NIENKE
FEUILLETON
VERHAAL UIT 'T FRIESCHE VOLKSLEVEN
(Met toestemming Uitgever J. H. Kok te Kampen) 45)
„Heb je het dan niet goed bij ons, kind, en doen wij niet allen ons best om je te doen gevoelen hoe groot onze liefde voor je is ? " vroeg vrouw Huitema.
Doch daar ging het niet om. 't Ging om iets anders, iets diepers, iets, dat niet onder woorden te brengen was, maar dat zoo heel van nabij het leven raakte tot in zijn diepste roerselen, 't Was het bloed, dat riep om het bloed.
Een tijd lang was het stil geweest, waarin niets gehoord werd dan 't getik van de klok en het zingende theewater op het comfoor, en het gespin van de poes achter de kachel en het zachte snikken van Nienke.
Toen kwam Gurbe binnen, en als had hij er een voorgevoel van : aanstonds begreep hij. Eigenlijk was hij al niet op zijn gemak, toen hij bij den koster zat te redeneeren over geloofszaken, die anders altijd zoo zijn belangstelling hadden. Zelfs gaf hij een keer een geheel verkeerd antwoord, hetwelk Pier Boukes hem met een paar groote vraagoogen deed aanzien, alsof hij wilde zeggen : „Hoe heb ik het nu met je", en waarop Gurbe eerlijk bekende, dat hij verstrooid van gedachten was en daarom maar liever weer naar huis ging. En toen vond hij daar den toestand, gelijk beschreven werd.
''Wat scheelt er aan, Nienke ?" vroeg hij. Maar vóór deze kon antwoorden, deelde Gelske mede, hoe zij haar woord gebroken en 't geheim verteld had, hetwelk tot hare meerderjarigheid zou zijn bewaard gebleven. Gurbe was er van „overstuur" geworden. Als gewoonlijk onder zulke omstandigheden, werd de hand naar het hoofd gebracht als om daar de wijsheid te halen, welke noodig was, en daarna stond hij op, nam den sleutel van het kabinet uit zijn diepen broekzak en bracht toen een kistje te voorschijn, dat eveneens op slot zat. Met onafgebroken blik volgde Nienke al die bewegingen. Nu begreep zij, waarom haar herhaalde vraag, wat toch in dat kistje zitten mocht, altijd zoo afwijzend werd beantwoord, 't Was het familiegeheim. En toen ontvouwde haar pleegvader een geel geworden stuk papier, hetwelk, bij de teekenen van ouderdom, ook nog de bewijzen toonde van herhaaldelijk gelezen te zijn, en óók nog van iets anders. Een oogenblik aarzelde hij. Zou hij wel alles lezen, wat daar geschreven stond ? 't Was zoo aandoenlijk teer, vooral voor haar, die dit gold ; en Nienke was zoo gevoelig. Doch hij had geen keus meer. Nog eenmaal zag hij haar aan. Wat leek zij plotseling veranderd. Veel grooter en veel verstandiger en veel ouder. Dat was niet meer het kind, dat eenmaal als een schreiend wicht door de Heilssoldaten bij hem in huis gebracht werd en waarmede hij later speelde en stoeide. Nienke was een jonkvrouw geworden met eigen wil en gedachte en met het recht om als zoodanig behandeld te worden. Hoe was het mogelijk dat hij dit nu eerst zag ? En toen zou hij lezen. Doch het volgend oogenblik bedacht hij zich en reikte haar den brief.
„Hier, kind, lees dan zelf, wat je moeder ons schreef" — zei hij. Met bevende hand nam zij het papier aan en las :
„Hierbij zend ik u dan mijn lieveling, die ik niet bij mij houden kan. De zusters hebben gezegd, dat het zoo het beste is, omdat ik de wereld weer in moet om mijn brood te verdienen en ik dat alleen beter zal kunnen doen, dan met zoo'n arm schaap, dat nog zoo veel zorg behoeft. Maar het is mijn kind, mijn eigen kind, dat. ik liefheb met mijn heele hart en om hetwelk ik zooveel dagen en nachten heb geweend. Dat geef ik nu weg.......
Hier kon Nienke niet meer. In hevig snikken uitbarstend, legde zij het verfomfaaide papier naast zich en verborg haar gelaat in hare handen. O wat kon het leven bitter zijn. Waarom moest dit nu en waarom kan zij niet, als anderen, met blijdschap en dankbaarheid denken aan degenen, die haar het levenslicht geschonken hadden ? Waarom moest zij zich schamen voor een naam, welke voor anderen de dierbaarste op de geheele wereld was ?
Ook Gelske veegde met een tip harer schort de oogen droog. Had zij maar niet gesproken !
„Zal ik het briefje nu maar opbergen ? " vroeg Gurbe en maakte aanstalten om het op te nemen. Maar met een smeekend gebaar vroeg Nienke, dat niet te doen. Zij moest nu alles weten. Zou er in dat eenigste erfstuk harer moeder dan niets staan, dat rechtstreeks voor haar was en waarin zij misschien nog eenige vertroosting vond ? En weer las zij :
„Dat geef ik nu weg, ik weet niet aan wie en waarheen. Alleen weet ik, dat het naar Friesland gaat, waar eens mijn eigen wieg heeft gestaan en waar ook nog familie woont, maar waar ik in geen jaren geweest ben. En men zegt, dat het beter is, dat ik niet weet, waarheen mijn arm schaap gaat. Ach, zij weet gelukkig zelf nog niet van het leed, dat eene moeder om harentwil verdroeg. God mag haar zegenen en de misdaad harer moeder niet aan haar bezoeken "......
Weer onderbrak een zacht gesnik de stilte. Hare moeder was dus ook eene Friezin ! zelfs woonde er nog familie in de Provincie.
(Wordt vervolgd.)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 18 april 1940
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 18 april 1940
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's