Is elke oorlog uit den booze ?
Het woord „oorlog" heeft al een verschrikkelijken klank, voor ieder, die het hoort uitspreken. In de Nederlandsche, Fransche, Duitsche en Engelsche talen hebben we dergelijke woorden, die reeds door hun klank ontzag inboezemen.
Maar de werkelijkheid gaat oneindig ver uit boven het onaangename, wat er ligt in den klank van het woord. Als we door de radio hooren, dat er schepen worden getorpedeerd, dat er kruisers in weinige minuten in de diepte wegzinken, dat er transportschepen in den grond worden geboord, dat visschers de lijken van de soldaten aan de Zweedsche kust opvisschen, dat vliegtuigen dood en verderf onder de burgerlijke bevolking verspreiden, dat duizenden vrouwen en kinderen en weerLooze burgers het slachtoffer van den oorlog worden, dat de slagvelden worden gekleurd door het bloed der jonge mannen — dan is het te begrijpen, dat de vraag opklimt, of dit alles bij den Heere gewild is.
Ik kan het mij indenken, dat iemand, met al die gruwelen en verschrikkingen voor oogen, het uitroept : Neen, de oorlog kan Gods werk nimmer wezen. Alle oorlog is uit den booze. Elke krijg is duivelswerk.
Misschien hebt ge wel eens een nummer van „Kerk en Vrede" onder de oogen gehad. Zoo ja, dan zult ge daarin telkens de stelling hooren verkondigen, dat oorlog een schrikkelijke zonde is. Het zijn predikanten, die dit schrijven. Ze zeggen, dat ze de Bergrede van den Heere Jezus onder hunne voeten hebben en ze beroepen zich zelfs op de Wet Gods, dat er staat geschreven : Gij zult niet dooden.
We kunnen inderdaad die bezwaren zoo maar niet naast ons neerleggen. We hebben stellig ons oor te luisteren te leggen naar hetgeen er van dien kant wordt geponeerd.
Men zou kunnen beginnen met op te merken, dat de oorlogen onvermijdelijk zijn. De heerlijke harmonie, die er in den hof van Eden in den staat der rechtheid heerschte, is er niet meer. We zien, dat de weg van den val des menschen tot den doodslag betrekkelijk een zeer korte is. Kaïn doodt zijn broeder Abel. Kaïn is de eerste moordenaar. Abel is de eerste, die zieltogend op de aarde neerligt. Maar daarbij blijft het niet. Hoe meer de menschheid zich uitbreidt, des te schrikkelijker wordt de openbaring der ongerechtigheid. Na den torenbouw van Babel heeft er een geweldige uiteenscheuring van de menschheid plaats gegrepen. De ééne menschheid viel uiteen in vele volkeren, die door taalgrenzen van elkander werden gescheiden. Door verschil in aanleg en karakter en tengevolge van de klimatologische verschillen van de landen, die ze bewoonden, werden de contrasten tusschen de volkeren hoe langer hoe scherper.
Wat zich openbaarde in het leven van de enkelingen, dat zien we ook in het groot tot openbaring komen onder de volkeren. Haat, nijd en afgunst spelen een ontzettende rol in het leven van de volkeren. Alle eeuwen door heeft het nimmer aan menschen ontbroken, die naar de macht hebben gegrepen. We denken aan Alexander den Groote, aan de Romeinsche keizers, aan Napoleon, om van de machthebbers van deze eeuw nu maar te zwijgen. En die machthebbers hebben weinig of niets gerekend met het bloed van de enkelingen, dat er moest vloeien, om het beoogde doel te bereiken, n.l. om den wereldveroveraar te brengen tot hooger heerlijkheid.
„Goed" — zoo zal men zeggen — „wij stemmen toe, dat de oorlogen maar niet zijn van vandaag of gisteren. De geschiedenis van de eeuwen, die zijn voorbijgevlogen, is vol van oorlogen".
Maar nu gaan we den blik naar de toekomst richten. Moet dat in de toekomst zoo blijven ? Zal dan het zwaard nimmer in de schede rusten ? Komt er dan nu nooit een einde aan den gruwel der verwoesting ?
Er zijn er, die hopen, dat de tijd nabij is, waarin de zwaarden zullen worden geslagen tot spaden, en de spiezen tot sikkelen. Ze zien reeds gloren het heerlijke licht van dien dag, waarin men op de aarde zal ophouden om elkander leed en jammer aan te doen.
Wij voor ons, gelooven het echter niet.
De Bijbel spreekt ons van drie verschrikkelijke geeselen: oorlog, honger en pestilentie. Als de Heiland eens den blik richtte naar de bange toekomst, heeft Hij deze geeselen pertinent aangekondigd en bevestigd, dat alle deze dingen moeten geschieden en dat het einde nog niet gekomen is.
De oorlogen zouden naar des Heilands woord niet ophouden. Ze zullen ook niet in kracht afnemen. Lees maar eens wat er in het 9de hoofdstuk van de Openbaring van Johannes van wordt gezegd. In hoofdstuk 9 vers 15 lezen we : En de vier Engelen zijn ontbonden geworden, welke bereid waren tegen de ure en dag en maand en jaar, opdat zij het derde deel der menschen zouden dooden.
Een oogenblik zou men kunnen denken, dat de engelen zelf de slachting onder de menschen zouden aanrichten. Maar lees nu eens, wat er in het 16de vers staat geschreven. Daar lezen we : En het getal van de heirlegers der muiterij was tweemaal tienduizenden der tienduizenden, en ik hoorde hun getal. En ik zag alzoo de paarden in dit gezicht en die daarop zaten, hebbende vurige en hemelsblauwe sulfervervige borstwapenen; en de hoofden van de paarden waren als hoofden van leeuwen en uit hunne monden ging uit vuur en rook en sulfer.
Indien we ons niet vergissen, dan is er toch hier sprake van heirlegers, die dien moord onder de volkeren zullen volbrengen.
Het zijn wel aangrijpende cijfers, die worden vermeld. Als we het goed zien, dan is hier sprake van tweehonderd millioen.
Als we echter op 't oogenblik de cijfers van de legerscharen van de volkeren der aarde zouden optellen, kwamen we stellig tot het totaal van tweehonderd millioen.
Hoe het precies gaan zal, wie zal het zeggen. Maar al wat we er van lezen, wijst er op, dat het ontzettend zal wezen. We lezen van vuur en rook en sulfer. Men kon in de oudheid bij het lezen van deze woorden denken aan overdrachtelijke beeldspraak, maar dat behoeft thans niet meer. Vuur, rook en sulfer zijn het juist, die een hoofdrol in den modernen krijg schijnen te spelen. Als we het oog richten op de millioenen soldaten, die de menschheid op de been brengt en als we acht geven op de moderne oorlogsverschrikkingen, dan zouden we durven zeggen, dat het üjkt, dat de profetische teekening van de verschrikkingen van de toekomst de werkelijkheid hoe langer hoe meer nabij komt.
Nu is het echter mogelijk, dat men bij het lezen van het bovenstaande bij zichzelf zegt : Welnu, oorlogen zijn er altijd geweest en het is misschien best mogelijk, dat er altijd oorlogen zullen blijven tot aan de voleinding der eeuwen. Maar dat neemt niet weg, dat oorlog zonde is en zonde blijft en dat een Christen nooit de wapens tegen een ander mag opnemen om hem te dooden. „Oorlog is doodslag" — zegt men.
Daar sla ik den Bijbel op en lees in het Oude Testament van de oorlogen des Heeren. Ja, ik lees zelfs, dat de Heilige Israels aan Zijn volk beveelt om Kanaan binnen te trekken en de volkeren des lands uit te roeien. Ja, nog erger, ik lees, dat de Heere de legerscharen van de Assyriërs en de Chaldeën oproept om Israël te slaan en het weg te voeren in de ballingschap.
En hoevele malen lees ik niet in den Bijbel, dat de Heere Zijn volk overgeeft in de handen van de vijanden. Denk maar eens aan den tijd der Richteren.
En dan sla ik daarnaast de Vaderlandsche geschiedenis op en daar lees ik van den 80jarigen oorlog, die ons door onze leermeesters steeds is voorgesteld als een oorlog, die door den Heere is gewild en waaraan God Zijn zegen heeft verbonden.
We zouden het oorlogen des Heeren kunnen noemen.
„Hoe nu ? ", zegt ge. De een zegt : de oorlog is zonde, en de ander noemt de oorlogen, oorlogen des Heeren.
(Wordt vervolgd.)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 18 april 1940
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 18 april 1940
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's