De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

KERKELIJKE RONDSCHOUW

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

KERKELIJKE RONDSCHOUW

19 minuten leestijd

OM RECHT EN WAARHEID--KERKERAAD — KIESCOLLEGE ? Wie zijn straks stemgerechtigd?--WAT MOETEN WE STEMMEN? KERKERAAD oF KIESCOLLEGE?

OM RECHT EN WAARHEID (2)

4. In 1816 is plechtig verzekerd en in het Algemeen Reglement voor het Bestuur der Nederlandsche Hervormde Kerk gecodificeerd : dat de Hervormde Kerk haar eigen kerkelijke belijdenis heeft, welke vervat is in de historische belijdenisschriften, zijnde de Drie Formulieren van Eenigheid, waarin nader uiteengezet is de Waarheid naar de Schriften, tot wier erkenning ieder lid der Kerk eerlijk en oprecht gehouden was, niet afwijkende van het beginsel daarvan. En het is nadrukkelijk uitgesproken, dat met de verloochening daarvan de Kerk haar beginsel zou prijs geven en haar karakter zou verliezen.

De leer der Kerk werd dan ook voor alle hare leden, leeraars en godsdienstonderwijzers, verbindend gesteld — wat ook volgens prof. dr. J. H. Scholten het onbetwistbaar recht der Kerk is om dat te doen, zoowel in 1618 als in 1816.

Geen proponent is in 1816 en de jaren daarna in onze Hervormde Kerk tot het predikambt toegelaten, dan na vooraf met een eed of heilige belofte bevestigd te hebben, de leer der Hervormde Kerk, overeenkomstig Gods heilig Woord, vervat in de Formulieren vam Eenigheid, van harte te zijn toegedaan en die leer te zullen prediken en te zullen handhaven.

Geen lidmaat is na 1816 tot het Avondmaal toegelaten en in de rechten der belijdende leden ingegaan, dan na vooraf openlijk te hebben uitgesproken met de leer der Kerk, overeenkomstig Gods heilig Woord vervat in de Formulieren van Eenigheid, van harte in te stemmen.

En al het pogen na 1816, door de Kerkbesturen die „aan de ware Hervormde leer behoorden verkleefd te zijn", om niet alleen aan de preciese onderschrijving van de Formulieren der Kerk te ontkomen, maar om het zóóver te krijgen, dat de grondwaarheden der Gereformeerde Kerk in het midden van de Kerk vrij zouden kunnen worden ontkend en geloochend en bestreden, komt voor ons in een droevig licht te staan ! Want dit pogen is voor de rechtbank der historie niet te verdedigen ; dat pogen moet voor de rechtbank der consciëntie gebrandmerkt worden als oneerlijke gedoe — en dat pogen heeft helaas ! toch voortgang gehad, ook in weerwil van ernstig en luid protest van duizenden, die in de Hervormde Kerk geboren, haar belijdenis, die naar de Schrift is, van harte onderschreven en met den mond kloek beleden en als kinderen des huizes voor de rechten der Kerk opkwamen.

Al dat wederrechtelijk pogen is steeds geweest, om van de Kerk van Christus, met haar belijdenis naar Gods Woord, een Vereeniging te maken van „elk wat wils" — wat onze Nederlandsche Hervormde Kerk nooit geweest is en ook nooit worden mag.

5. In 1816 stond in de proponentsformule :  "de leer, welke overeenkomstig Gods heilig Woord, in de aangenomene Formulieren van Eenigheid der Nederl. Hervormde Kerk verval is". Hier gaat het om Gods woord en de leer, die overeenkomstig Gods heilig Woord in de aangenomene Formulieren, het wettig en kostelijk bezit is der Nederlandsche Hervormde Kerk. Dat is, zonder eenige nadere omschrijving of verklaring, zoo gebleven tot 1841. Toen is door de Synode, als antwoord op desbetreffende vragen, ontkend, dat de formule van 1816 geheele instemming bedoelde met alles wat in de belijdenisschriften vervat is.

Daar had de Synode, die er was om de Kerk te besturen en om de leer der Kerk te handhaven (zelve „een wijs en voorzichtig en aan de ware Hervormde leer verkleefd Kerkbestuur zijnde" — naar het woord van prof. Royaards) geen recht toe, om dat, tot verzwakking en afbreking van de leer der Kerk, te verklaren. De Synode had niet het recht om, terwijl op de mond der Kerk de hand gelegd was en er geen beroep op Gods Woord bestond, ondertusschen iets, wat in de Reglementen stond, anders te gaan uitleggen dan geschreven is.

Maar hoe 't zij, de Synode verklaarde uitdrukkelijk tot geruststelling van velen en tot voorkoming van misverstand bij allen : dat het Formulier van 1816, al vordert liet ook geen instemming met den ganschen inhoud der belijdenisschriften, zich echter niet vergenoegt met de aankleving van deze of gene waarheid, daarin vervat, maar in 't algemeen, de leer, die in dezelve voorkomt, gelijk die leer in haren aard en geest, het wezen en de hoofdzaak uitmaakt van de belijdenis der Hervormde Kerk, door den leeraar dier Kerk wil aangenomen hebben". Deze uitspraak is door de Synode in 1842 en in 1854 bekrachtigd.

Onze Hervormde Kerk was en bleef dus, volgens deze Synodale uitspraak, een belijdende Kerk. De leer der Hervormde Kerk, vervat in de Fortnulieren van Eenigheid, bleef. Ook mocht men maar niet hier en daar een waarheid uitkiezen om die te onderschrijven, terwijl men andere dan gerust mocht verwerpen. Neen, in 1841, 1842 en 1854 is nadrukkelijk gezegd : men moet blijven bij de leer, in de Formulieren vervat ; men moet tot den aard en den geest van die Formulieren doordringen ; en naar den aard en den geest van die Formulieren moet men blijven bij het wezen en de hoofdzaak van die belijdenis, welke het wettig eigendom der Hervormde Kerk is.

In de Formulieren klopte dus het hart van de Hervormde Kerk. Het karakter van de Hervormde Kerk werd door de Formulieren kenmerkend weergegeven en duidelijk uitgebeeld.

En al gebruikte men een omhaal van woorden (wat wel verdacht soms scheen), de Hervormde Kerk was en bleef een belijdende Kerk, met een bepaalde Confessie en ieder was aan den aard en het wezen, den geest en de hoofdzaak van die kerkelijk omschreven belijdenis gebonden.

Toch is men voortgegaan om den band aan de belijdenis hoe langer hoe meer los te rafelen, ten spijt van alle mooie beloften en stellige verzekeringen. De proponentsformule b.v. is zoo zinledig mogelijk gemaakt. Want zij luidt nu : „Wij, ondergeschrevenen beloven overeenkomstig de beginselen en het karakter van de Hervormde Kerk hier te lande, het Evangelie van Christus te verkondigen".

Op zich zelf genomen, gaat het dus ook nu om „de beginselen en het karakter van de Hervormde Kerk", en waaruit zal men dat kennen, dan uit haar belijdenis ? En in den geest van haar belijdenis moet het Evangelie van Jezus Christus verkondigd worden. Zóó staat het er. Maar — geen sprake is er meer van „Gods heilig Woord" en men gewaagt niet meer van de Formulieren van Eenigheid. Dat is in een belijdende Kerk, met eigen belijdenisschriften, die haar leer wil gehandhaafd zien, een opzettelijk wegmoffelen van de belijdenis, en dat juist in de proponentsformule, die immers ter onderteekening voorgelegd wordt aan hen, die hun voet op den kansel gaan zetten, in de catechisatiekamer kerkelijk onderwijs zullen geven, en in de gemeente leiding zullen geven vanwege de Kerk.

Natuurlijk kan — ook bij het licht der verklaring van 1842 — niet anders bedoeld zijn, dan „naar den aard en liet wezen, den geest en de hoofdzaak van de Formulieren van Eenigheid". Maar, waarom geeft men nu opzettelijk alles over aan de persoonlijke willekeur van den proponent, die wellicht zoo gaarne en bij uitstek spreekt van eigen beginselen en naar eigen aard en karakter en geest handelt ?

Natuurlijk kan in een Christelijke, Protestanlsche, Gereformeerde Kerk niet anders bedoeld zijn dan het Evangelie van Gods genade, geopenbaard in Jezus Christus, die gestorven, is om onze zonden en opgewekt om onze rechtvaardigmaking. Maar waarom formuleert men het nu zóó, dat ieder er van maken kan wat hij wil ? Gaat het dan misschien in de Hervormde Kerk om het woord, de leer, het voorbeeld van den Rabbi, den Wijze van Nazareth, de bloem der menschheid — als iemand lust heeft om daarmee te komen aandragen ? Of gaat het eenig en alleen om het Evangelie, dat Jezus Christus, den Gekruiste, tot inhoud heeft, overeenkomstig Gods Woord en de belijdenis der Kerk ?

Dat moeten we toch weten in een Christelijke, Protestantsche, Gereformeerde Kerk in Nederland !

6. En als we nu allen weten en zien, dat de hoofdzaak van onze belijdenis, in strijd met den aard en het wezen van Christus' Kerk, geloochend wordt en er een ander fundament gelegd wordt, dan hetgeen van God gelegd is, n.l. Jezus Christus, waarachtig God en waarlijk mensch, de eenige en algenoegzame Zaligmaker — dan roepen we hier in deze kerkelijke vergadering met ernst uit : laten we toch niet langer spelen met woorden in onze Vaderlandsche Kerk, maar laten we als eerlijke Christen-menschen zeggen wat we meenen en willen, en laat onze Gereformeerde Kerk weer buigen voor Gods Woord, Christus weer verkondigen als den Middelaar Gods en der menschen, Gods genadewerk weer roemen in de vergeving onzer zonden, om de wille van des Middelaars bloed, op Golgotha gestort.

Dit wat de proponentsformule betreft. En dat geldt ook de belijdenisvragen. Waarom vroeger (1816/'62) gesproken van de leer der Kerk, van de Waarheid Gods naar Zijn Woord, en waarom nu sedert 1880 een uittreksel van een uittreksel, waarvan ieder maakt wat hij wil ?

Waarom de éénheid der Kerk verbroken en de scheuring en scheiding bevorderd ? Waarom de belijdenis der Kerk weggedoezeld en weggewerkt ? Waarom gelegenheid geven, dat er nu gespeeld wordt met de heerlijkste waarheden in betrekking tot God den Vader, den Zoon en den Heiligen Geest ? Waarom de verzoening door Christus' bloed niet als een der hoofdwaarheden beleden, verdedigd, gehandhaafd overal ? Waarom gelegenheid gegeven, dat de goddelijke waarheden, die naar de Schrift zijn, die ons geestelijk leven zoo nauw raken en in onze belijdenisschriften, onder de rook van de brandstapels, zoo ernstig en zoo schoon zijn vertolkt en uitgezongen zijn als het lied des geloofs van Gods gemeente, nu vervangen worden door ijdele, dubbelzinnige, vage redeneeringen eener onchristelijke filosofie, die vreemd is aan de Godsopenbaring — waarbij in al de woorden, uitdrukkingen, titels en omschrijvingen een beteekenis gelegd wordt, vlak het omgekeerde zijnde van 't geen er in onze klassieke Confessie mee bedoeld wordt ?

Neen, laat men ons niet toevoegen, dat wij de Kerk van Christus met „formules" en „menschelijke geschriften" op de been willen houden ! Geenszins. Christus Zelf houdt Zijn Kerk in stand.

Maar — daarom behoeven we nog niet toe te laten, dat in Christus' Kerk vrij spel is, om met onwaarachtig geschipper, de belijdenis des geloofs in het tegendeel om te zetten. Dat komt de eere onzes Konings te na, die Zelf ons gezegd heeft, dat het belijden van Zijn Naam te midden van de menschen en tegenover de wereld noodig is, en dat Hij er vreugd in schept, indien de geloofswaarheid kloek en vroom wordt uitgesproken !

Het komt ook te na de zaligheid, de vreugd en den vrede van Gods kinderen, die alleen maar leven kunnen in 't midden van de Kerk, die den Naam des Heeren belijdt en naar Zijn Woord luistert en in Zijne wegen wandelt in de prediking en in de Sacramenlsbediening, met orde en tucht.

Het zou Satan tot groote vreugd zijn, wanneer de Kerk de belijdenis der waarheid losliet of disputabel stelde, en nooit is er grooter vreugd, dan wanneer de Kerk zwijgt — evenals de dief het in zijn voordeel weet, als de waakhond slaapt.

Neen — het is ons niet te doen om formules als zoodanig en zonder meer. Maar met de formuleering voor proponenten en godsdienstonderwijzers is nu alles overgelaten aan de persoonlijke willekeur — en intusschen hebben ze ons Christus ontstolen — in onze Hervormde Kerk — die van God verkoren is en gegeven is tot Sions zaligheid.

Gelijk ook met de vrijheid in het formuleeren van de belijdenisvragen — waarbij niet zelden de grootste willekeur heerscht ! — de éénheid der Kerk („in eenigheid des waren geloofs", zegt Catech. Zondag 21) verloren gaat en de leugenleer gemakkelijk wordt in de plaats geschoven van de waarheid naar de Schriften.

En daarom, vragen wij om „recht en waarheid" in onze Hervormde Kerk ; geeft ons waarborgen, voor ons en voor onze kinderen ; om de wille van de Kerk zelve, maar ook om de wille van ons volk, in welks midden de Kerk door God hier geplant is, dat er in onze Hervormde Kerk van gemeente tot gemeente leeraars worden gezonden, die getrouw en liefderijk het Evangelie van Jezus Christus prediken, in gehoorzaamheid aan de Heilige Schrift, in overeenstemming met de Belijdenis der Kerk, opdat door de leugenleer de ingang tot het Koninkrijk Gods voor velen niet belemmerd of verijdeld wordt, maar de Gemeente des Heeren mag worden gevoed met brood, waarbij de ziele léven kan.

Laten dan onze jonge menschen, de toekomst van Kerk en Volk, door de Kerk worden onderwezen naar de Schriften, die wijs kunnen maken tot zaligheid, een iegelijk die gelooft ; opdat Hij onder ons mag worden gekend, die ons van God gegeven is tot wijsheid, gerechtigheid, heiligmaking en verlossing.

Zóó zal onze Hervormde Kerk opwassen in de kennis en in de genade. En zich buigend onder de hand des Heeren, die van eeuwigheid tot Koning gezalfd is over Sion, zal Deze al Zijn volk beheeren, rechtvaardig, wijs en zacht ; en de ellendigen regeeren ; hun recht doen op hun klacht.

KERKERAAD — KIESCOLLEGE ? Wie zijn straks stemgerechtigd?

De stemming : Kerkeraad of Kiescollege ? wordt om de 10 jaren gehouden. De laatste stemming is geweest in 1931 en dus binnenkort is er wéér een stemming noodzakelijk ; en wel in de maanden Januari en Februari 1941.

Deze stemming geschiedt door de stemgerechtigde leden, mannelijke èn vrouwelijke. Dit zijn de broeders en zusters, wier namen door den Kerkeraad op een lijst worden gezet, die in de maand September 1940 (dit jaar dus !) gedurende acht dagen voor de leden der gemeente ter inzage wordt gelegd, na afkondiging van den kansel. Tijd, plaats en wijze, waarop dit zal geschieden, moeten tijdig ter kennis van de gemeente worden gebracht.

Wie bezwaren heeft, moet deze gedurende die acht dagen dat de lijst ter inzage ligt, indienen bij den Kerkeraad.

Wanneer heeft men er nu recht op, dat zijn naam op die lijst wordt geplaatst? Allereerst moet men op 31 October 1940 den ouderdom van 23 jaren hebben bereikt. (Men mag niet onder censuur of curateele staan.) En men moet uiterlijk 31 Mei 1940 geloofsbelijdenis hebben afgelegd of zijn attestatie (of bewijs van lidmaatschap) hebben ingediend.

De komende weken zijn dus voor een ieder, man of vrouw, die in het volgend jaar aan de 10-jaarlijksche stemming wil deelnemen, van het grootste belang. Hij moet zeker weten, dat op z'n laatst op 31 Mei 1940 zijn attestatie binnen is. Blijkt het, in Juni b.v. dat hij nog altijd zijn attestatie heeft vergeten op te vragen, dan kan het wezen, dat hij al jaren in de gemeente woont en toch niet mee mag stemmen. Na 31 Mei is er niets meer aan te doen : zijn naam wordt niet op de kiezerslijst geplaatst. Een ieder zorge steeds, maar thans in het bijzonder, voor het spoedig opvragen en inleveren van z'n attestatie !

Een predikant, die dus een beroep heeft aangenomen en na 31 Mei in z'n nieuwe gemeente komt, brengt voor de komende stemming nergens z'n stem uit ; hij is in geen enkele plaats stemgerechtigd.

WAT MOETEN WE STEMMEN? KERKERAAD oF KIESCOLLEGE?

Na de bovenstaande technische toelichting (ontleend aan wat dr. van Itterzon in den Haag, de uitnemende verzorger van De Vragenbus in Hervormd Weekblad De Gereformeerde Kerk, schreef) komen we aan de nog meer belangrijke vraag : wat moeten we nu kiezen ? Moet het Kerkeraad of moet het Kiescollege zijn ?

Wanneer de dingen meer normaal waren in onze Hervormde Kerk dan wisten we het wel. De Schrift spreekt ons van het ambt, dat in dienst staat van Christus. En de Gemeente heeft daarbij haar medewerking te verleenen, zoowel bij de verkiezing van ouderlingen en diakenen, alsook wat het werk van de ambtsdragers betreft. Van ouds is dan ook naar de beginselen van het Geref. Kerkrecht getracht om het zóó te regelen : het ambt heeft de leiding en de Gemeente toont haar medewerking. Lees b.v. Hand. 1 : 15—26 waar uit een dubbeltal gekozen wordt onder leiding van de Apostelen (bijzonderlijk onder leiding van Petrus). In Hand. 6 : 2—6 wordt door „de menigte" gekozen, onder leiding van „de twaalven" ; terwijl de menigte „één van zin is, vol des Heiligen Geestes en der wijsheid". De Apostelen zeggen hier : „welke wij mogen stellen over deze noodige zaak" (na aanwijzing door de Gemeente). Zie ook Hand. 14 vs. 23 waar Paulus en Barnabas in elke gemeente, onder medewerking van de broederen, ouderlingen aanstellen. Sla ook maar op Titus 1 : 5, waar Paulus „een dienstknecht Gods en een apostel van Jezus Christus" (vers 1) aan Titus „zijn oprechten zoon" schrijft : „om die oorzaak heb ik u in Creta gelaten, opdat gij, hetgeen ontbrak, voorts nog zoudt terecht brengen en dat gij van stad tot stad zoudt ouderlingen stellen, gelijk ik u bevolen heb."

Degenen die dus in het ambt moeten worden gesteld, moeten onder leiding van de ambtsdragers worden gekozen en aangewezen: 2 Tim. 2 : 2 „en hetgeen gij van mij gehoord hebt onder vele  getuigen, betrouw dat aan getrouwe menschen, die bekwaam zullen zijn om ook anderen te leeren".

Het ambt moet dus de leiding hebben en de Gemeente moet haar medewerking betoonen.

Vlak na de Reformatie was men nog al bang voor „de menigte des volks" en wilde dan ook liever „de schare des volks" er buiten houden ! Men vertrouwde de Gemeente niet al te best. Op de Synode van Dordt in 1574 werd gezegd : „om de verwarring te vermijden, die uit de verkiezing des gemeenen volks ontstaan moet, is besloten, dat de Dienaren des Woords van den Kerkeraad beroepen zullen worden". En men weet, dat in de artikelen van Wezel eigenlijk de wensch wordt uitgesproken, dat de burgerlijke Overheid de predikanten maar zal benoemen, want men is bang voor het getwist in de Gemeente, die blijkbaar niet genoegzaam vertrouwd wordt....

En wat zegt de meest officieele Kerkorde, n.l. de Kerkorde van Dordt van 1619 ?

In Art. 5 lezen we : „Wat aangaat de Dienaren des Woords, zoodanige beroeping zal, zoowel in de steden als ten platten lande, geschieden door den Kerkeraad (met de Diakenen) met advies en approbatie (goedkeuring) van de Classis".

En Art. 22 luidt : „De Ouderlingen zullen door het oordeel des Kerkeraads en der Diakenen verkozen worden".

In Art. 24 volgt dan : „Dezelfde wijze, die van de Ouderlingen gezegd is, zal men ook onderhouden in de verkiezing der Diakenen".

- Memoreeren we ook nog even de Synode van Embden in het jaar 1571 — dan vinden we daar in Art. 13 van de Embdensche Kerkorde : „De Dienaren des Woords zullen door de Kerkeraden, met het oordeel der Classicale Vergadering of drie Dienaren uit genabuurde Kerken, verkozen worden. En verkozen zijnde, zullen zij aan de Gemeente worden voorgesteld, opdat zij óf door stilzwijgen der Gemeente aangenomen worden, óf, zoo daar iets was waarom de Gemeente in de verkiezing niet wilde inwilligen, binnen 15 dagen de Gemeente dat zou kunnen voortbrengen". En in Art. 14 volgt dan : „Dezelfde wijze zal men ook in de verkiezing der Ouderlingen en Diakenen houden".

In de Dordtsche Kerkorde van 1574 wordt extra gewaarschuwd voor een andere wijze van beroeping en verkiezing, want daar lezen we : „om de verwarring te vermijden, die uit de verkiezing door de geheele Gemeente ontr staan moet, is besloten, dat de Dienaren des Woords van den Kerkeraad beroepen zullen worden" ; terwijl dan in Artikel 27 staat : „Aangaande het verkiezen der Ouderlingen en Diakenen, zal vastgehouden worden aan Art. 14 van de Embdensche Synode, namelijk : dat de Kerkeraad het recht der verkiezing hebben zal".

En als men dan hiernaast nog eens legt Art. 4 en 12 van de Dordtsche Kerkorde van 1578 — en Art. 4, 15 en 17 van de Synode van Middelburg van 1581 — en Art. 4, 5, 20 en 22 van de Synode van Den Haag van 1586 — dan leest men overal : „Zoodanige beroeping zal, zoowel in de steden als ten platten lande, berusten bij den Kerkeraad".

Onze Gereformeerde Vaderen waren zóó nuchter, dat zij bevreesd waren voor „de verwarring" der menigte. Zij huiverden er voor terug om op sterk democratische manier aan „de menigte des volks" de leiding in handen te geven. Onze Gereformeerde Vaderen waren te veel aristocratisch in gezonden zin, om zóó maar alles over te laten aan „het volk. Het ambt en zoodoende de Kerkeraad stond voorop en bovenaan !

Maar tegelijk is onze Gereformeerde Kerk van ouds weer zóó democratisch geweest, dat zij de Gemeente heeft opgeroepen om „aanwijzing" bij de verkiezing tot het ambt te geven, door een grostal op te maken of, meer nog, uit een dubbeltal van den Kerkeraad te kiezen, aan den Kerkeraad overlatend om, gehoord en gezien de meening der Gemeente, te beroepen of te benoemen. Want men kan en mag de Gemeente er toch niet geheel buiten laten, om geen dwingende aristocratie te verkrijgen, die eenvoudig maar in een kleinen kring uitmaakt, wie er beroepen zal worden of wie er ouderling of diaken zal worden ! Dat is de Gemeente absoluut onmondig verklaren. En dat is in strijd met Gods Woord en onze belijdenis.

Wat zou dus — onder de huidige omstandigheden — misschien het mooiste zijn ? Dat de vergadering der stemgerechtigde lidmaten, saamgeroepen door den Kerkeraad, aanwijzing gaf wie er ouderling of diaken moet worden („geroepen door de Gemeente") en dat de Kerkeraad de predikanten beroept.

We kunnen best begrijpen, dat er hier en daar ontevredenheid is in de Gemeente, omdat de Kerkeraad alles maar alléén doet. En hoe ? Als er een Kiescollege was, zouden er misschien andere broeders in den Kerkeraad zitten en zouden er andere dominees beroepen worden.

We kunnen het ook best begrijpen, dat men voor een Kiescollege hier en daar bevreesd is „vanwege de verwarring die er komt als de geheele Gemeente moet medewerken".

Maar het is nu totaal willekeurig, dat b.v. de Vrijzinnigen in Den Haag zeggen, dat een Kiescollege zoo prachtig is — terwijl diezelfde Vrijzinnigen in Zwolle zeggen, dat een Kiescollege een ramp zou wezen. Hier is het beginsel totaal wèg en een vaste lijn is niet te bespeuren, 't Is enkel en alleen eigenbelang !

Wat zal daarom ons advies zijn ? We hebben geen algemeen advies.

Wij zijn principieele voorstanders van de leiding van het ambt en van de aanwijzing en medewerking van de Gemeente.

Wat misschien onder de huidige omstandigheden 't meest benaderd zou worden met : een Kiescollege ter benoeming van ouderlingen en diakenen en de Kerkeraad, die het beroepingswerk verricht.

We zouden zoo graag èn het ambt in z'n volle waarde laten èn de Gemeente niet, alsof zij een niets beduidende zaak ware, uitschakelen. (Hand. 1 vers 15—26 ; 6 vers 2—6 ; 14 vers 23).

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 25 april 1940

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's

KERKELIJKE RONDSCHOUW

Bekijk de hele uitgave van donderdag 25 april 1940

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's