STAAT EN MAATSCHAPPIJ
NOG DRIE OPMERKINGEN
NOG DRIE OPMERKINGEN
Wij moeten aan ons artikel van de vorige week, waarin wij het avontuur van Duitschland ten opzichte van Denemarken en Noorwegen bespraken, nog een drietal opmerkingen toevoegen.
De eerste opmerking betreft het resultaat, dat van den aanval van Duitschland voor dat land kan verwacht worden. En dan lijkt het ons reeds dadelijk toe, dat de stappen, die het Derde Rijk deed om ook Scandinavië in den oorlog te betrekken, een gewaagde onderneming moet genoemd worden, vooral in een geval, als zich thans voordoet, dat tusschen de Duitsche legers in het eigen land en de Duitsche troepen, die in Noorwegen opereeren, de voeling en de noodzakelijke verbinding ontbreekt.
De krijgsgeschiedenis leert, dat het land, dat de heerschappij op zee heeft, door het afsluiten van den toevoer van levensmiddelen en van de grondstoffen voor oorlogsdoeleinden naar het vijandelijke land, dat deze goederen moeilijk op andere wijze kan verkrijgen, een voorsprong bij de krijgsoperaties heeft.
In dien zin zijn de Geallieerden, Engeland en Frankrijk, de meerderen van Duitschland, dat zeker reeds de helft van zijn vloot kwijt is.
Maar ook aan den anderen kant is niet voorbij te zien, dat een landing van troepen — in dit geval die der Geallieerden — in een land, dat krachtig verdedigd wordt, een vrij hopelooze zaak is. Of van de Noren voor de Engelsche- en Fransche landingstroepen veel steun te verwachten is, betwijfelen wij. De sociaal-democratische politiek, die gedurende vele jaren in Noorwegen gevoerd werd, waande het land veilig ook zonder offers te brengen voor de landsverdediging.
Wat nu de actie van Duitschland in Noorwegen betreft, is aan eerstgenoemd land voldoende tijd gelaten om zich in het Scandinavische Rijk vast te zetten. En het blijkt uit de berichten in de bladen, dat het Derde Rijk daarvan een goed gebruik heeft gemaakt.
Daarom zal het nog geruimen tijd duren eer een juist beeld kan gevormd worden over de vraag, of de Geallieerden dan wel Duitschland in het voordeel zijn.
Deze eerste opmerking is van zuiver strategischen aard ; de beide andere opmerkingen die volgen, zijn van meer politieke beteekenis. Allereerst blijkt dan uit de oorlog, die thans gevoerd wordt, dat oorlogsverklaringen niet meer plaats hebben. Van vollen vrede komt men zoo maar in den oorlog. Dit is het feit geweest in Finland, toen dit land onverwachts door Rusland aangegrepen werd, en dit is ook gezien geworden bij den inval van Duitschland in Denemarken en Noorwegen. Een der dagbladen herinnerde er dezer dagen nog aan, dat de Denen, zonder aan eenig gevaar te denken, des Maandagsavonds naar bed gingen en den volgenden morgen bij het opstaan vernamen, dat de hoofdstad van hun land door een der oorlogvoerende machten was bezet.
Dit niet-zenden van een oorlogsverklaring is een groot gevaar, voornamelijk voor de neutrale landen. Men kan zich nog zoo inspannen om naar alle kanten zijn onzijdigheid en zelfstandigheid te handhaven, toch geeft dit in den tegenwoordigen tijd niet de minste zekerheid, dat men buiten den oorlog blijft.
Er is een tijd geweest, dat men zich van zulke dingen geen voorstelling kon maken. Thans zijn de niet-oorlogsverklaringen onloochenbare feiten, waarmede rekening dient te worden gehouden.
Ook in ons land hebben wij met den factor, dat oorlogen niet meer worden verklaard, ter dege rekening te houden. Vandaar, dat de grensbewaking steeds op volle sterkte moet gehouden worden. Er kan in de gegeven omstandigheden niet aan gedacht worden om op dit punt te verslappen. Dit vraagt van ons volk een dubbel offer, een financieel- en een persoonlijk offer : meerdere uitgaven voor de defensie en verzwaring van militaire lasten voor de bevolking.
Onze weermacht moet dus paraat zijn en blijven. Paraatheid is noodzakelijk tot wering van buitenlandsch geweld.
Doch dit is op zichzelf niet meer voldoende. En daarmede komen wij tot de derde opmerking, dat er ook verhoogde waakzaamheid moet zijn naar binnen. Dat dit zeer noodig is en dat het behoud onzer zelfstandigheid zelfs van het nemen van maatregelen van waakzaamheid naar binnen kan afhankelijk zijn, leert in bijzondere mate het gebeurde in Noorwegen. Nauw toch was Duitschland binnengevallen, of er stonden Noorsche mannen gereed om den invaller welkom te heeten. Zelfs waren er maatregelen voorbereid voor het instellen van een nieuw landsbestuur, dat de Regeering van den wettigen Vorst, Koning Haakon, moest overnemen. Bij die gelegenheid is wel gebleken, hoe sterk de positie, van Noorwegen ondergraven was door het nationaal-socialisme en hoe groot daar te lande het getal landverraders, vreemdelingen en Noren was, dat de zijde van den indringer koos. Daarom moet, wat in Noorwegen voorviel en ook Nederland kan overkomen, voor ons volk een les zijn. Het Nederlandsche volk getroost zich tegen het gevaar van buiten zware offers, het moet even waakzaam zijn naar binnen en ook te dien aanzien bereid zijn tot het brengen van allerlei offers.
Verhoogde waakzaamheid naar binnen is alzoo dringend geboden.
Terecht waarschuwde de Eerste Kamer de Regeering nog zeer onlangs tegen een al te groote uitbreiding van de naturalisaties (het opnemen van vreemdelingen in het Nederlandsche verband), aangezien deze tot ongewenschte gevolgen zou kunnen leiden. Gedacht moet hierbij worden aan onderdanen van Staten, welke het standpunt huldigen, dat ook degenen, die door naturalisatie een andere nationaliteit hebben verworven, niettemin als „volksgenooten" behooren te blijven beschouwd, van wie mag worden verwacht, dat zij hunne plichten als zoodanig zullen blijven vervullen.
Zoo zijn er in ons land op dit oogenblik heel wat vreemdelingen en onderdanen, die zich bezig houden met cellenbouw, spionnage enz. en op de hoogte trachten te komen van bewaarplaatsen van munitie, ligging van vliegvelden en versterkingen en van dergelijke dingen meer.
Gelukkig is de Regeering op haar hoede. De staat van beleg werd voor het geheele land afgekondigd, waardoor maatregelen kunnen worden genomen om dergelijke individuen te interneeren. Ook is er een wetsontwerp bij de Staten-Generaal aanhangig gemaakt tot het treffen van nadere voorzieningen tegen het bekend worden van staatsgeheimen en tot verhooging van de maximum straf op een aantal misdrijven tegen de veiligheid van den Staat. Het is zeer de vraag of niet tot wederinvoering van de doodstraf moet worden overgegaan. In elk geval behoort aan landverraders het Nederlanderschap te worden ontnomen.
Ook in Nederland is in den tegenwoordigen tijd driedubbele waakzaamheid en activiteit in het binnenland geboden.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 25 april 1940
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 25 april 1940
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's