Hoofd èn hart.
„Niet wanneer het boven in de hersenen zich bevindt, is het door het geloof aangenomen, maar wanneer het diep in het hart zijn wortels heeft geschoten". Calvijn.
Het woord disharmonie is ons niet onbekend. Nog minder de zaak zelf. In dit woord weerklinkt de wanklank der zonde. En die wanklank is er niet minder op geworden, sinds hij voor het eerst gehoord werd in den hof van Eden.
Wat is er overgebleven van de harmonie, waardoor het paradijsleven zich kenmerkte?
Moed- en vrijwillig werd ze verbroken. En sindsdien zijn de doornen en distelen zich gaan vermenigvuldigen.
En het zweet des aanschijns begon zich door de poriën heen te wringen.
Alles tengevolge van de verbroken harmonie tusschen schepsel en Schepper. Het lied des levens, dat in steeds voller accoorden zou hebben weerklonken, indien de mensch niet aan satan het oor geleend had, dat lied is plotseling afgebroken door scherpe dissonanten. Dissonanten, zwaar van oordeelsklanken.
Te midden nu van deze wereld vol disharmonie heeft het Gode behaagd het Kruis der verzoening te plaatsen. Opdat door een oprecht geloof in den gekruisigden Christus er weer in beginsel zou komen herstel van hetgeen verbroken werd en Gods gemeente zou kunnen getuigen : „Wij dan, gerechtvaardigd zijnde door het geloof, hebben vrede bij God door onzen Heere Jezus Christus".
Door wedergeboorte en bekeering komt er in beginsel herstelde harmonie tusschen schepsel en Schepper. En als gevolg daarvan ook tusschen hoofd en hart. Want ook daar ontbreekt de harmonie. Immers indien de Waarheid alleen nog maar een voorwerp van het verstand is, dan ontbreekt er één ding, dat juist van allesbeslissende beteekenis is, n.l. : hartveranderende genade. Vandaar dat Calvijn zegt : „Niet wanneer het boven in de hersenen zich bevindt, is het door het geloof aangenomen, maar wanneer het diep in het hart zijn wortels heeft geschoten".
Boven in de hersenen — daar zit het bij de naam-christenen. En voorzoover er nog iets van in het hart is doorgedrongen, heeft het toch in ieder geval geen voldoende wortels geschoten.
Er zijn zelfs naam-christenen, en hun getal is niet gering, waarvan niet eens gezegd kan worden dat het boven in de hersenen zit. Omdat vaak zelfs de verstandelijke kennis van Gods Waarheid gemist wordt, aangezien de lust ontbreekt zich daarin te verdiepen.
En waar het wel in meerdere of mindere mate alleen in het hoofd zit, daar treft men vaak een Farizeïsme aan, dat een mug uitzuigt, doch een kemel doorzwelgt. Men vindt onder hen soms een ijver tot God, maar niet met verstand. Terwijl hun hart zich verre van den Heere houdt.
Hoe dikwijls b.v. gebeurt het niet dat men juist onder hen menschen aantreft, die van uit de hoogte met een zekere liefdelooze minachting neerzien op anderen, die niet de zuivere Waarheid zijn toegedaan. Aan wien de vraag der verwondering „Wat onderscheidt ons ? " geheel vreemd is. En inplaats dat men, gedrongen door de liefde van Christus, tracht die anderen voor de zuivere Waarheid te winnen, betoont men zich tegenover hen niet zelden meer hatelijk dan hartelijk.
Worden er ook niet onder hen gevonden, van wien het geldt dat ze wel hoorders des Woords zijn (en wat hebben ze vaak een critiek !), doch wanneer men diezelfde hoorders in de week gadeslaat, dan Wijkt het meermalen dat ze 's Zondags zuiverder in de leer zijn dan gedurende de andere dagen der week in de uitleving. Zelfs wat de uitwendige gehoorzaamheid betreft. Dan komt menigmaal in doen en laten, in woord en gesprek, openbaar dat de uitgangen des levens nog voortkomen uit een ongereformeerde bron. Zoodat het hart niet in overeenstemming is met hetgeen alleen boven in de hersenen zit.
Terwijl in tegenstelling met hetgeen de nijvere bijen te aanschouwen geven, die er altijd op uit zijn om honing uit de bloemkelken te puren, schijnen sommigen er steeds maar weer lust in te hebben venijn te zuigen of te zoeken, ook al is het heelemaal niet aanwezig, bij mede-christenen. En die daarmede zoo druk bezig zijn, dat ze geen tijd hebben voor zelfonderzoek. Van zelfkennis geven ze althans weinig blijk.
Bovendien zijn ze vaak kittelachtig van gehoor, behalve bij den predikant hunner keuze. Ofschoon die keuze soms hoofdzakelijk bepaald wordt door een boeiende voordracht of doordat van de kring waarin zoo'n prediker optreedt, een bepaalde aantrekkingskracht uitgaat. Misschien ook, omdat men daar gezien is.
Intusschen worden andere bedienaars des Woords, misschien met minder gaven dan hun ambtsbroeder, doch met wellicht evenveel liefde voor de zuivere Gereformeerde Waarheid, voorbij geloopen. Sterke voorbeelden zouden hiervan genoemd kunnen worden, doch alle dingen stichten niet.
Het valt echter wel eens op, dat er bij de hierboven genoemde personen aangetroffen worden, die zoodra de kerkdeuren na den kerkdienst gesloten zijn, het verder in hun intiem, persoonlijk leven vaak zoo allerbest buiten geestelijk voedsel kunnen stellen. Ten slotte blijkt er meer honger te zijn naar aanzien bij een zekere kring van menschen, dan naar het Brood des levens.
Boven in de hersenen — en niet in het hart. Dat is o.a. het kenmerk der Farizeën.
Het kan ook zijn, dat de Waarheid Gods niet alleen in de hersenen zit, doch tevens in het hart is doorgedrongen. Slechts oppervlakkig, zonder diep zijn wortels te hebben geschoten. Onwillekeurig denken wij aan de gelijkenis van den zaaier en wel in het bijzonder aan het zaad, dat aanvankelijk opkwam. Tengevolge van den steenachtigen grond en van de doornen, schoot het echter niet voldoende wortel, zoodat het niet tot vruchtdragen kwam.
Of we denken aan de dwaze maagden, die oogenschijnlijk in niets zich van de wijze maagden onderscheidden. Allen gingen den Bruidegom tegemoet, de lampen brandende. Totdat de dwaze maagden op het beslissende oogenblik geen olie in hun vaten bleken te hebben en hun den toegang werd geweigerd.
Tusschen hoofd en hart moet in beginsel weer harmonie komen, zal er van een waarachtig geestelijk leven sprake zijn.
Die harmonie komt er alleen, wanneer er in een door Gods Geest verbroken hart de opstandingskracht van Christus zich gaat openbaren. Dan komt er minder critiek op anderen, doch meer critiek op zichzelf. En acht men anderen uitnemender dan eigen persoon. Dan komt er ook geestelijke wasdom, waardoor het geloof diep in het hart zijn wortels gaat schieten en de vrucht daarvan in het leven tot uitdrukking komt. Er is dan, zooals de Catechismus zegt, een hartelijke vreugde in God door Christus, en lust en liefde om naar den wille Gods in alle goede werken te leven.
Achter hetgeen het hoofd denkt en de hand uitvoert, klopt dan een warm hart, gedreven door de liefde van Christus. Hoofd en hart in beginsel weer in harmonie.
Naarmate de geestelijke wasdom toeneemt, zal ook deze harmonie zich rijker ontplooien. Doch anderzijds, naarmate er meer verachtering in de genade is, zal de disharmonie meer de overhand krijgen. En zelfs in de beste oogenblikken is er maar een zeer klein beginsel.
Hoofd en hart zullen eenigszins in harmonie zijn, wanneer het leven beheerscht wordt door geloof, hoop en liefde. De meeste hiervan is volgens 1 Kor. 13 de liefde. Want al ware het dat men zijn lichaam zelfs zou overgeven om verbrand te worden, doch men de liefde niet had, zoo zou men toch niets anders zijn dan een klinkend metaal of een luidende schel.
Zou het daarom zijn, dat de liefde als het ware in het middelpunt staat, wanneer de zegen des Heeren over de gemeente wordt uitgesproken, met deze woorden :
De genade van onzen Heere Jezus Christus, De liefde Gods des Vaders, en De troostvolle gemeenschap des Heiligen Geestes zij met u allen.
Moge daarom in een wereld vol haat, Gods gemeente zich meer en meer gaan openbaren als een gemeente, die leeft onder den drievoudigen zegen des Heeren, waarvan de liefde het middelpunt is.
Opdat er zij : wederliefde tot God, broederliefde, naastenliefde, zelfs vijandsliefde, en bij dat alles liefde tot Gods Waarheid. Aangezien de ware liefde, die wel eens de tweelingzuster van het geloof genoemd is, niet in de hersenen, doch in het hart geworteld is, daarom zegt Calvijn zoo terecht : „Niet wanneer het boven in de hersenen zich bevindt, is het door het geloof aangenomen, maar wanneer het diep in het hart zijn wortels heeft geschoten".
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 25 april 1940
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 25 april 1940
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's