WAT DE PERS TE LEZEN GEEFT
HET ZIEKBED
HET ZIEKBED. Dr. G. Brillenburg Wurth, Geref. pred. te Rotterdam, schreef in „Ons Kerkblad" onderstaand stukje :
„Een van de dingen, waar wij, als dienaar des Woords, God van harte dankbaar voor mogen zijr, is wel de mooie ervaring, die wij vaak kunnen op doen aan menig ziekbed in de gemeente. Wat er aan genade bij vele kinderen van God in het gewone leven vaak verborgen blijft, komt in dagen van ziekte soms opeens openbaar. Broeders of zusters, van wie men dat heel niet vermoed zou hebben, komen, wanneer ze ernstig ziek worden, of een critieke operatie moeten ondergaan, soms opeens met groote vrijmoedigheid uit en durven dan rustig en met vertrouwen, volgens hun eigen getuigenis, zich aan den Heere overgeven, als het moet, zelfs om te sterven.
Dat is iets, dat tot op zekere hoogte zich wel verklaren laat. In den gewonen gang van het leven wordt men vaak door de bekommeringen van het dagelijksche leven zoó in beslag genomen, dat die als de doornen het goede zaad, soms dreigen te verstikken of althans het in zijn groei belemmeren. Maar nu op het ziekbed is men eens even van die beslommeringen vrij en komt men eens even van aangezicht tot aangezicht tegenover God te staan. En wat lang gesluimerd had, leeft nu, gelukkig, weer eensklaps op en een ziekbed, zoo doorgemaakt, kan echt een grooten geestelijken zegen beteekenen.
In dat geval betreft het hier iets verheugends. Maar nu komen ook andere gevallen voor. Men maakt het ook wel eens mee, dat op een ziekbed menschen met een heel groote kalmte en vrijmoedigheid getuigen van den vrede, die God hun geeft en van het vertrouwen, waarmee ze de toekomst durven tegenzien. Maar als ze weer hersteld zijn en ze zijn weer eenigen tijd in het gewone leven teruggekeerd, dan blijkt er van wat ze in die zieke dagen getuigden, soms naar buiten maar zoo héél weinig. Dan zet alles zich bij lien weer rustig op den ouden voet voort. Dan hoort men soms van dat geloofsgetuigenis nagenoeg niets meer. Dan ontwaart men soms bij hen zelfs weer een schromelijke ontrouw in onze meest elementaire roeping tegenover den Heere, b.v. in het opgaan naar Gods huis, in het meeleven met de gemeente, enz.
Is dat een bewijs, dat die z.g.n. geestelijke ervaring op het ziekbed alleen inbeelding en zelfbedrog geweest is ? Wij zouden het niet zonder meer durven beweren. Er kan, helaas, na een geestelijk hoogtepunt, ook weer een droevige, geestelijke inzinking volgen, terwijl toch bij zoo iemand waarachtig genadeleven aanwezig is.
Maar het geeft soms toch wel te denken. In elk geval, wij behoeven over elkaar niet te oordeelen, maar er is Eén, Die wel tot oordeelen bevoegd is en Die de geloften, door ons in Bethel gedaan, niet vergeet en in gevallen, als boven bedoeld, ons vraagt : „Waar blijft nu toch, wat ge in den nood Mij immers hebt toegezegd ? "
Mogen wij het nog wat anders zeggen : heerlijke ziek- en sterfbedden zijn iets om dankbaar voor te zijn. Maar eenvoudige trouw en stille, oprechte Godsvrucht in het gewone leven van iederen dag hebben toch nog méér waarde. En het beste is het, als er — wat gelukkig ook wel voorkomt — tusschen die beide een innerlijke harmonie bestaat : als rust en vertrouwen in critieke momenten van het leven vrucht mag zijn van een teer en innig leven met God in den normalen levensgang en wanneer na een bijzonderen tijd, als op een ernstig ziekbed, de gezegende uitwerking daarvan blijkt in een nog teerder en inniger leven met den Heere dan voorheen".
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 25 april 1940
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 25 april 1940
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's