KERKELIJKE RONDSCHOUW
NAAR UTRECHT--OM RECHT EN WAARHEID (1)--DE NOODZAKELIJKHEID VAN EEN CHRISTELIJK LEVEN (14)--DE BIJBEL OP DE OPENBARE SCHOOL
NAAR UTRECHT
Het is wel onder zeer bijzondere omstandigheden, dat onze Bondsvergadering staat gehouden te worden. De internationale toestand is erg gespannen en daardoor is het ook voor ons Vaderland benauwend. Wat zal de dag van morgen brengen ?
De Heere beware ons land en volk genadiglijk voor den oorlogsbrand en Hij wende Zijn hand ten goede te midden van den nood der wereld !
Toch maken we ons gereed om naar Utrecht te gaan, omdat, gelijk het gewone leven ons telkens roept om de gewone dingen te doen, ook ons Bondsleven z'n gewonen gang gaat en de jaarvergadering ons nu weer saam roept in Utrecht, zooals we dat nu meer dan 30 jaar mochten meemaken, al zal ook hier het ongewone niet ontbreken ditmaal. De Heere make alle dingen wèl. En omdat het, bij al onze actie en al ons werk steeds gaat om het heil der Kerk, met name van onze Nederlandsche Hervormde Kerk, geve de Heere, dat ook nu ons samenzijn mee mag werken tot vermeerdering van onze liefde en vanl onzen ijver voor het Huis des Heeren, zooals de Heere dat in dezen lande een plaats gaf, maar dat veelszins zwaar geteisterd is en verarmd, door gebrek aan geloof en liefde bij degenen, die tot het huisgezin des Heeren behooren. Zegene de Heere ons allen en stelle Hij ons nog tot een zegen — om Zijns Naams wil !
OM RECHT EN WAARHEID (1)
16 April 1914 waren ongeveer 2000 afgevaardigden van 900 Kerkeraden bijeen in de Groote Kerk te 's-Gravenhage. De uitnoodiging daartoe was uitgegaan van de Algemeene Synode (President ds. H. A. Leenmans, vice- President dr. G. J. Weyland, Secretaris ds. J. Knottenbelt en vice-Secretaris ds. L. W. Bakhuizen van den Brink) om samen te spreken over kerkelijke aangelegenheden, bijzonder wat betreft de Confessioneele grondslag der Hervormde Kerk, zooals dat o.a. uitkomt in de proponentsformule, de belijdenis vragen, enz. Saam werd gezongen Psalm 65 vers 1 en 2 en gelezen werd Johannes 17, het „Hoogepriesterlijk gebed".
De uitnoodiging was gedaan — aldus de President —naar aanleiding van de ontevredenheid, die in onze Kerk is met den gang van zaken, welke zich openbaarde in tal van voorstellen, waarmede Kerkeraden, Classicale Vergaderingen en Vereenigingen tot de Synode kwamen". De Voorzitter herinnerde er aan, dat we geen oogenblik mochten vergeten dat de 2000 aanwezigen, allen predikanten en ouderlingen, voorgangers en mede-opzieners zijn in eene Kerk, die gebouwd is op het fundament der Apostelen en Profeten, waarvan Jezus Christus is de uiterste hoeksteen. De wensch werd uitgesproken, dat de vergadering onder de leiding des Heiligen Geestes mocht meewerken tot bevordering van het waarachtig heil der ons allen dierbare Kerk en alzoo tot heil van ons volk en tot verheerlijking van Gods heiligen Naam.
Zes predikanten hadden zich bereid verklaard ieder 20 minuten te spreken, en wel : dr. C. J. Niemeyer te Bolsward, dr. J. J. Bleeker te Dronrijp, ds. P. de Buck te Leeuwarden, ds. Jac. Eringa te Woerden, ds. M. van Grieken te Delft en ds. A. J. A. Vermeer te 's-Gravenhage.
Wij laten hier het woord, door ons gesproken, volgen, om nog eens te zien hoe 25-jaar terug door ons deze zaak in de Groote Vergadering te Den Haag is aangesneden en behandeld. 1914 kan hier naast 1940 gezet worden.
„Om recht en waarheid"
was door ons tot opschrift en thema gekozen. En we spraken aldus :
1. „In héél de geschiedenis is er geen machtiger feit dan dat der opstanding van onzen Heere Jezus Christus, Sions Borg en Middelaar, het Hoofd der Kerk. Toen is Hij krachtiglijk bewezen de Zoon van God te zijn. En Zijne opstanding uit den dood is van de grootste beteekenis geworden voor het leven der wereld.
Want zonder Zijn opstanding uit het graf zou er geen opstanding uit den geestelijken dood voor ons zijn. Dan zou er maar één strooming des geestes gaan door de menschheid ; een strooming der zonde en der ongerechtigheid ; een strooming van den onheiligen geest der wereld, van vijandschap tegen God.
Maar als vrucht van de opstanding van Christus is er nu óok een strooming, die uit de Hoogte is, van geloof en Godsvrucht, een zoeken van God en van de dingen, die boven zijn.
Gelijk in de schepping van Adam het leven was gegeven voor héél het menschelijk geslacht en in zijn val de dood voor alle menschen, zoó is in het feit der opstanding van Christus de wedergeboorte van gansch Zijn gemeente. En gelijk haar opstanding uit den geestelijken dood is door den levendmakenden Geest, dien Christus ons verworven heeft, zoo is haar leven te midden van een krom en verdraaid geslacht, dat de waarheid niet kent, de leugen bemint en den dood liefheeft.
Dat doet de Kerk van Christus getuigen van haar Zaligmaker en Koning. Met Petrus roept zij uit : „Geloofd zij de God en Vader van onzen Heere Jezus Christus, die naar Zijne groote barmhartigheid ons heeft wedergeboren tot een levende hope, door de opstanding van Jezus Christus uit de dooden" (1 Petrus 1 vers 3). Wat tegelijk haar den nood oplegt, om de Waarheid Gods te verdedigen tegenover de leugen, die uit den duivel, den vader der leugen, is. Wanneer de Kerk van Christus niet meer roemt in haren God, niet meer spreekt naar het Woord, niet meer leeft uit Christus, haar Heiland en Heere — wanneer zij niet meer getuigt van haren Christus en niet meer staat tegenover de listige omleidingen des boozen, gekleed in den geestelijken wapenrok en dragende het zwaard des Geestes, d.i. Gods Woord, dan is de Kerk des Heeren de Kerk niet meer, die door God getrokken is uit de duisternis en overgezet in Zijn wonderbaar licht; om te verkondigen Zijne deugden.
Denkt u Maria Magdalena, Thomas, Johannes, Petrus, Paulus, zonder belijdenis van hun geloof en hun verwachting — dat kunt gij niet ! „Rabbouni", „mijn Heere en mijn God", „Hij is onze Vrede", „Hij is onze gerechtigheid" — 't vloeit van de lippen, het welt óp uit het harte, dat gelooft.
,,Gij zijt de Christus, de Zoon des levenden Gods, hebbende de woorden des eeuwigen levens" — springt als levende geloofstaal uit de levende ziel omhoog. En Paulus jubelt het uit : „wie is het, die verdoemt ? — Christus is het, die gestorven is, ja, wat meer is, die ook opgewekt is, die ook ter rechterhand Gods zit, die ook voor ons bidt".
Terwijl Johannes, de apostel der liefde, getuigt : „Gelooft niet een iegelijken geest, maar beproeft de geesten of zij uit God zijn — en alle geest, die niet belijdt, dat Jezus Christus in het vleesch gekomen is, die is uit God niet, maar dat is de geest van den anti-Christ, welken geest gij gehoord hebt, dat komen zal en is nu alreede in de wereld" (1 Joh. 4 : 1 en 3).
De Christelijke Kerk moet belijdend optreden in het midden der wereld ; en in die belijdenis moet zij naspreken Gods Woord, omdat haar leven uit God is ; in die belijdenis moet zij roemen den Christus der Schriften, overgeleverd om onze zonden en opgewekt om onze rechtvaardigmaking ; in die belijdenis moet zij positie innemen tegen alle leer, die niet uit God is, niet naar Gods Woord, niet van Christus.
Doet zij dat niet, dan houdt zij op Kerk te zijn ! Dat heeft de Christelijke Kerk ook gevoeld van den beginne afaan, dat zij te wandelen heeft door den Geest naar Gods Woord; dat zij de Heilige Schrift heeft op te heffen als uitdrukking van haar geloof en dit haar geloof uit te spreken in haar eigen belijdenis.
En geen openbaring van Christus' Kerk is denkbaar, 't zij in Amerika, in Engeland, in Duitschland of in Nederland, welke niet belijdend moet optreden in het midden van een booze wereld, dragende het licht op den kandelaar, zijnde van God gemaakt tot een stad op een berg.
Geen Kerk zonder belijdenis !
2. Dat deel van Christus' Kerk, dat in de dagen der Reformatie hier in ons Vaderland tot openbaring kwam en dat zich in deze landen nog steeds als Gereformeerde Kerk openbaart, heeft van den beginne gevoeld, dat gelooven en belijden bij elkaar hoort. Zij verstond het woord van Paulus : „met het hart gelooft men ter rechtvaardigheid en met den mond belijdt men ter zaligheid". (Rom. 10 vers 10). En in haar Geloofsbelijdenis — de Nederlandsche Geloofsbelijdenis — sprak zij uit : „Wij gelooven allen met het hart en belijden met den mond" — vervolgens stuk voor stuk in de drie Formulieren van Eenigheid uiteenzettend wat zij als Kerk van Christus te belijden had in het midden der wereld, en wat allen, die zich bij haar voegden of in haar midden leefden, van harte hadden aan te nemen.
Dat moest zij doen : om haren God te loven, om haren Koning te eeren ; om de waarheid naar de Schriften uiteen te zetten en te verdedigen ; om de zielen, haar toebetrouwd, te leiden ; om de leugenaars naar Gods bevel te bestrijden ; om de geesten van den anti- Christ te oordeelen en tegen te staan, zoekende het welzijn van Gods gemeente.
En dat zou zij meer, beter, duidelijker, krachtiger, heerlijker gedaan hebben, indien de leugenleer geen misbruik van aardsche macht gemaakt had, om haar te verhinderen na 1619 in Synode te vergaderen, gelijk dat hoort bij het wezen van de Kerk. Dat is onze Nederlandsche Hervormde of Gereformeerde Kerk, door God zoo wonderlijk in dezen lande uit Rome's diensthuis bevrijd, zéér tot schade geworden ; dat heeft haar in haar belijden belemmerd ; dat heeft veelszins aan de leugenleer triumfen bereid — wat allerminst tegen haar mag worden uitgespeeld door hen, die uit een zelfde beginsel leven als de ongereformeerde overheden van de vorige eeuwen.
In hare belijdenisschriften, in heel de liturgie, niet het minst bij de sacramentsbediening en bevestiging van Dienaren des Woords, Ouderlingen en Diakenen, kwam onze Nederlandsche Hervormde of Gereformeerde Kerk als Kerk van Christus in dezen lande — innig verbonden met de buitenlandsche Kerken van dezelfde confessie — uit, niets anders wetende dan Jezus Christus en dien gekruisigd, belijdende den Naam van Hem, die onze eenige en algenoegzame Zaligmaker is ; niets anders begeerende, dan te roemen in Gods vrije genade als oorsprong des heils. Daarbij behoefde niemand twijfelachtig te vragen : wat gelooft en belijdt in Nederland de Kerk van Christus, die door God uit Rome's diensthuis is uitgeleid ?
Want de beginselen waren duidelijk kenbaar, de waarheid was helder uiteengezet, en tegenover alle leugen- en dwaalleer was ernstig en kloek, klaar en duidelijk stelling genomen.
De proponenten hadden niet te vragen: wat is nu eigenlijk de belijdenis der Gereformeerde Kerk in Nederland ? Evenmin degenen, die, na het onderwijs der Kerk ontvangen te hebben, belijdenis van hun geloof wenschten af te leggen en toegang vraagden tot des Heeren Heilig Avondmaal !
De Gereformeerde Kerk van Nederland had in de Drie Formulieren van Eenigheid : Nederlandsche Geloofsbelijdenis in 37 Artikelen. Heidelbergsche Catechismus, in 52 Zondagsafdeelingen en Vijf Leerregels van Dordt tegen de Remonstranten, haar kerkelijke belijdenisschriften, voor vriend en vijand duidelijk en klaar om te verstaan !
Geen Kerk zonder belijdenis !
En de Nederlandsche Hervormde of Gereformeerde Kerk heeft dan ook altijd haar belijdenis gehad, om door Gods genade te mogen staan als een pilaar en vastigheid der waarheid in het midden van ons volk !
3. Geen Kerk zonder belijdenis !
De Nederlandsche Hervormde of Gereformeerde Kerk heeft van den beginne afaan haar eigen belijdenis gehad — en dat is in 1816 in beginsel niet veranderd ! Dat is onze derde stelling.
7 Jan. 1816 is aan onze Hervormde of Gereformeerde Kerk door een vriendelijke Oranjehand wederrechtelijk de Dordtsche Kerkorde — haar eigen orde van kerkelijk samenleven — ontnomen en haar is toen wederrechtelijk een Algemeen Reglement voor het Bestuur gegeven : de Synodale Besturenorganisatie door de Overheid dwingend opgelegd !
Maar — kwam er een nieuwe Kerkvorm (wat heel erg is !), de Kerkleer, de kerkelijke belijdenis, bleef dezelfde, gelijk in de redevoering van Z.Exc. den Commissaris-Generaal deftig en plechtig werd verzekerd, in het rapport van prof. Royaards nog eens uitvoerig en duidelijk werd uiteengezet, en ook in Artikel 9 van het Algemeen Reglement met ronde woorden statutair werd omschreven, welk artikel is gebleven tot op den huldigen dag (Artikel 11).
Men behoefde — zoo werd van alle kant deftig en plechtig verzekerd ! — geen oogenblik bevreesd te zijn voor verandering van de leer der Hervormde Kerk, die, overeenkomstig Gods heilig Woord, in de Formulieren van Eenigheid begrepen was en in de liturgische formulieren tot uiting kwam, want elke proponent moest bij zijn examen verklaren die leer van harte aan te nemen en getrouwelijk te zullen verkondigen. Vóór zijn bevestiging moest hij dan nog eens verklaren dit goed begrepen en goed verstaan te hebben, en daarin (sedert zijn proponentsexamen) niet van inzicht te zijn veranderd. Terwijl prof. Royaards (men leze de Acta er maar op na !), onder instemming van de Synode, verzekerde, dat er gezorgd zou worden voor „een wijs, voorzichtig en aan de ware Hervormde leer verkleefd Kerkbestuur".
Men moet de woorden van den Commissaris-Generaal, de woorden van prof. Royaards (16 Juli 1816), de Synodale Resolutie omtrent de kerkelijke approbatie van geschriften van 23 Juli 1816, het Reglement op het examen (Art. 28 en 35), het Reglement op het Godsdienstig onderwijs (Art. 22 en 43), het Reglement op de Kerkvisitatie en Art. 9 van het Algemeen Reglement op het Bestuur nog maar eens nalezen, en men staat verwonderd over het feit, dat er menschen zijn, die durven beweren, dat in 1816 de belijdenis afgeschaft is en de Hervormde Kerk in Nederland is ingericht op het samenwonen van de meest verschillende richtingen.
Daar is geen woord van waar!
Ook de Nederlandsche Hervormde Kerk van na 1816 is een belijdende Kerk, met een eigen Kerkelijke Confessie, al is er in dat jaar wederrechtelijk nóg zooveel aan en in die Kerk veranderd !
(Wordt voortgezet.)
DE NOODZAKELIJKHEID VAN EEN CHRISTELIJK LEVEN (14)
De zinnelijke lusten moeten beteugeld worden.
Calvijn is geen voorstander van „raak niet, smaak niet en roer niet aan". Hij wil, dat men van de weldaden Gods geniet. We mógen van den mensch geen „gevoelloos stuk hout" maken. We moeten niet komen met een „onmenschelijke filosofie", zegt de groote hervormer.
Maar niet minder — zoo gaat hij nu verder — moeten wij aan den anderen kant de zinnelijke lusten bestrijden, die alle betamelijkheid te buiten gaan, zoo zij niet onderdrukt worden. Onder den naam van „geoorloofde vrijheid" wil men soms alles geoorloofd noemen! Maar de lusten van ons vleesch moeten gebreideld worden door de overweging, dat ons alles geschonken is, opdat wij daarin den Gever erkennen en Zijn goedheid zouden prijzen met dankzegging. En waar is de dankzegging Gods, als gij overdadig eet en drinkt en daardoor voor uw godsdienst ongeschikt wordt en tot allerlei uitspattingen komt en de geest tot onreinheid wordt getrokken en we de grenzen van recht en eerbaarheid overschrijden ? Waar is de lofprijzing des Heeren als we ons sierlijk kleeden tot ijdelheid en anderen daarmee de oogen willen uitsteken ? Of als we door onze kleederdracht onkuischheid opwekken en ons in ijdelheid verliezen ?
De kleur van goud en zilver en de geur van overdadige spijze zijn velen tot oorzaak, dat zij in de geestelijke dingen geen smaak hebben. En zoo gaat het helaas ! met vele dingen, indien we niet waken en bidden en onze zinnelijke lusten niet beteugelen. „Verzorgt het lichaam niet tot begeerlijkheden" (Rom. 3 vers 14) zegt Paulus. Als wij het lichaam te veel toegeven, gaat het de grenzen der betamelijkheid te buiten.
Geen beter middel is hier, dan veel te denken aan de nietigheid van het aardsche leven en aan de hemelsche heerlijkheid. Voor weelde en overdaad moeten wij ons wachten. We moeten deze wereld gebruiken, als niet misbruikende, koopen als niet bezittende, voor overdaad in spijs en drank en kleeding en woning ons wachten on ook moeten we strijden tegen alle bezorgdheid, die ons kan afleiden van de geestelijke dingen, om te zoeken de dingen die boven zijn, waar Christus is, verwachtende Zijne toekomst in heerlijkheid.
De Christelijke wandel is in uitwendige dingen dus niet aan bepaalde verordeningen gebonden, maar — zoo zegt Calvijn — volgt den regel, om tegen alles wat ons aftrekt van God en het geestelijk leveUj zooveel mogelijk te waken en te strijden, omdat het ons nooit voordeel kan brengen, maar wel groote schade kan berokkenen en het is Gods Naam niet tot eer, wanneer wij opgaan in de vergankelijke dingen. Blij te genieten met een dankbaar hart van Gods weldaden, strekt Hem tot lof en is ons tot zegen.
Alle overtollige praal moeten we afleggen, alle vleeschelijke lusten beteugelen, en zorgvuldig er tegen waken, dat het genieten van dit leven geen schade toebrengt aan het toekomstig heil.
Dat is één regel.
En een tweede regel is deze, dat wij, wanneer we in nooddruftige en bekrompen omstandigheden verkeeren, geduldig moeten leeren ontberen en ons niet moeten kwellen om het bezit van aardsche goederen.
Dankbaar en blij bij voorspoed, stil en geduldig bij tegenspoed, en in alles een goed vertrouwen op onzen getrouwen God en Vader, die in den hemel is ! Wie dit verstaan en beleven mag, is een goed leerling van Jezus Christus, die in de school van Zijn onderwijzing geleerd heeft wat tot Gods eer en tot onze zaligheid strekt.
Want behalve, dat de zucht naar aardsche rijkdom meestal met een menigte andere ondeugden gepaard gaat, vervallen zij, die voor gebrek beducht zijn, als zij rijk worden, op even gevaarlijke klippen. Wie zich niet op zijn gemak gevoelt in een lagen staat, zal moeite hebben om niet ijdel te worden, als hij in eer en aanzien geraakt. We moeten daarom met den Apostel leeren : verzadigd te zijn en honger te lijden, overvloed te hebben en gebrek te lijden — en dan te verstaan wat de apostel Paulus verder zegt : dankt God in alles !
Een derde regel leert de Schrift ons nog ; want zij leert ons, dat alle aardsche gaven ons door Gods genade gegeven en tot ons gebruik bestemd zijn, opdat wij ze zouden beschouwen als een toevertrouwd pand, waarvan wij eenmaal rekenschap zullen moeten afleggen (Lukas 16 vers 2). En dezelfde God, die ingetogenheid, matigheid, soberheid evenzeer heeft aanbevolen, als Hij praalzucht, pronkerij, ijdelheid, overdaad en onmatigheid afkeurt, zal onze Rechter zijn ! Dezelfde, die over alle genot, dat de reinheid en heiligheid van onze ziel kan benadeelen en onzen geest schaden, in Zijn Woord ons Zijn oordeel bekend maakt, zal dat in den grooten dag der dagen voltrekken.
God wil, dat we bij alles, wat we hier doen, onze ware roeping in 't oog zullen houden en omdat Hij weet hoe lichtelijk we afwijken en dwalen, heeft Hij ons onze leefwijze, onze beroepsplichten bekend gemaakt, opdat we als kinderen des lichts ook in het kleine zullen zoeken getrouw te zijn. We moeten — zoo zegt Calvijn — niet als dwazen en onbezonnenen alles onderstboven keeren en we moeten niet onbedachtzaam onzen weg gaan, in allerlei levenswijze vermaak scheppend, maar in getrouwheid op onzen post staan en blijven. Dat zal door den Heere worden beoordeeld naar Zijn Wet en Woord, en de eenvoudigen, zoo goed als de rijken, zullen in het gericht gesteld worden. Voor allen geldt het woord : „Geef rekenschap van uw rentmeesterschap" (Lukas 16 vers 2).
Geen werk, zoo onbeduidend en gering, of het zal bij God zijn glans hebben en voor Hem zeer kostbaar zijn, indien het mag worden verricht in liefde tot God en in liefde tot den naaste !
En het is een rijke bron van troost, dat God onder alle omstandigheden onze Leidsman wil zijn.
Wie Mij eeren, zal Ik eeren, spreekt de Heere, maar die Mij verachten, zullen licht geacht worden.
DE BIJBEL OP DE OPENBARE SCHOOL
In een hoofdartikel in „De Telegraaf" — aldus lezen we in Algemeen Weekblad voor Kerk en Christendom — wordt door dr. Vos, oud-wethouder van Onderwijs te Amsterdam, een pleidooi gevoerd voor bijbel-onderricht op de Openbare School.
Bijbel-onderricht, naast 't aankweeken van een sterker nationaal besef èn het invoeren van een beperkt ambulantisme, worden door hem gesteld als „drie onderwijs-desiderata", die om vervulling vragen.
Dr. Vos schrijft dan in verband met het bijbel-onderricht : „Merkwaardigerwijs, maar tegelijkertijd gelukkig, is er één verandering, die ter linkerzijde practisch algemeen wordt voorgestaan, t. w. het aanbrengen van een godsdienstige basis. De school moet voortbouwen op de Christelijke grondslagen van het volksleven. Vooral in dezen tijd is het begrijpelijk, dat de mensch behoefte heeft aan een godsdienstige oriëntatie".
Dr. Vos wil daarom Bijbel-onderricht op de Openbare School. Hoe dat dan moet geschieden, in welken geest, door wie, enz. ? Hij schrijft o.a. dit :
„Het staat vast, dat de oplossing alleen kan worden gevonden in een algemeenen grondslag. De invoering als leervak van Bijbelsch onderwijs, zonder kerkelijk-dogmatischen invloed, zou de aangewezen weg zijn om tot het beoogde doel te geraken".
In deze redeneering is ons sympathiek, dat godsdienstige opvoeding noodig is. Wie zijn het ook al weer geweest, die nu zoo lang hebben geroepen : „de godsdienst er buiten" ?
Sympathiek is ons : dat bijbel-onderricht nuttig en noodig is. Wie zijn het ook al weer geweest, die altijd hebben gezegd: ,,verknoei het onderwijs niet met bijbelteksten en verbeuzel de kostelijke tijd op school niet met verhaaltjes uit den Bijbel en het bidden en het zingen van Christelijke liederen ?
Er komt verandering, gelukkig !
Men ziet, dat men onvergeeflijk dwaas gehandeld heeft, door den Bijbel uit te bannen overal. De Christelijke grondslagen van ons volksleven dreigen geheel wèg te zinken (wie waren het ook al weer, die schamper lachten, als er van de rechterzijde- over de „Christelijke grondslagen" gesproken werd ? )
Maar nu men weer naar den Bijbel en naar Bijbel-onderricht en godsdienstonderwijs vraagt, komt toch 't oude liedje uit de vorige eeuw tegelijk weer voor den dag: vooral geen godsdienstonderwijs in beslist Chrislelijken geest, zooals de Kerk van alle eeuwen haar geloofsbelijdenis heeft uitgesproken — maar godsdienstonderwijs naar de modernistische, opvattingen, waaraan de Christelijke geloofsstukken aangaande God — schepping — zonde — Jezus Christus — verzoening en verlossing — wedergeboorte en geloof — leven, sterven en oordeel — enz. enz. ontbreken.
Wij houden te veel van onzen Bijbel, we hebben ons geloof te lief, we voelen veel te veel voor ons volk, dan dat we in dezen weg zouden bewilligen.
We voelen te veel voor de kinderen van ons volk, dan dat we zulk on-wezenlijk godsdienstonderwijs en zulk on-waarachtig bijbelonderricht zouden willen geven. In dat schuitje krijgt men ons niet, omdat we van tevoren weten, dat er ongelukken gaan gebeuren. Met een lekke boot moet men de reis niet gaan maken, vooral niet, als het water nog al roerig is.
Dr. Vos schrijft in z'n artikel tenslotte dit te hebben opgemerkt :
„Hoewel een deel der rechterzijde, n.l. de Christelijk-Historischen, warmen steun hebben verleend aan een voorstel, dat de invoering van het Bijbelsch onderwijs, zonder aan een bepaalde belijdenis georiënteerd te zijn, in het programma der Openbare Scholen bedoelde mogelijk te maken, is dit afgestuit op het verzet van de andere groepen ter rechterzijde".
Zou dat waar zijn ?
Zouden de Christelijk-Historischen het godsdienstonderwijs niet aan de Christelijke, historische belijdenis der Kerk, niet aan de aloude Apostolische geloofsbelijdenis willen gebonden zien ?
We kunnen het haast niet gelooven.
Maar boven dit alles ; weet dr. Vos niet, dat er van zijn geestverwantein óók zeer velen zijn, die in deze affaire heel veel en heel groote bezwaren hebben tegen voorstellen, als door hem nu weer genoemd, n.l. om den Bijbel op de Openbare School te brengen ? En wel, omdat de Openbare School dan niet meer zou zijn en niet meer zou blijven, wat men altijd van ongeloovige zijde gewild heeft, n.l. de neutrale Volksschool, waar de godsdienst buiten alles moet blijven, om z.g.n. alle kinderen des volks te kunnen bevredigen ?
En de Bijbel is nu eenmaal de Bijbel. Wil als Gods Woord beschouwd worden. En geeft dan ook bij alles een eigen beschouwing : schepping is schepping ; zonde is zonde ; verlossing is verlossing ; Jezus is Jezus, enz.
Allemaal „kerkelijke dogma's" ? Als men 't maar gelooven wil ! Hier beluistert men „het geloofslied van de Christelijke Kerk" — zei prof. Gunning eens. Èn dat lijkt ons van groote beteekenis. Dat „geloofslied" moet ook op school gehoord worden, opdat onze gedoopte kinderen den Heere mogen kennen, dienen en vreezen, naar Zijn Woord, in Jezus Christus onzen Heere.
Daarom hebben wij ook : onze Scholen met den Bijbel, naast onze huisgezinnen met den Bijbel.
Zóó hoort het. Omdat de Bijbel de Bijbel is — en niet een boek, waarvan men mag maken, wat men wil.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 18 april 1940
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 18 april 1940
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's