten ? Zulks toch zou het geval zijn, wanneer ik, evenals de valsche apostelen, leerde, dat de besnijdenis en het houden der Wet noodzakelijk is voor de zaligheid. Op deze manier zou ik in plaats van de gerechtigheid en het leven, wederom de zonde en den dood invoeren. Want de Wet toont alleen maar de zonde ; zij verwekt slechts toorn, en leidt tot den dood.
Neem de papisten.
Wat zijn ze anders, zelfs al zijn ze op z'n best, dan verstoorders van het Rijk van Christus en bouwmeesters van het rijk van Satan ? Zij verstoren de Kerk, welke Gods bouwwerk is : niet door middel van de Wet van Mozes, gelijk de valsche apostelen, maar door menscheninzettingen en leeringen des duivels.
Wij echter, die door Gods genade het stuk van de rechtvaardigmaking stevig vasthouden — wij weten ten stelligste, dat wij alleen door het geloof in Christus gerechtvaardigd worden. Daarom vermengen wij de Wet niet met de genade ; het geloof niet met de werken ; wij houden beide integendeel goed uit elkaar.
Op het onderscheid tusschen Wet en genade zal een iegelijk, die zich benaarstigt in de leer der Godzaligheid, nauwlettend acht geven, zoodat men, als er gezegd wordt, dat men goede werken moet doen, en Christus' voorbeeld behoort na te volgen, juist oordeelen en antwoorden kan : goed, ik wil deze dingen gaarne doen, maar wat volgt hier uit ? Dat ik daardoor zalig word ? Geenszins ! Weliswaar geef ik toe, dat men goede werken moet doen, zwarigheden verdragen, en mijn bloed voor anderen vergieten moet, wanneer de zaak dat om Christus' wil eischt. Maar daardoor word ik niet gerechtvaardigd, en evenmin verkrijg ik daardoor de zaligheid.
De goede werken moet men dan ook niet betrekken in het stuk der rechtvaardigmaking, gelijk de monniken gedaan hebben, toen ze zeiden, dat niet alleen de goede werken verdienstelijk zijn met opzicht tot het eeuwige leven, maar ook beweerden, dat de straffen en kastijdingen van misdadigers, wegens hun wandaden voltrokken, verdienende waarde hebben. Wanneer dergelijke lieden de doodstraf ondergingen, troostte men hen door te zeggen : ondergaat dezen smadelijken dood maar gewillig ; want doet ge dat, dan zult ge vergeving van zonden en het eeuwige leven verdienen.
Het is verschrikkelijk, dat men dieven, moordenaars en roovers in hun uiterste zóó verleid heeft, dat men hun niets zeide over het Evangelie van Christus, dat in die omstandigheden alleen troosten en zalig maken kan, en dat men dergelijke lieden bevolen heeft, te hopen op genade en vergeving van zonden, wanneer zij den smadelijken dood willig ondergaan, welke wegens hun misdaden over hen komt.
De huichelaars toonen hierdoor genoegzaam, dat zij geen letter van de genade en het Evangelie van Christus geleerd of begrepen hebben. Slechts in schijn hebben zij iets van het Evangelie en van Christus behouden, ten einde daardoor des te gemakkelijker de harten van eenvoudige zielen te kunnen bedriegen. Metterdaad verloochenen zij echter Christus ; zij treden Hem met voeten, en kennen aan menschelijke inzettingen meer waarde toe dan aan het Evangelie van Christus.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 11 april 1940
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 11 april 1940
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's