NIENKE
FEUILLETON
VERHAAL UIT 'T FRIESCHE VOLKSLEVEN
(Met toestemming Uitgever J. H. Kok te Kampen) 46)
Zij stond dus niet heelemaal alleen op de wereld buiten degenen, die haar met bijzondere liefde als een eigen kind in hun huis hadden opgenomen. Neen, zij had nooit geweten, wat om harentwil geleden is, maar meer dan ooit kwam de pijn van dat lijden thans haar hart verscheuren, waar zij ook een leeftijd bereikt had, waarop het leven om voldoening en het hart om liefde vroeg. Was dat zonde van haar ? Maar lag dan niet in alle leven de drang om zich mede te deelen en te ontplooien, en te geven en een bodem te zoeken, waarin het zich overplanten kon, om tot grootere en meerdere openbaring te komen ?
O zeker, hare moeder had iets gedaan, wat niet mocht, wat in strijd was met de ordinantiën Gods en de wet der zeden. Zij zelf had in de eerste plaats dit diep gevoeld, getuige dat woord „misdaad" en de bede, dat God deze niet aan haar kind bezoeken mocht, maar was zij daarom slecht in den zin van verwerpelijk ?
En weer flitste als een weerlichtstraal in dat oogenblik die preek van ds. Buitenveld door het hoofd van Nienke, waarin hij het had over „Een zeker mensch". Was hare moeder ook niet zoo'n zeker mensch, op den weg van Jeruzalem naar Jericho in handen van moordenaren gevallen ? En weer las zij, heel langzaam, als om elk woord in haar ziel te griffen en de beteekenis daarvan te voelen, 't Was haar, alsof uit die woorden de beeltenis harer moeder voor haar stond en al duidelijker werd. Neen, een vrouw, die zóó schreef en voelde, was niet slecht. Daar klopte een hart in dien brief — ach, wist zij maar, of het in waarheid nóg klopte, óf dat het misschien reeds lang gebroken was. Als de kreet van een gewonde ziel, wier vlijmende smart het lichaam doorschokte en een uitweg zocht, kwam 't over hare lippen : „Moeder, moeder !"
Zacht streelend nam Gelske haar hoofd in beide handen en deed het rusten aan hare borst. „Stil maar, lieve", fluisterde zij ; „je bent immers niet alleen op de wereld, en wij meenen het zoo goed met je".
Ja, dat deden zij. Had Nienke daar wel goed aan gedacht en genoeg voor gedankt ? Maar het was haar immers veeleer geweest, alsof het vanzelf sprak dat Gurbe en Gelske en Jochem voor haar waren, gelijk dat was ? Zij noemde hen immers vader en moeder, evenals andere kinderen hunne ouders deden, en de knecht beschouwde haar als kind des huizes.
Doch dat was zij niet. Zij was geen kind ; zij was oorspronkelijk een wildvreemde, wier komst in deze wereld niet begeerd werd en. die dus, meer dan iemand anders, alles, wat zij bezat, diende te beschouwen als een groote gift, door God en menschen haar geschonken. Was Gurbe, zooals hij daar, diep in gedachten, de kamer op en neer liep, niet het toonbeeld van smart om harentwil en van goedheid tevens ; en wist zij dan óók niet, dat al het werken hier in de toekomst voor haar de vrucht zou afwerpen, waarmede de arbeid van Gurbe zoo rijk gezegend werd ?
Die gedachte drong thans tot haar door als nooit tevoren.
Plotseling richte Nienke zich op, sloeg de armen om den hals haar pleegmoeder om haar te kussen en greep daarop de hand van Gurbe. „Wat zijt gij goed voor mij geweest, en hoe zal ik daarvoor danken", bracht zij uit.
Maar dit begeerden zij niet. Als zij dit ééne maar mochten ontvangen : een beetje liefde van het kind, waarop die van hun eigen hart was overgegaan.
„En weet men niet, of moeder nog leeft ? En wie hare familie in Friesland is ? " vroeg Nienke. Doch op beide vragen moest men het antwoord schuldig blijven, 't Eenigste, wat misschien kon, was, dat men iemand als ds. Buitenveld vroeg, of deze ook kans zag de nog bestaande geheimen te ontsluieren. Tenminste, als Nienke daarop stond en dit aandurfde. Dien avond werd nog lang nagepraat. Vanzelf kwam ook de doek op tafel, waar Nienke als zuigeling zat ingepakt en al de teekenen van degelijkheid verried. Wellicht door de moeder met eigen hand voor haar gebreid.
Toen Jochem uit de Jongelingsvereeniging, waarvan hij, niettegenstaande zijn gevorderden leeftijd nog altijd lid was, thuis kwam, merkte hij aan alles, dat er iets bijzonders had plaats gegrepen. Nienke's oogen waren zoo rood, alsof zij geschreid had, en de baas was zoo stil.
Na zijn kopje thee te hebben gedronken, ging hij maar spoedig naar zijn slaapvertrek in het achterhuis. Heel Zevenhuizen lag al in rust, toen het licht bij Gurbe Huitema nog brandde, tot groote verwondering van de enkelen, als mijnheer Krips, die van een vergadering kwam, en Gabe Santema, die in „De Zwaan" het sluitingsuur had afgewacht, om toen nog een „afzakkertje" te nemen en daarmede de richting van „Donia-state" in te slaan. En toen de eerste stralen van den volgenden dag eindelijk door de reten van de blinden vielen, lag Nienke nog altijd wakker, zonder een oog te hebben geloken.
(Wordt vervolgd.)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 25 april 1940
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 25 april 1940
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's