Is elke oorlog uit den booze ?
(Slot).
We richten nog eens den blik op het Oude Testament. Ik denk aan de geschiedenis van Abraham. Hij moest een drie-jarige vaars en een drie-jarige geit en een drie-jarigen ram en een tortelduif en een jonge duif nemen.
Nadat Abram deze dieren had geslacht — behalve de duiven — legde hij de helften tegenover elkander en wandelde tusschen de stukken vleesch, wachtende op de komst des Heeren.
Doch de Heere kwam niet. Wel streken er roofvogels neer op het aas, die door Abtam met alle krachtsinspanning werden weggejaagd. Dit ging zoo door tot den avond. Toen viel Abram van vermoeienis in slaap en een schrik en een groote duisternis viel op hem.
Doch ziet, dan komt de Heere om het licht te laten opgaan over Abram's nakomelingschap. De Heere voorzegt, dat zijn zaad vierhonderd jaar in Egypteland zou worden onderdrukt. Maar ziet, aan het einde van die vierhonderd jaar zou de Heere dat volk van Egypte komen te richten en dan zou voor Israël de weg worden gebaand om met groote have uit Egypte naar Kanaan te trekken.
Aan het vierde geslacht zou het worden gegeven om Kanaan binnen te trekken. En dan volgt er een woord in deze schoone geschiedenis van Genesis 15, hetwelk buitengewoon merkwaardig is. Ik lees n.l. in het tweede gedeelte van het 16e vers : Want de ongerechtigheid der Amorieten is tot nog toe niet volkomen.
De naam „Amorieten" is hier blijkbaar een verzamelnaam voor al de volkeren van Kanaan. Het waren volkeren, die met God niet rekenden. Ze namen toe in goddeloosheid. Toch gaf de Heere aan die volkeren nog bedenktijd. Het geduld des Heeren jegens deze volkeren was nog niet uitgeput. Ze zullen den Raad Gods moeten uitdienen. Doch eenmaal zal de maat van hunne ongerechtigheden vol worden en dan zal de Heere deze volkeren slaan. Israël zal zegevierend het land Kanaan binnentrekken en de steden en de dorpen bezetten en de huizen en de akkers dezer volkeren in bezit nemen.
Het is duidelijk, dat de Heere daar in Kanaan den krijg gebruikt als een geesel over deze goddelooze volkeren, die tegen het groote geduld des Heeren in maar voortgaan om tegen Hem te zondigen.
Wij mogen dus met het oog op het Oude Testament met zijn vele voorbeelden van de oorlogen des Heeren wel zeggen, dat het raderwerk van het wereldgebeuren wel buitengewoon ingewikkeld is. Het ontbreekt aan elk menschenkind aan waarachtige visie op de dingen rondom ons. Omdat wij verduisterd zijn van verstand, is het eigenlijk onmogelijk om zonder Gods genade en Gods Heiligen Geest de wereldgebeurtenissen in het rechte licht te zien. Daarom is het ook zoo moeilijk om elken oorlog op zichzelf te kunnen beoordeelen.
Doch laten we nu eens letten op het Nieuwe Testament. We hebben een merkwaardige plaats in de geschiedenis van Johannes den Dooper. Er kwamen in de Jordaan tot dezen profeet allerlei menschen uit den ganschen omtrek. Het gerucht van dien wondervollen Jordaanprediker, met dat kemelsharen kleed en dien lederen gordel om zijne lendenen, was uitgegaan door het gansche land.
Onder de toestroomende schare bemerken we ook krijgslieden, die, door de prediking van den Dooper ontroerd, hem de vraag stelden : „En wij, wat zullen wij doen ? "
Wat zal Johannes de Dooper aan deze krijgslieden antwoorden ? Heeft hij gezegd : „Alle oorlogen zijn uit den booze" ? „Leg uwe uniformen af" ! „Het is u verboden om nog een oogenblik langer krijgsman te zijn". „Werp de wapenen weg" !
Neen, Johannes komt wel tot de krijgslieden met den eisch der bekeering, maar van den eisch om met den krijgsdienst te breken, hooren we niets. Het eenige, wat hij speciaal aan het adres van de krijgslieden heeft gezegd, was : Doet niemand overlast, en ontvreemdt niemand het zijne met bedrog en laat u vergenoegen met uwe bezoldigingen.
Toen ik kort geleden op mijn huisbezoek met een anti-militairist een gesprek had over dit probleem, wees ik hem ook op dit woord van Johannes en sprak als mijn meening uit, dat we toch stellig op grond van deze woorden wel mogen aannemen, dat Johannes maar niet zonder meer elke oorlog uit den booze achtte.
Hij was echter van meening, dat Johannes de Dooper nog te veel op het Oud-Testamentische standpunt stond. Deze anti-militairist noemde Johannes den minste in het Koninkrijk Gods. Zijn woord kon dus nog geen norm hebben voor het Nieuwe Verbond. Wij zijn echter van het tegendeel overtuigd. Het woord van Johannes heeft wel terdege beteekenis voor onzen tijd. En de Heiland zelf sprak niet anders.
Anti-militairisten, die in den Bijbel nog een beetje thuis zijn, zullen nu misschien verwijzen naar de Bergrede, waar de Heere Jezus heeft gezegd : Gij zult niet dooden, maar zoo wie doodt, zal strafbaar zijn voor het gericht. Doch Ik zeg u : zoo wie ten onrechte op zijnen broeder toornig is, die zal strafbaar zijn door het gericht, en wie tot zijnen broeder zegt : Raka ! die zal strafbaar zijn door den grooten raad, maar wie zegt : Gij dwaas, die zal strafbaar zijn door het helsche vuur.
Inderdaad heeft de Heere Jezus laten zien in de Bergrede, dat Hij lijnrecht positie nam tegen het standpunt van de oude rabbijnen. De Heiland heeft geleerd, dat de nijd en de haat, ook al openbaart het zich nog niet naar buiten, ons innerlijk reeds schuldig doen staan aan het zesde gebod.
Al zegt de een maar tot den ander „Gij dwaas", terwijl zijn hart vol bitterheid jegens den naaste gestemd is, dan heeft een mensch zich daardoor reeds de straf van het helsche vuur waardig gemaakt.
Nu is het echter een andere vraag, of de bovengenoemde aanhaling uit de Bergrede nu ook bewijskracht in zich heeft tegen een wettigen oorlog.
De Heere heeft toch ook een Overheid laten instellen. Waartoe deed de Heere dat anders dan om een einde te maken aan het bruut geweld en de persoonlijke wraakgierigheid ? Staat er niet geschreven : Wie 's menschen bloed vergiet, zijn bloed zal door den mensch vergoten worden. (Zie Gen. 9 vers 6).
Dat wil niet zeggen, dat de vader van een kind, dat vermoord is, nu ook zelf dien moordenaar om het leven mag brengen. Neen, dat is de taak van de Overheid. Die Overheid is Gods dienaresse. Zij draagt het zwaard niet te vergeefs.
Er zal toch wel niemand zijn (die althans nog wil buigen voor het Schriftgezag), die het zal aandurven om het woord, dat aan de Overheid het zwaard in de hand is gegeven, als aan Gods dienaresse, krachteloos te maken door een beroep op het gebod Gods : Gij zult niet dooden.
Welnu, als dan de vijanden van ons land en ons volk onze landpalen binnentrekken om te dooden en te plunderen, dan, Is het toch stellig de taak van de Overheid om met het zwaard in de hand den indringer aan te grijpen.
Als dan ook de Overheid het noodig oordeelt om het land en de vrijheid en het geloof te verdedigen, dan heeft elk onderdaan te luisteren naar het woord van den apostel in Rom. 13 : Alle ziel zij den machten onderworpen, die over haar gesteld zijn ; want er is geen macht dan van God en de machten, die er zijn, die zijn van God geordineerd ; alzoo, dat die zich tegen de Macht stelt, de ordinantie Gods wederstaat ; en die ze wederstaat, zullen over zich zelf een oordeel halen.
Welk een ontzaglijke verantwoordelijkheid rust er dan op de Overheden. De oorlog toch is het gewapend optreden van de Overheid. Een soldaat, die in den krijg van zijn vuurwapen gebruik maakt, doet dit in opdracht van de Overheid. De Overheid, die den krijg heeft ontketend, is de verantwoordelijke voor alles. Schrikkelijk is het, als een Overheid den krijg begint om een onrechtvaardige zaak. Vreeselijk zal het gericht zijn over al die overheidspersonen, die met imperialistische bedoelingen den krijg hebben laten ontbranden. Zucht naar eer en macht is vaak de drijfveer van vele staatslieden.
In het klein zien we de openbaring van haat en nijd en eerzucht en hebzucht rondom ons.
Tusschen kinderen van één huis, tusschen kinderen op één schoolplein, tusschen buren van één wijk, tusschen inwoners van één stad of dorp, tusschen de belijders van de ééne ware algemeene Christelijke Kerk.
Zouden we ons nu over den oorlog onder de volkeren moeten verwonderen ?
De Heere Jezus heeft gezegd : Want het ééne volk zal tegen het andere opstaan en het eene koninkrijk tegen het andere koninkrijk en er zullen zijn hongersnooden en pestilentiën en aardbevingen in verscheidene plaatsen. We zullen blijven hooren van oorlogen en geruchten van oorlogen. Alle die dingen moeten geschieden, maar nog is het einde niet.
Neen, de vrede, die door de pacifisten van onzen tijd wordt nagejaagd, is niets anders dan een hersenschim van het humanisme. De Schrift spreekt ons van een anderen vrede. In den Bijbel loopt de draad van de wereldgeschiedenis van paradijs naar paradijs. Van het verloren paradijs door de zonde heen naar het rijk van den eeuwigen vrede. Die vrede komt echter niet, eer het eeuwige Rijk des vredes komen zal.
Zij de zonde, de groote oorzaak van de verstoring van den vrede, een ieder onzer tot een aanklacht, om er mede te vluchten naar dien grooten Vredevorst, bij Wiens geboorte de engelen hebben gezongen van vrede op aarde. Immers, de vrede, die hier in deze zondige wereld door de Kerk Gods mag worden gesmaakt, als ze door het geloof mag gerechtvaardigd worden om de zoen- en kruisverdienste van den Heere Jezus, is het beginsel van den eeuwigen vrede.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 25 april 1940
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 25 april 1940
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's