De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Verslag van de Jaarvergadering

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Verslag van de Jaarvergadering

64 minuten leestijd

gehouden op Donderdag 25 April j.l. te Utrecht, in het Gebouw voor K. en W.

De vergadering die, zeer zeker onder invloed van de tijdsomstandigheden, waarbij we denken aan de mobilisatie en anderszins, niet zoo druk bezocht was als we de laatste jaren wel gewoon zijn geweest, werd weer gehouden in het Gebouw voor Kunsten en Wetenschappen,  Mariaplaats, Utrecht, en wel in de grote benedenzaal.

Precies half 11 opende de Voorzitter, ds. M. van Grieken, van Rotterdam, die voor het laatst als Bondsvoorzitter de leiding had, het samenzijn door te laten zingen Psalm 118 vs. 8 en 14. Gelezen werd Joh. 17, waarna het gebed volgde.

Het Openingswoord luidde aldus : Geachte Vergadering,

Verleden jaar zijn we ter vergadering geroepen onder omstandigheden, dat het kort voor den bestemden dag, lang niet zeker was dat we op reis konden gaan. Even te voren had de Minister-president dr. H. Colijn, de man, die bij zoo'n groot deel des volks het vertrouwen bezit, ons toegesproken door de radio en ieder voelde wel, dat de omstandigheden hoogst ernstig waren. Toch hebben we onze werkzaamheden kunnen verrichten toen. De goede zorg onzes Gods maakte alles wèl.

Heel veel is er sindsdien gebeurd ; wat tóen dreigde, maar was afgewend, is intusschen werkelijkheid geworden, vreeselijker dan we ons toen konden voorstellen. De dreigende oorlog is losgebroken en heeft zich telkens op ongedachte wijze uitgebreid. En nóg is het einde niet!

Niemand kan, ook niet bij benadering, zeggen hoe de dingen zich zullen ontwikkelen. Maar, als de Heere onze arme wereld niet bijzonder genadig is, valt er niets, goeds te verwachten, maar wel onnoemelijk veel ellende, op èlk gebied en overal.

De vorige vreeselijke wereldoorlog is de voedingsbodem geworden van haat en nijd, vijandschap en wraak, en bij het sluiten van den vrede werd de volgende oorlog geboren, om uit te barsten zoodra men maar even op adem was gekomen. En deze verwoede krijg ligt onder dure eeden, dat men niet zal eindigen vóór men elkaar vernietigd heeft. Een vergelijk schijnt uitgesloten.

Geen troost is ons overgebleven dan het geloof, dat Hij, die alléén helpen en redden kan, bekleed is met alle macht in den hemel en op aarde en maar te spreken heeft en het is er, te gebieden en het staat er.

Het boek der geschiedenis is ons weer bij vernieuwing voorgelegd, opdat we in verschrikkelijke klaarheid zouden lezen: wie Mij verlaat, heeft smart op smart te vreezen.

En het is Gods wondere genade, dat Hij in een booze wereld blijft zeggen :keer weder tot Mij en Ik zal Mij uwer ontfermen !

Mocht Zijn stem nog worden gehoord en Zijn raad ter harte genomen, dan is er bij den Heere verlossing, altijd geweest.

Dat is de eere van Hem, Wiens Naam Ontfermer is. De roem van Hem, die de geschiedenis maakt dwars door het vreèselijkst wereldgebeuren heen.

Ons hebben al deze dingen, die zoo duidelijke taal spreken, véél te zeggen. Als Kerk van Christus weten wij deze dingen zoo goed. En het is de bloedige illustratie van het woord : wie zonde vermeerdert, vermeerdert smart.

Met onze Hervormde Kerk staat het niet goed. En we behoeven waarlijk geen diepzinnige redeneeringen te houden — die ook zoo gemakkelijk kunnen afleiden van de hoofdzaak — bij het naakte feit, dat haat en nijd, afgunst en wraakgierigheid, laster en leugen, onze krachten verteren en verwarring en verarming brengen over ons.

Gewoonlijk kijken we een anderen kant uit, als wij als Geref. Bonders spreken over de ellende van de Kerk en het kerkelijk vraagstuk, dat moet worden opgelost. Dan zijn het de modernen, de ethischen, óok de confessioneelen, die het gedaan hebben en die het nóg doen. Door hen is al de ellende op kerkelijk gebied. Ook de Gereformeerden, die kerkelijk gescheiden van ons leven, zijn mee de oorzaak. En wij, Geref. Bonders, wij hebben nooit kwaad gedaan. Wij zijn dan ook de redders van de Kerk en we nemen er de politiek dan nog bij.

Maar intusschen worden we verteerd door haat en nijd, afgunst en wraakgierigheid. Waarbij wij, die geneesmeesters willen zijn, wel mochten luisteren naar het woord : geneesmeester, genees u zèlven !

Wij gaan liefst op deze dingen niet verder in.

Maar wij, die anderen beschuldigen dat zij afwijken van de Waarheid, wijken wij zelf niet af van de Waarheid ?

Voor 't laatst geroepen de Bondsvergadering te leiden, lust het ons allerminst te spreken over allerlei, dat zoo pijnlijk is en dat ons aanklaagt voor God en de menschen.

We hebben iets anders, dat ons voor den geest staat. Het is onze Heere Jezus Christus, biddend voor al de Zijnen, die in het midden der wereld, als Zijn Gemeente, een roeping hebben te vervullen, een goddelijke en heerlijke roeping. Wat zij alleen zullen kunnen doen, indien ze naar Hem willen luisteren ; wanneer zij zich tezamen rondom Hem willen scharen. Zijn stem willen hooren en in Zijne wegen willen wandelen, Zijn Woord willen gehoorzamen en Zijn waarschuwing ter harte nemen.

Het Hoogepriesterlijk gebed staat ons voor den geest. En indien men van ons laatste Openingswoord dit wil onthouden, dat het te midden van een oorlogvoerende wereld en in het midden van veel getwist op kerkelijk gebied, ging over het Hoogepriesterlijk gebed van Joh. 17, dan zullen wij ons van harte verheugen.

„Hieraan zal men zien, dat gij Mijn discipelen zijt, zoo gij liefde hebt onder elkander".....

Geve de Heere ons een goede vergadering in Zijn gunst, Kerk en Volk tot zegen.

Ik heb gezegd.

Direct daarop werd het woord verleend aan prof. dr. J. Severijn tot het houden van zijn referaat : Hij sprak als volgt :

Geloof en Openbaring.

Het optreden van prof. Barth heeft een eigenaardige beroering in de Theologenwereld teweeggebracht. Eigenaardig, omdat hetgeen door hem als theologie wordt aangediend, een eigen karakter draagt. En het is juist dat eigen karakter, hetwelk rechtmatigen - twijfel mag wekken, of wij hier met theologie, dan wel met een wijsgeerig-theologische speculatie van doen hebben.

Het ligt echter niet in de bedoeling deze vraag thans nader onder de oogen te zien, omdat zulk een onderzoek buiten de perken van een voordracht als deze valt. Zoo laten wij ook de afteekening buiten beschouwing, die zich vertoont in bepaalde kringen, welke open staan voor den invloed van deze theologie, terwijl dit bij andere, met name gereformeerde kringen, niet het geval is. Deze verschijnselen zijn niet willekeurig of toevallig. Zij kunnen verklaring vinden in de grondbeginselen, waarvan men uitgaat en in den gang der historische ontwikkeling, welke daarmede verband houdt.

Op één verschijnsel willen wij echter wijzen. De ervaring leert, dat de ingezonken belangstelling voor het dogma en de dogmatiek bij velen werd vernieuwd, die van de kennis der belijdenisschriften zelfs vervreemd, daartegenover nochtans een afwijzende houding aannamen. Dit kan men in ieder geval een voordeel noemen, ook al is dit niet onverdeeld een voordeel.

Men kan zeggen, dat de belangstelling voor het dogma gaat herleven, maar dit is niet hetzelfde als de herleving van het dogma, of liever van het geloof, waaruit het dogma is opgekomen en waaraan het uitdrukking geeft.

Een intellectueele waardeering van het dogma met daarmede verband houdende beschouwingen en redeneeringen, welke dikwijls een critisch karakter dragen, is nog wat anders dan de geloofswaardeering en het belijdend karakter.

Het dogma toch is maar niet een individueele opvatting omtrent een of ander stuk des geloofs, dat in engeren of breederen kring aanhang vindt en voor waarheid wordt gehouden. Zulk een waardeering doet onrecht aan den aard en het gezag, welke daaraan door het geloof wordt toegekend.

Integendeel gaat de naam en de gezaghebbende zin van het dogma terug op de Heilige Schrift. Deze spreekt in Hand. 16 : 4 van verordeningen en blijkens het daar in den grondtekst gebruikte woord dogma staat het buiten twijfel, dat de beslissing van de apostelen en ouderlingen in de bekende vergadering te Jeruzalem (Hand. 15) door dezen als gezaghebbende beslissing is gewaardeerd, waaraan men zich te houden had. De Schrift voert het gezag terug op dat van den Heiligen Geest. (Hand. 15 : 28) en de gemeenten werden vermaand deze besluiten, d.i. dogmata, te onderhouden. Zij gaven haar deze beslissingen over om te onderhouden. (Hand. 16 : 4).

Deze beteekenis van het dogma kan dan ook niet worden betwist, aangezien daarvoor een vast bewijs ligt in de keuze van het woord. De mannen van Jeruzalem hebben zeer wel geweten, dat het woord dogma en verwante uitdrukkingen in het profane leven werden gebruikt om een beslissing der Overheid, b.v. van den keizer, aan te duiden. Als wij in Lukas 2 lezen, dat er een gebod uitging van den keizer Augustus, dan staat daar hetzelfde woord: er ging een dogma uit van den keizer Augustus.

Het is trouwens bekend, dat lang vóór den tijd van Augustus de gezaghebbende beteekenis van het woord dogma door het gebruik was geijkt.

De apostelen zouden dit woord niet gekozen hebben, indien zij niet welbewust uitdrukking hadden willen geven aan deze beslissende en gezaghebbende beteekenis van het te Jeruzalem genomen besluit.

De belijdenis der kerk maakt dientengevolge rechtens aanspraak op zulk een waardeering en wie haar of eenig stuk (dogma) der belijdenis als een opvatting beschouwt, waartegen men met gelijk recht zijn persoonlijk, gevoelen zou mogen stellen, doet daardoor tekort aan den aard en de beteekenis der belijdenis of het stuk, dat in het geding is.

Wij raken hiermede een zwakke plek aan, welke zich in de discussie over het dogma spoedig laat constateeren. Al te zeer is men vervreemd geworden van het standpunt des geloofs, waarvan de belijdenis rekenschap en getuigenis, geeft, om niet gemakkelijk en misschien zelfs onbewust het dogma in het debat te brengen op een wijze, die daaraan geen recht doet wedervaren.

Dit verschijnsel is in het licht der historische ontwikkeling zeer zeker verklaarbaar, maar verdient niettemin afkeuring en correctie. Naarmate in vroegere eeuw het leven des geloofs verzwakte en plaats inruimde voor een dor dogmatisme, dat als een soort kerkelijke philosophie allengs verder afweek van den levenden grondslag der religie, nam een geest der verlichting heerschappij. Hij maakte zich los van het dogma des geloofs om bij het licht der rede de vraagstukken des levens op te lossen en de normen vast te stellen.

Dat alles is niet op één dag geschied, maar voltrok zich in een langdurig proces, dat door verscheidene generaties heenging. Het laat zich ook verstaan, dat de voortrekkers en eerste volgelingen der verlichting niet, opeens zich konden ontdoen van de traditioneele elementen in hun denken en gevoelen. Men wierp het dogma niet op eenmaal van zich, maar worstelde daarmede, maakte het allengs tot een vloeibare substantie, tot een beschouwing en opvatting, waarover men ook anders kan denken, al of niet met behoud van een zeker waarheidsgehalte, dat men daaraan wilde toekennen.

Langs zulk een weg gingen beschouwingen en leertypen overheerschen en zonk het dogma zelf weg uit het algemeen bewustzijn. Het gevolg van dit alles moest zijn, dat de herleefde belangstelling het dogma weervindt als een opgegraven document uit het verleden, een stuk historie, dat versteend is, tot hetwelk men nadert met het modern bewustzijn en zijn probleemstellingen omtrent religie, geloof, openbaring, kerk, etc.

De wijsgeerige geest maakt alles tot probleem en neemt de vrijheid ook God en Zijn Woord problematiek te stellen. Zoo behoeft men zich niet te verwonderen, dat de genoemde zaken ditzelfde lot ondergaan en in de algemeene discussie worden geworpen. Men moet daarom niet overhaast verwachtingen koesteren van de belangstelling voor het dogma, waar die tot voor enkele jaren niet werd gevonden, alsof de theologische wereld bezig is zich onder zijn gezag te voegen.

Men denkt over de geloofsvraagstukken, zooals de verlichting daarover heeft leeren denken, hetzij in de volharding van de hegemonie der zuivere rede, hetzij onder invloed van de mystieke reacties der z.g. levensphilosophie, maar men denkt er over, zooals men er- bij wijze van spreken - ook zonder dogma over denken zou. Het dogma wordt in de discussie betrokken.

Anderzijds moet worden opgemerkt, dat een en ander niet zonder uitwerking blijft op degenen, die daaraan deelnemen. Het geeft een verandering van sfeer en toon, welke vooreerst nog een eerbiedige, distantie onderhoudt tot de getrouwen aan de traditie en laat mij zeggen : den ouderwètschen stijl van gereformeerdheid. Ondanks alle orthodox-klinkende termen is men zich klaarblijkelijk bewust van het nog wat anders zijn, dat men niet wil of niet kan deelen.

Wij willen daarom over geloof en openbaring spreken en daarin gelegenheid vinden deze kloof aan te wijzen.

Nog eens komen wij terug op den naam en de autoriteit van het dogma. En hoewel ook in den kring der traditie het individualisme op allerlei manier knabbelt aan het gezag der belijdenis, hetwelk niet weinig door de kerkelijke verwarring wordt bevorderd, moet men wel bedenken, dat wij reeds op het terrein van het geloof ons bewegen, als wij met een beroep op Gods Woord voor de waardigheid van het dogma opkomen.

Wie in waarheid instemt met de belijdenis des geloofs, staat in de werkelijkheid van het geloofsleven, heeft deel aan de kennis der verborgenheden, welke God eertijds door de profetie en in de volheid des tijds in het vleéschgeworden Woord heeft geopenbaard.

Voor hem is het geloofsleven geen zaak, die op een afstand in den vorm der belijdenis tegenover hem staat, maar hij staat er midden in.

Zoo staat, het ook met het stuk der openbaring. Waar een levend geloof is, daar is de openbaring Gods werkzaam, wordt in haar geestelijke werkelijkheid en werking gekend. De vraag, of God Zich door Zijn Woord en Geest openbaart, zou absurd en zinloos zijn voor hem, die de Waarheid Gods belijdt. Zulk een vraag zou het persoonlijk belijden te niet doen. Het spreekt dus vanzelf, dat geloof en openbaring als levende werkelijkheid gekend, uit die werkelijkheid getuigen, d.i. belijden.

Zoo gaat het dus in de allereerste plaats om het leven zelf. De religie is leven uit de Godsopenbaring, leven uit en door de geestelijke gemeenschap met God in Christus Jezus. Uit dat leven is de belijdenis, het dogma opgekomen, en in de gemeenschap aan dat leven wordt het in zijn zin en gezag verstaan.

Wie daarover spreekt als een zaak op een afstand, die buiten hem staat, bevindt zich voor een onbekende zaak, zoo hij het leven des geloofs niet deelt, of moet zich ontledigen van betrekkingen, die hem alleen mogelijk maken daaromtrent kennis te dragen.

Wij beriepen ons op het gezag der Heilige Schrift. Ook daarmede is het precies gelijk. Het beroep op Gods Woord is op zichzelf reeds een daad des geloofs. Het gezag des Woords kan op grond van traditie worden aanvaard, doch voor het Woord te buigen is een gave Gods, een daad van geloofsgehoorzaamheid, welke eigen is aan de gezindheid, die vrucht en kenmerk van het leven des geloofs is.

Waar dat ontbreekt, is een woord van Paulus of een der apostelen en profeten een uitspraak naar tijd en gelegenheid, een opvatting, die geen meerder gezag behoeft te hebben dan men daaraan naar het oordeel der omstandigheden meent te mogen toekennen.

Geheel anders wordt het, wanneer men de apostelen en profeten ziet als een wolk van getuigen, die uit de fontein des levens en der Godsopenbaring hebben gesproken als organen van Gods Geest, opdat de verborgenheden Gods den menschen bekend werden. Wanneer men zich met de kerk des Heeren in de gemeenschap van het leven door het geloof verbonden weet, wordt het Woord in Zijn goddelijke kracht en waardigheid verstaan. Daarin ligt ook de waardeering van het gemeenschappelijk belijden. De kerk des Heeren belijdt. Het leven der kerk drukt zich uit in het dogma.

En als men in onze dagen van herlevende belangstelling telkens weer wijst op 't feit, dat de belijdenis zelf het dogma onder het gezag der H. Schrift stelt, zoodat zijn gezag geenszins daarboven en ook niet daarmede op één lijn wordt geplaatst, is dat op zich zelf juist en ook een stuk des geloofs. Dit echter kan geen vrijbrief zijn om het aan een critiek te onderwerpen, welke niet door de norm van de religie der Heilige Schrift wordt beteugeld.

Het ligt toch voor de hand, dat men aan het dogma alleen recht doet, wanneer men het toetst aan de norm, waarop het zelf wijst en waaraan het alleen gemeten wil worden. Het gaat niet aan, de belijdenis der kerk onder de rationeele normen der moderne probleemstelling te plaatsen en daartoe vrijheid op te eischen door haar te herinneren aan de betrekkelijkheid van haar gezag.

Die betrekkelijkheid is er inderdaad — maar betrekkelijkheid is afhankelijkheid — in dit geval afhankelijkheid van Gods Woord, zooals de kerk der eeuwen dat verstaat, en niet afhankelijkheid van de beginselen eener speculatieve theologie.

Behalve de distantie tusschen het leven des geloofs en zulk een belangstellende bezinning op het dogma als historisch document van een voorbijgegane periode, dreigt ook in de lijn der traditie het gevaar van verwijdering. Ook in den kring der belijders roept het dogma vragen op voor het verstand. Daaraan kan de systematische arbeid der dogmatiek tegemoet komen, als zij het onderling verband der geloofsstukken in het licht wil plaatsen, doch ook de orthodoxe dogmaticus kan zich laten verleiden tot bespiegelingen en scholastieke oefeningen, die evenzeer de perken te buiten gaan, welke aan de kennis des geloofs zijn gesteld.

De theoloog moet zich voortdurend bewust blijven van het feit, dat hij in de verborgenheid niet verder kan intreden met zijn verstand dan Gods openbaring veroorlooft. Telkens weer kan men bij Calvijn de waarschuwing ontmoeten om niet curieuselijk de verborgenheden Gods te onderzoeken. Wij kennen ten deele en zijn geroepen de tucht des Woords ook in dit opzicht te betrachten.

Het blijkt telkens weer in de onderlinge strijdigheden, dat men op eigen opvattingen en meeningen doordraaft, zonder nauwkeurig onderzoek aangaande de dingen, die in het geding worden gebracht. De discussie over het Doopsformulier en de daarmede verbonden vragen kan dat duidelijk aantoonen.

Het is daarom van het grootste belang, dat men zich steeds voor oogen houdt, zoodra het gaat over de belijdenis of een stuk daarvan, dat men van doen heeft met een uitspraak der kerk van uit de religie der Schriften. Gemeten aan dit criterium, moet het dogma zijn gezag inboeten, indien het dien toets niet kan doorstaan.

Het tweede punt, waarop de aandacht moet gevestigd, is dit, dat de vorm der belijdenis mede stamt uit den tijd, waarin zij door de strijdende kerk werd gegoten, maar dat de inhoud getuigt van het leven, dat uit de fontein der goddelijke genade opwelt en in zich zelf onvergankelijk is. Eén geloof, één doop en één Heere zal in alle eeuwen de gansche gemeenschap van Gods kerk bepalen..

Geloof en openbaring zijn onlosmakelijk verbonden, zoowaar het geloof vrucht van . openbaring is. Voor het geloof is het geen vraag, of openbaring mogelijk is, wijl het uit de werkelijkheid leeft. Het geloof schouwt in alle werken Gods openbaring, omdat het die als werken Gods ziet. Het is immers juist het geheel bijzondere en eigene des geloofs, diat het leeft uit de betrekking tot de onzienlijke dingen Gods, als ziende den Onzienlijke. Het is een vaste grond der dingen, die men hoopt en een bewijs der zaken, die men niet ziet. (Hebr. 11).

Het geloof onderstelt een levende betrekking tot God, die op geheel het wezen van den mensch, op al zijn gaven van verstand en hart uitgaat. Het geloof is een levensbetrekking, die geestelijk van aard is, en door God wordt tot stand gebracht. Het geloof is een gave Gods.

Ook in ons aardsche leven kunnen wij op levensbetrekkingen wijzen. Zoo zijn de betrekkingen van bloedverwantschap werkelijkheden, die onze saamleving bepalen in gezin en familie, en ons als een volk onderscheiden van anderen. Er zijn dergelijke betrekkingen van velerlei aard. Wij zeggen : ik heb betrekking op dien man en bedoelen, dat wij gemeenschap met hem gevoelen. De levensbetrekkingen spelen een voorname rol in het organisme van ons leven.

Zoo is het nu ook met die geestelijke levensbetrekking, welke wij geloof noemen. Zij brengt gemeenschap tusschen degenen, die in dezelfde levensverhouding staan en geeft openbaring aan het organisme van de kerk in haar werkelijkheid als het lichaam van Christus. In het geloof wordt die gemeenschap manifest. Zoo hebben in een vroegere eeuw allen, die den strijd des geloofs op leven en dood hebben gestreden, uiting gegeven aan hun gemeenschappelijk geloof in de belijdenis, die wij kennen. Wie nu in een latere eeuw werd geboren en door Gods genade tot de uitnemende kennis van Christus werd geroepen, leeft uit dezelfde levensbetrekkingen, die hem in dezelfde gemeenschap verbinden, n.l. in de gemeenschap van het lichaam van Christus.

Hetzelfde leven, waaruit de vaderen hebben geleefd, is het leven van Gods kinderen in onzen tijd en in alle tijden, want zij leven allen uit één en denzelfden Middelaar en Verlosser, worden geleerd door één en denzelfden Geest, naar alles wat de Heere in Zijn Woord heeft geopenbaard.

Wanneer het geloof van de kerk spreekt, ziet het niet op een gebouw van hout of steen, noch op een aardsche organisatie, maar op de gansche vergadering der kinderen Gods, die in Christus geheiligd zijn.

Het geloof ziet immers op de onzienlijke dingen, niet op het veranderlijke, maar op het onvergankelijke. Ook in betrekking tot de belijdenis gaat dat door. Het geloof eert de belijdenis niet om den vorm, maar om het getuigenis der Waarheid. Het ontmoet zich zelf in de belijdenis van het voorgeslacht en ontdekt zijn gemeenschap met het getuigenis dergenen, die overlang gestorven zijn. De belijdenis wordt gezien als belijdenis der kerk omtrent hetgeen zij ontvangen heeft door den Heiligen Geest. Daarin ligt de grond van haar gezag:

Nog een andere zijde moet in het licht gesteld. Wij zouden immers spreken over geloof en openbaring. Welnu, hoe zou een levende betrekking van God tot den mensch, waarvan het geloof getuigt en gelijk het geloof ook is, wat anders zijn dan openbaring ?

ledere levensbetrekking is een werk Gods en als zoodanig is iedere levensbetrekking in beginsel gezien reeds openbaring. Om dit geheel te zijn is noodig, dat zij ook gekend wordt. Men zou kunnen zeggen : openbaring is een gekende levensbetrekking.

Dit sluit dan in, dat ook het menschelijk kennen gen goddelijk werk is. Zoo openbaart God Zich in al Zijn werken, doch dit zou niet bekend zijn, als Hij het niet te kennen gaf en niemand kan het verstaan, tenzij het hem te kennen gegeven wordt. Het geloof nu is een werk Gods tot kennis en als zoodanig niet alleen openbaring in objectieven, maar ook in subjectieven zin.

Zien wij nu op het kennen der dingen in den gewonen, alledaagschen zin, het gewaar worden, waarnemen, en het kennen in wetenschappelijken zin, dat het verband zoekt tusschen de verschijnselen, dan is ook dit vermogen een gave Gods, vrucht van een daad Zijner scheppende majesteit.

Dezelfde God, die alle dingen in het aanzijn riep en onderhoudt, heeft ook het oor geplant en den mensch een kenvermogen geschonken. Het is er en kan er alles slechts zijn door de alomtegenwoordige en almachtige kracht Gods. Hij bestiert dat alles in Zijn voorzienigheid. Ook daarin staan wij voor een wereld van openbaring.

Toch verschilt deze kennis van de kennis des geloofs, omdat het geloof niet ziet op de dingen, die voor oogen zijn, maar op de dingen, die niet gezien worden, d.i. op het goddelijke, dat zich daarin openbaart. De geloofskennis draagt een geestelijk karakter, opkomende uit en gericht op de openbarende werkzaamheid Gods.

Wij komen nu van zelf tot art. 2 der Ned. Geloofsbelijdenis. Wij kennen Hem door twee middelen. Gewoonlijk spreekt men kort en bondig van de openbaring in natuur en Schriftuur, ook wel van algemeene en bijzondere openbaring.

Het artikel is ons bekend. Ten eerste door de schepping, onderhouding en regeering der geheele wereld ; overmits deze voor onze oogen is als een schoon boek, in hetwelk alle schepselen, groote en kleine, gelijk als letteren zijn, die ons de onzienlijke dingen Gods geven te aanschouwen, n.l. Zijn eeuwige kracht en goddelijkheid, als de apostel Paulus zegt, Rom. 1 : 20 ; welke dingen alle genoegzaam zijn om de menschen te overtuigen en hun alle onschuld te benemen.

Ten tweede, geeft Hij zichzelven ons nog klaarder en volkomener te kennen door Zijn heilig en goddelijk Woord, t.w., zooveel als ons van noode is in dit leven, tot Zijne eer, en de zaligheid der Zijnen.

Bij nader inzicht zal dit artikel niet zoo eenvoudig blijken te zijn als sommigen dat willen verstaan.

Daarom wijzen wij er met nadruk op, dat dit artikel geloofsbelijdenis is, d.w.z. wij hebben van doen met een geloofswaarheid.

Het geloof legt getuigenis af omtrent een waarheid, die het ziet en waarvan het gewis is : n.l. dat God zich te kennen geeft en dat de gemeenschap der geloovigen Hem kent door de schepping, onderhouding en regeering der wereld.

Zij drukt dat uit in het schoone beeld van een boek, waarin alle dingen als letteren zijn. Men kan daaruit de conclusie trekken, dat de wereld als zulk een boek van goddelijke openbaring daar open ligt voor allen. In dien zin kan men de schepping, onderhouding en regeering der wereld, dus de gansche wereld in al de verscheidenheid harer verschijning Godsopenbaring noemen en van algemeene openbaring spreken. Anders uitgedrukt in objectieven zin, als objectief gegeven, kan men van algemeene openbaring spreken.

Toch gewaagt dit artikel slechts zeer zijdelings van zulk een algemeene openbaring, zooals wij zullen aantoonen.

Immers als het aanvangt met een „wij kennen Hem", dan is daar de gemeente des Heeren aan het woord. De kerk getuigt, dat zij leest in het boek der schepping. Deze waarheid behoeft geen Schriftbewijs te zoeken, omdat deze stem ons veelvuldig tegenklinkt. Denk aan Psalm 19 : ,,De hemelen vertellen Gods eer en het uitspansel verkondigt Zijner handen werk"; denk aan de z.g. natuurpsalmen en aan zoo menige plaats in de profeten.

Het profetisch oor beluistert de sprake Gods in de schepping en schouwt haar als voortgekomen door het Woord Zijner kracht en den Geest Zijns monds, en Paulus hoort in haar zuchten den arbeid der geboorte van een nieuwen hemel en eene nieuwe aarde. Dat is ook openbaring. „Wij verwachten nieuwe hemelen en een nieuwe aarde, in welke gerechtigtigheid woont". (2 Petr. 3 : 13).

Als de kerk des Heeren deze dingen belijdt en alzoo van het boek der schepping getuigt, omdat zij de onzienlijke dingen Gods daarin vermag te lezen, beduidt dat echter nog niet, dat alle menschen dat vermogen.

Tot dusverre spreekt de geloofsbelijdenis dus niet over een algemeene openbaring in subjectieven zin. Het is toch duidelijk, dat alleen in geval alle menschen de taal van het boek der schepping verstonden, van een eigenlijke algemeene openbaring zou kunnen woorden gewaagd. Dat echter belijdt de kerk hier niet.

Zijdelings echter raakt deze belijdenis de kwestie toch aan door het beroep op Rom. 1 : 20. Paulus getuigt, dat de toorn Gods wordt geopenbaard van den hemel over alle goddeloosheid. Hij geeft hier onderwijs omtrent een zaak, welke hij naar de gaven, welke hem geschonken zijn, in de wereld ziet. Zoo ziet hij het bij het licht van den Heiligen Geest.

Hij laat het echter niet alleen bij deze mededeeling, maar geeft daarvan nader rekenschap. Hij ziet n.l. dat het kennelijke Gods in de menschen openbaar is, en wel, omdat God het hun heeft geopenbaard.

Wat hij het kennelijke Gods noemt, wordt dus door de menschen gekend. Paulus kan hierin moeilijk worden misverstaan. Hij ziet de openbarende daad tweeledig : objectief en subjectief. Daar is een kennelijke Gods en dat kennelijke heeft God den menschen geopenbaard. Dit wordt nog bevestigd in den redegevenden bijzin, welke hij daaraan heeft toegevoegd : want Zijne onzienlijke dingen worden van de schepping der wereld aan, uit de schepselen verstaan en doorzien, beide Zijn eeuwige kracht en goddelijkheid — (verklaring van het kennelijke Gods) —, opdat zij niet te verontschuldigen zouden zijn. (Zie Rom. 1 : 18 v.v.).

Zonder beding leert de apostel Paulus dus een algemeene openbaring van het kennelijke Gods, d.i, Zijn eeuwige kracht en goddelijkheid.

En nu wordt de toorn Gods daarin openbaar, dat zij : God kennende. Hem als God niet hebben verheerlijkt of gedankt. Zij zijn verijdeld geworden en hun onverstandig hart is verduisterd geworden.

Deze plaats nu en daarmede in verband, wat Paulus in Rom. 2 : 14 en 15 zegt over het van nature doen de dingen, die der Wet zijn, gevoegd bij de ervaring, dat ook de heidenen over God en goddelijke dingen gesproken hebben, waarbij men v.n. het oog had op de 'Grieksche wijsbegeerte, is aanleiding geworden, dat de menschen van een natuurlijke Godskennis hebben gesproken.

Zij bedoelen daarmede, dat de menschen een zelfstandig orgaan of vermogen zouden hebben om zich zekere kennis van God te verwerven.

In de nieuwere theologie, waarvan wij in den beginne hebben gesproken, is dit zelfs een strijdpunt geworden, dat tusschen haar voortrekkers Barth en Brunner tot verwijdering heeft geleid. De laatste zoekt daarin n.l. zijn aanknoopingspunt met de openbaring, de eerste wil van geenerlei natuurlijke religie of theologie weten. Alle Godskennis is volgens hem vrucht van openbaring in het vleeschgeworden Woord.

Nu heerscht omtrent de vraag eener natuurlijke Godskennis heel wat misverstand, omdat men bij de behandeling dezer vraag het verband uit het oog verliest van het stuk der schepping en onderhouding of de voorzienigheid Gods.

Zoodra men zich rekenschap geeft van wat Schrift en belijdenis daaromtrent leeren, moet het opvallen, dat te spreken van een zelfstandig orgaan of vermogen van Godskennis in den mensch daarmede in strijd komt.

Wat wil men zich voorstellen bij zulk een zelfstandig vermogen ? Soms een vermogen, dat onafhankelijk van Gods voorzienigheid werkt ? Wie kennis heeft genomen van het feit, dat de leer der goddelijke voorzienigheid bij de reformatoren zulk een groote plaats inneemt en let op hetgeen zij dienaangaande leeren — weet, dat zij geen beweging of roering der schepselen buiten de voorzienigheid toelaten. Calvijn wijdt daaraan uitvoerige beschouwingen en legt ook de innerlijke bewegingen des harten in de hand der voorzienigheid, gelijk de Schrift leert, dat geen schepsel zich tegen Gods wil roeren of bewegen kan. Ook zelfs de booze overleggingen van den moordenaar noemt Calvijn, zonder nochtans hem van schuld vrij te pleiten.

Hoe kan men dan denken aan een zelfstandig vermogen van Godskennis om een z.g. natuurlijke religie te verklaren. Ook alles wat wij voor natuur en natuurlijk houden, wordt gedragen door de almachtige en alomtegenwoordige kracht Gods.

Daarmede komt ook Paulus' woord overeen. Immers Gods toorn openbaart zich daarin, dat zij God kennende Hem niet hebben verheerlijkt of gedankt.

Wat de menschen over natuurlijke Godskennis bazelen, gelijkt dus veeleer een uitvlucht om aan Gods souvereiniteit te ontkomen, dan waarheid, omdat ook die z.g. natuurlijke kennis van het kennelijke Gods vrucht van een openbarende daad Gods is, welke tot allen uitgaat en bij allen het besef van Zijn eeuwige kracht en goddelijkheid werkt.

Dat heeft met eenig zelfstandig vermogen niets uit te staan. De souvereiniteit Gods en de verhevenheid van Zijn Wezen sluiten in, dat niemand ook maar een besef van de Godheid kan hebben zonder Zijn wil.

Doch om een schrede tegemoet te komen aan degenen, die aan een zelfstandig (natuurlijk) vermogen denken, stel, dat het zoo ware, dan nog zou zulk een vermogen een schepping Gods zijn en een zoodanige mate van kennis geven als Gode behaagt daaraan te schenken.

Doch daar is nog wat anders. Daar kan zulk een Godskennis, al of niet uitgebreid door het licht des Woords aanwezig zijn, zonder religie of godsvrucht. Waar geen vreeze God is, zegt Calvijn, daar kan eigenlijk niet van Godskennis worden gesproken.

En men versta wèl, dat Calvijn nadrukkelijk daarbij zegt, dat hij nog niet de zaligmakende kennis Gods bedoelt, maar de kennis van God den Schepper als de Fontein van alle goeds, opdat wij geen ding ter wereld zoeken buiten Hem, opdat wij leeren zouden al deze dingen van Hem te verwachten en af te smeeken en Hem met dankzegging te erkennen als den Gever van al deze dingen. (I. 2.1.)

Derhalve is ook zulk een gezindheid een gave Gods, zoodat Paulus een openbaring van Gods toorn ziet in de wereld, die zulk een gezindheid niet vertoont.

Op grond van de Heilige Schrift kan men dus met recht van een algemeene openbaring spreken, doch niet van een algemeene godsvrucht en gezindheid om God te verheerlijken en te danken.

Verstaan wij dus het woord religie in den zin van godsvrucht, dan is het ook onjuist van haar als algemeen verschijnsel te spreken. Maar het is openbaar, dat men de religie als algemeen verschijnsel zulk een zin niet toeschrijft: men bedoelt daarmede, dat alle volkeren bewijzen een besef der godheid te hebben op een soortgelijke manier als Paulus zulks bij de Atheners aantrof en aanleiding vond om hen op het gebrek aan Godsvrucht te wijzen. Vandaar dat hij hun aandacht vestigt op de bovengenoemde stukken : schepping, onderhouding, voorzienigheid, en tenslotte ook het oordeel. (Zie Hand. 17 : 15 v.v.)

Wij komen thans weer tot art. 2 der geloofsbelijdenis. Wat de menschen niet gevoelen, ondanks de openbaring der eeuwige kracht en goddelijkheid, dat schenkt de Godsvrucht, die aan de ware religie eigen is.

De godvruchtige ziel belijdt met de kerk, dat het zoo is en dat zij het alzoo gevoelt.

Zulk een gevoelen ontbreekt nu aan den mensch, zooals hij onder den toorn Gods bestaat. Daarin wordt het oordeel Gods openbaar over de goddeloosheid en ongerechtigheid onzer verdorven natuur. En het is door de barmhartigheid Gods, dat hij den mensch niet overgeeft in het rechtvaardig oordeel, doch een volk roept uit de duisternis tot Zijn wonderbaar licht, zoodat er nog Godsvrucht op aarde wordt gevonden.

De belijdenis des geloofs is — wij zeggen dit ter verduidelijking van het geschil — getuigenis der Godsvrucht. Dat is meer dan een verstandelijk kennen. Zij is vrucht van een genadedaad Gods, opwellende uit de Fontein van alle goed en het beginsel der ware religie.

In het verband met de z.g. algemeene openbaring, wordt veeltijds de vraag gesteld, of Adam, in rechtheid staande gebleven, een volkomen kennis uit het boek der schepping zou hebben kunnen verwerven.

Deze vraag heeft om tweeërlei reden geen zin. Zonder twijfel vermocht Adam onder de voorzienigheid Gods in het boek der schepping te lezen. Hij was niet als een oude man, wiens oogen verduisterd waren.

Doch — wie meent, dat Adam op het boek der schepping was aangewezen, vergist zich. De Heilige Schrift leert duidelijk, dat God zich persoonlijk aan Adam openbaarde. Wat wij plegen bijzondere openbaring te noemen, heeft hem niet ontbroken. (Gen. 2 : 15 v.v.) Daarom wijst Calvijn er op, dat de kerk altoos Gods Woord heeft gehad. Hij bedoelt niet, dat zij altoos den Bijbel heeft gehad, maar het Woord Gods, dat tot haar kwam. En dan verder kan er op gewezen, dat Adam niet is gevallen wegens gebrek aan Godskennis, maar door moedwillige ongehoorzaamheid, Hij' volhardde niet in godsvrucht en heeft de kennis van God verijdeld.

Intusschen is dus ook op Adam in rechtheid de belijdenis van art. 2 van toepassing, dat hij God kende door twee middelen : de schepping, onderhouding en regeering der wereld, enz., en het Woord Gods, dat tot hem kwam. Men kan ook niet weerspreken, dat deze kennis klaarder en volkomener was.

Dit wordt ook toegegeven door hen, die een bezwaar inbrengen tegen art. 2 van de zijde der nieuw-protestantsche theologie. *) Voor Adam in rechtheid geeft hij het in dien vorm toe, maar niet voor den gevallen Adam. Voor dezen geldt het klaarder en volkomener niet, omdat de gevallen mensch - alleen de openbaring des Woords zou hebben.

Wij hebben reeds aangetoond, dat dit niet juist is en ook uit Paulus' woord in Rom. 1 : 20 niet kan worden genomen. Dr. K. voert den strijd tegen een natuurlijke religie. Ook daaromtrent hebben wij in het vorige genoegzaam gehandeld. De „kortsluiting", die hij bij Paulus waarneemt, sluit geenszins de kennis van Gods kracht en goddelijkheid uit, maar Paulus wijst op het gemis aan Godsvrucht. Voorts ziet dr. K. voorbij, dat de geloofsbelijdenis uit het geloof ziet. Het geloof ziet, dat God zich in de werken der schepping, onderhouding en regeering der wereld openbaart, gelijk het geloof de voorzienigheid Gods belijdt, omdat het daaruit leeft. Die waarheid des geloofs wordt niet te niet gedaan door de duisternis en ongehoorzaamheid van den verdorven mensch, nog veel minder door de genade Gods, die zich in Jezus Christus heeft geopenbaard.

En wanneer de mensch door die verlichting des verstands door den Heiligen Geest ook weer iets van de voorzienigheid Gods leert verstaan, blijft toch, dat Hij boven de kennis van Zijn eeuwige kracht en goddelijkheid klaarder en volkomener kennis van de deugden Gods verkrijgt door Zijn Woord. Ook wanneer wordt toegestemd, dat de gevallen mensch door den bril van Gods Woord in het boek der schepping leert lezen, blijft toch de belijdenis van het klaarder en volkomener van kracht.

Het verschil ligt aan de zijde van het subject. Indien men het zoo neemt, dat God zich alleen in het vleeschgeworden Woord heeft geopenbaard, zoodat alleen in Hem de geopenbaarde God is en de mensch daarvan slechts door een onbegrijpelijke werking kennis krijgt, zonder deel te hebben aan Zijn leven, dan schijnt het verschil toegelicht. Doch dan blijkt, hoe zulk een standpunt een miskenning van het leven van Gods kerk zou verraden, die zeker niet reformatorisch is. Daarom hebben wij de aandacht gevestigd op het leven en den onmiddellijken samenhang tusschen geloof en openbaring. Geloof is openbaring. Gods Geest getuigt met onzen geest, dat wij kinderen Gods zijn.

De vraag is gesteld, hoe het staat met de verhouding van geloof en openbaring ? Indien er van tijdsorde sprake kan zijn, wat gaat vooraf ? In verband daarmede werd gedacht aan datgene, wat Calvijn opmerkt over zelfkennis en Godskennis.

De bedoeling kan voorts worden weergegeven in een andere vraag : moet men spreken van geloof en openbaring, of van openbaring en geloof ?

Zeggen wij daarop, dat God altoos de Eerste is, de Eerste in het werk der schepping en daarom ook de Eerste in openbaring, dan is het duidelijk, dat openbaring temporeel gedacht vooraf gaat aan het geloof. Daar moet eerst een wezen zijn, dat uit het geloof leven kan, zal er van geloof sprake kunnen zijn.

Toen de Heere dien mensch naar Zijn beeld schiep, was dit een openbarende daad, omdat die mensch naar Zijn beeld geschapen was. Doch zoodra ook die mensch werd tot een levende ziel, was die openbaring werkzaam tot kennis van God en geloof. God nam dit werk — om het zoo uit te drukken — zelf ter hand, openbaarde zich maar niet aan hem, maar ook in hem. In het kennen en gelooven is een innerlijke werking der openbaring Gods. Godskennis en Godsvrucht zijn tegelijkertijd werking en vrucht van de openbarende daad Gods.

Van den mensch uit gezien gaat dus openbaring altoos aan het geloof vooraf, en het geloof tot meerdere kracht en klaarheid opgewassen ontdekt ook, dat de Heilige Geest in de verborgenheid van het eigen gemoed reeds langen tijd werkzaam is geweest, alvorens men zich daarvan klaar bewust was.

In dit licht verdiende het overweging om de voorkeur te geven aan den titel : Openbaring en geloof. Het accent viel echter niet op deze zijde der vergelijking, maar op de aanwezigheid der openbarende werkzaamheid in het geloof, geloof is openbaring. Geloof is dus niet slechts kennis van het geopenbaarde, maar de kennis, en voorts de Godsvrucht, kan er niet zijn zonder deel te hebben aan de openbarende werking van Gods Geest. Vandaar de nadruk op het leven der religie.

Een andere vraag betrof de consequentie van het ingenomen standpunt, dat het geloof niet discussieert over de mogelijkheid of de werkelijkheid der openbaring, omdat het uit deze werkelijkheid leeft en door haar gewisheid wordt gedragen. Men kan hierbij denken aan de belijdenis omtrent de Heilige Schrift : de Heilige Geest getuigt in onze harten, dat zij van God zijn.

Sluit dit standpunt niet in, dat wij slechts kunnen getuigen, zoodat alle apologetiek van te voren onmogelijk is gemaakt ? Hierop kan in de eerste plaats worden geantwoord, dat het Woord des Heeren het eerste komt bevestigen, hetwelk tot den kring der discipelen uitging : „Gij zijt Mijne getuigen". Predicare prediken is getuigen. Christus zegt niet : Gij zijt Mijn apologeten (verdedigers).

Toch sluit dit de apologetiek niet uit. Paulus getuigt van de opstanding in 1 Cor. 15, doch niet zonder krachtig op te treden tegen degenen, die zeggen, dat er geen opstanding is. Hij ook wijst Timotheüs er op, dat de Heilige Schrift is tot weerlegging (2 Tim. 3 : 16) van de tegensprekers.

Bezien wij echter, hoe Paulus deze zaak aangrijpt, dan zal het duidelijk zijn, dat hij de opstanding niet maakt tot een vraagstuk ofprobleem, noch ook zoekt naar theoretische bewijsgronden. Dit komt des te sterker aan den dag, omdat hij spreekt met menschen, die de opstanding tot een vraagstuk maakten. Maar, zal iemand zeggen : Hoe zullen de dooden opgewekt worden en met hoedanig een lichaam zullen zij komen ? (vs. 35.) Hij noemt hen dwaas en stelt die dwaasheid aan de kaak door te wijzen op Gods openbaring in de werken der schepping (vs. 36 v.v.) en de Heilige Schrift (vs. 45).

De apostel gaat terug op het getuigenis. Indien er geen opstanding der dooden is, zoo is (Christus ook niet opgewekt, en indien Christus niet opgewekt is, zoo is dan onze prediking ijdel en ijdel is ook uw geloof, en zoo worden wij ook bevonden valsche getuigen Gods. Als de dooden niet opstaan is de gansche prediking, de openbaring, het geloof in Christus een vergecfsche zaak. Zoo zijt gij nog in uw zonden. Het is alles een ijdel verhaal en wij zijn de ellendigste van alle menschen, als wij alleenlijk in dit leven op Christus zijn hopende.

Zoo ziet Paulus de opstanding der dooden in het licht van de eeuwige bestemming van den mensch. Ook dit is weer een stuk des geloofs.

De dood is door een mensch in de wereld gekomen. Weer een getuigenis des geloofs, een stuk openbaring. Hij maakt er geen argument van tot een bewijsvoering b.v. door te zeggen, dat de dood het einde niet zijn kan, omdat hij door een mensch in de wereld kwam, die niet bij machte is de eeuwigheid zijner bestemming te niet te doen, of iets dergelijks.

Evenals Abraham verstaan heeft, dat de belofte Gods over dood en graf heenging en de dichter van den 139en psalm getuigenis geeft van de wonderbare kennisse Gods, zoodat ook de hel geen ontvluchting biedt voor Zijn aangezicht, zoo ontsluit Paulus den blik op de eeuwige dingen.

Hij laat zich niet verlokken op het terrein van mogelijkheden en onderstellingen, maar getuigt uit de verborgenheden des geloofs.

Is er onderscheid in de z.g. natuurlijke Godskennis van den geloovige en van den niet-wedergeboren mensch ? Zoo werd gevraagd. Wij meenen althans dat dit de bedoeling weergeeft.

Het behoeft geen betoog, dat de gaven verscheiden zijn. Dit wordt door de Heilige Schrift zeer duidelijk gezegd. En het is ook bekend, dat de apostel Petrus de groote gaven van den apostel Paulus met onderscheiding noemt. (2 Petr. 3 : 16).

Die verscheidenheid van gaven vertoont zich ook op het gebied der kennis van God en de goddelijke dingen. Zooals blijkt uit het zooeven aangehaalde, geldt dat ook voor de wedergeborenen. Wij kennen ten deele en zien in den spiegel eener duistere rede, nochtans is het den een gegeven klaarder te onderscheiden dan den ander.

Buiten de kennis, die een vrucht der wedergeboorte is, en die als een geestelijke kennis wordt onderscheiden, ontbreekt het echter niet aan een besef der goddelijke heerlijkheid en kracht, en zelfs niet aan meer dan dat.

Calvijn maakt onderscheid tusschen tweeerlei kennis, welke hij beide een vrucht van de werking des Heiligen Geestes noemt.Naar deze werking maakt hij verschil in kennis, die de vrucht is van een verlichting des verstands, en die, welke voortspruit uit kracht der wedergeboorte. (Inst. I. 2. 1.). Wat den inhoud en zin dezer tweeërlei kennis betreft, ziet hij het zoo, dat de eerste op den Schepper is gericht, terwijl de tweede God als een Vader en Verlosser in Christus aangrijpt. Hij spreekt in dit verband van algemeene en bijzondere genade. Door de eerste verstaat hij dus een genadewerking, waardoor de verduisterde kennis van God den Schepper en Onderhouder der wereld door verlichting des verstands wordt verhelderd. De bijzondere genade schenkt de gave der wedergeboorte.

Willen wij de gestelde vraag in dit licht beschouwen, dan volgt, dat de kennis van den niet-wedergeborene niet nauwkeurig kan worden afgepaald, maar integendeel zeer verschillend kan zijn. Het is zelfs wel mogelijk, dat zij den ganschen omvang der Christelijke belijdenis omvat. Toch blijft deze kennis onderscheiden van die, welke uit de wedergeboorte voortspruit. Zij valt veeleer onder zulk eene, die wij plegen historisch geloof te noemen, omdat daaraan het geestelijke der zaligmakende kennis ontbreekt.

Toch meene men niet, dat Calvijn met de kennis, die vrucht is van de algemeene genade, alleen op een werking des verstands het oog heeft. Dat zou niet juist zijn, want al gaat zij niet gepaard met die waarachtige vroomheid, welke het zaligmakende geloof vergezelt, Calvijn spreekt toch van een gezindheid des harten, van een erkenning van Gods souvereiniteit en 's menschen afhankelijkheid, welke alle dingen van Hem leert verwachten en bidden en Hem als den Gever erkennen.

Daarbij is het voorts zeer duidelijk, dat Calvijn bij deze algemeene Godskennis inderdaad uitgaat van de z.g. natuurlijke, welke door de zonde werd verduisterd, doch wederom tot meerdere klaarheid komt door Zijn Woord en de verlichting des verstands door Zijn Geest. (Inst. I. 3 V.V.).

De overige vragen, die werden gesteld, zijn van dien aard, dat het aanbeveling verdient deze meer uitvoerig en in een afzonderlijk artikel te beantwoorden.

S.

Van de gelegenheid om vragen te stellen, werd gebruik gemaakt door ds. Samson, ds. Van Dijk, ds. Vermaas en ds. Schroten, die allen door prof. Severijn werden beantwoord.

De voorzitter dankt prof. Severijn voor het gehouden referaat en betuigt zijn blijdschap over de toezegging, dat dit referaat in De Waarheidsvriend zal verschijnen.

Na gemeenschappelijk zingen van Ps. 119 vers 53, ging prof. Severijn voor in dankgebed.

Om 2 uur werd de middagvergadering heropend. Eerst werd Psalm 25 vers 6 gezongen, waarna ds. Vermaas voorging in gebed. De afd. Utrecht belastte zich met de regeling van de stemming.

Nu kreeg de Secretaris gelegenheid om zijn verslag uit te brengen :

Geachte Leden van den Geref. Bond ! Het is enkel Gods goedheid en genade, dat we in deze veelbewogen tijden nog als leden van den Bond in jaarvergadering mogen samenkomen.

Het oordeel van den vreeselij ken krijg had ook ons land reeds lang kunnen treffen, indien de Heere met ons had gedaan naar heilig recht.

Zijne lankmoedigheden hadden over ons nog geen einde. Och, dat het in de breede rijen van ons volk en door ieder onzer persoonlijk mocht worden opgemerkt ! In den weg van verootmoediging en vernedering des harten is alleen heil te verwachten, zoowel voor de volkeren als voor de enkelingen. In het midden van de branding staat Gods Kerk. Geen wonder, dat de slagen haar van alle kanten treffen. Nochtans heeft de Heere van de eene, ware, heilige, algemeene, Christelijke Kerk voorzegd, dat de poorten der hel Gods gemeente niet zullen overweldigen.

Het is de begeerte ook van onzen Bond, dat Gods Kerk in deze lage landen weer opnieuw tot een heerlijke Schriftuurlijke openbaring komen moge. Nu gaat ze, helaas, gebogen onder de knellende banden van het Synodale juk.

Het georganisatie-voorstel van Kerkherstel en Kerkopbouw is van de baan. Toch denke men niet, dat het voor goed van de baan is. Nieuwe reorganisatie-voorstellen worden uitgebroeid.

Op de vorige jaarvergadering is reeds de wensch te kennen gegeven, dat de Geref. Bond zelf ook maar eens met een voorstel voor den dag moest komen.

„De Bond moet nu zelf ook maar eens zeggen, wat hij wil".

Het is, geachte leden van onzen Bond, niet zoo moeilijk om te zeggen, wat we willen en begeeren. Maar wèl is het moeilijk om een concept op te stellen, hetwelk eenige kans van slagen zal hebben. Indien het aan de Ethische middengroep, die, al is het niet numeriek, maar dan toch wat de machtspositie betreft, wel terdege het sterkste is, niet is gelukt om hare wenschen te verwezenlijken, hoeveel te meer zal het voor de Gereformeerde groep in onze Kerk moeilijk zijn om thans iets te bereiken.

Het wordt wel eens vaak zóó voorgesteld, dat dit en dat al lang zou zijn bereikt, als het Hoofdbestuur van den Geref. Bond er maar warm voor was geloopen.

Niets is minder waar dan dat. Of we dan maar niets moeten doen, om de eenvoudige reden, dat we toch niets kunnen ? Verre van dat. In de eerste plaats is het noodig, dat allen, die wenschen te leven naar Gods Woord en naar de belijdenis onzer Vaderen, verzameld moeten worden. Zal er met ons protest in de toekomst worden gerekend, dan is het in de eerste plaats noodig, dat we een éénheid zullen vormen.

Laten degenen, die niet naar Gods Woord en de belijdenis wenschen te leven, ons ten spoedigste verlaten, maar aan de andere kant is het broodnoodig, dat degenen, die dat wèl wenschen, een krachtige samenbinding zullen zoeken.

„Komt er dan vandaag nog geen concept ter tafel, wat aan de beoordeeling der vergadering kan worden voorgelegd ? " — zoo hoor ik u vragen. Tot mijn spijt nog niet. In meerdere vergaderingen is over een en ander in den breede van gedachten gewisseld, maar over de eindconclusie was nog geen volkomen eenstemmigheid.

Vlak voor Paschen kwamen ongeveer 50 predikant-leden van onzen Bond in Utrecht samen om over onze practische kerkelijke politiek van gedachten te wisselen.

Kort na het Pinksterfeest hopen we weer zulk een vergadering met de predikanten te hebben. Eerst wanneer er onder de leiders eenstemmigheid is inzake het kerkelijk vraagstuk, kan het zijn nut hebben om in een groote vergadering een concept in bespreking te brengen. Dan desnoods op een groote extra vergadering.

Maar nog eens: men make zich niet te veel illusies. Al waren we het in groote lijnen roerend eens over de uitstippeling van onze kerkelijke richtlijnen, dan was daarmede nog niets bereikt. Het is daarom met recht de vraag, of een concept van onzen Bond bij den huldigen stand van het kerkelijk vraagstuk in onze veelbewogen tijden wel van eenige beteekenis zijn zou. Of we tot den aanval kunnen overgaan, betwijfel ik ten zeerste. Laten we liever verzamelen blazen en in ons isolement onze kracht zoeken. Dan zal er door elke kerkelijke groep met ons gerekend moeten worden, al vormen we een minderheid. Ook in het af geloopen jaar had het Hoofdbestuur contact met verschillende afdeelingen. Een paar leden van de afd. Den Haag hadden een samenspreking met het Hoofdbestuur over een door die afdeeling gedaan voorstel tot wijziging in de manier, waarop de Hoofdbestuursleden worden gekozen.

Geen der Hoofdbestuursleden is echter tijdens dit vriendschappelijk onderhoud van meening veranderd tengevolge van het betoog van de leden van de afd. Den Haag. De afd. Gouda vierde haar 25-jarig bestaan. Ook met den Geref. Bond voor Inwendige Zending had het Hoofdbestuur eenige malen contact.

In het Hoofdbestuur kwam in het vorig vereenigingsjaar alleen verandering, doordat ds. Vermaas in de vacature van ds. Woelderink werd gekozen. Hij nam deze benoeming tot onze blijdschap aan en nam dit jaar levendig deel aan de besprekingen op de vergaderingen van het Hoofdbestuur.

De Voorzitter, die vorige maal op de jaarvergadering als lid van het Hoofdbestuur meende te moeten bedanken, kwam in de volgende bestuursvergadering op zijn besluit terug. In een volgend jaarverslag zal moeten worden opgenomen, dat onze Voorzitter na rijp beraad meende zich thans definitief te moeten terugtrekken uit het Hoofdbestuur.

In Mei van het vorig jaar werd in Utrecht een Predikantenvergadering gehouden. Ware in September de oorlog niet uitgebroken, dan was men voornemens geweest om ook in September zulk een vergadering te houden. Nu moest deze vergadering worden uitgesteld tot voorjaar 1940.

Vorig jaar had het Hoofdbestuur ook een voorstel onder de oogen te zien, hetwelk door eenige predikanten werd ingediend, inhoudende de mogelijkheid om te komen tot Zending onder Israël vanwege den Geref. Bond. De uitvoering van dit voorstel stuitte echter op groote moeilijkheden.

Het Studiefonds vroeg gedurig de aandacht van het Hoofdbestuur. De Studiecommissie vergaderde telkens apart om het Hoofdbestuur van advies te dienen.

Voorzitter dezer Commissie was ds. Timmer ; Secretaris mr. dr. Verkerk ; Penningmeester ds. Goslinga ; voorts had prof. dr. J. Severijn zitting in de Commissie.

Hiermede ben ik aan het eind van mijn jaarverslag. Ik spreek den wensch uit, dat de Heere met Zijn Woord en Zijn Geest niet moge wijken van onze diepgevallene Kerk, maar dat Hij bij de nadering van den Pinksterdag met Zijnen Heiligen Geest opnieuw moge waaien door het dorre gebeente onzer Vaderlandsche Kerk.

Ik heb gezegd.

De Voorzitter brengt hem zijn dank voor het verslag en voor al den arbeid, die door hem is verricht.

Ds. Goslinga kreeg gelegenheid om verslag te doen over zijn financieel beheer.

Hij sprak als volgt : Verslag van den Penningmeester op 25 April 1940.

Op 6 Febr. j.l. zijn wij de 35ste jaarkring ingegaan, sedert in dit zelfde gebouw, in dezelfde zaal, naast deze waar wij thans vergaderd zijn, de Geref. Bond voor het eerst den volke werd voorgesteld.

't Was een gebeurtenis, welke in die dagen nogal opspraak wekte. Niet weinigen, die voor een nieuwe doleantie zich beangst maakten. De 30 en meer jaren, die over deze gebeurtenis verliepen, gaven daarop geen onduidelijk bescheid. Veel is over ons hoofd heengegaan, 't Ligt niet op mijn weg, nog minder in mijn bedoeling, hierover in den breede uit te weiden. Met een enkel woord kan het worden weergegeven. „Door kwaad en goed gerucht zijn wij heengegaan en door Gods goedheid mag worden getuigd: „tot hiertoe heeft ons de Heere geholpen".

Wij zouden schuldig staan aan grove ondank, wanneer wij niet met een woord van groote erkentelijkheid jegens den Gever van alle goeds, dat ons in zoo ruime mate mocht geworden, van Zijne onverdiende gunstbewijzen zouden gewagen.

Wanneer wij terugzien op de jaren die achter ons liggen en de onderscheidene mijlpalen voor onzen geest voorbij zien flitsen, zoo wordt het ons wonderlijk te moede. Dat wij nog zijn, die wij zijn, en dat wij nog hebben, wat we hebben, aan Wiens bijzondere bemoeienissen zou het ooit kunnen worden toegeschreven, dan aan den Genadevolle in den hemel ? Wij weten dan ook niet een meer juiste weergave van wat in ons Leeft u voor te leggen dan in de dichtregelen van Ps. 111 : Hij maakte, Hij, Die heerlijk is. Zijn wond'ren een gedachtenis. Hij is barmhartig en genadig ; Hij gaf hun, die Hem vreezen, spijs En Zijnen grooten Naam ten prijs Gedenkt Hij Zijn verbond gestadig.

Zóó onze arbeid belicht, wordt de heele gang van zaken op het juiste peil vastgesteld. 't Ligt voor de hand, dat wij bij het opstellen van ons verslag, telkens teruggrijpen in en naar de paperassen van hen, die ons in de taak van verzorging der penningen voorgingen. Daar wordt een duidelijke groei in alles openbaar. Niet enkel in omvang — de getallen worden grooter, van inkomsten en uitgaven — deze hielden vrijwel gelijken tred. Groeide het eene, het andere bleef niet achter. Dit kon ook moeilijk anders. Immers wanneer de uitgaven klimmen, zoo wordt bij een gezond beheer en bij een gezonde huishouding alle zorg gewijd aan een in evenwicht blijven. Wij noemden daar zooeven den naam van „gezonde huishouding". Deze wijze van uitdrukking bood de gelegenheid aan ieder dergenen, die met het Penningmeesterschap werden belast, om te spreken van hun gezin, van hun kinderen. Te meer valt dit op, waar geen van hen die deze taak met zooveel liefde en zorg mochten vervullen, in letterlijken zin kinderzorg kenden. En Fliehe èn Jongebreur èn Van der Snoek, hadden naar het algemeen spraakgebruik „geen kinderen ten hunnen laste". En toch verstonden zij die wonderschoone kunst om, wat zij pleegkinderen noemden, op een voorbeeldige wijze te verzorgen.

De onderscheidene fondsen, die tezamen den Geref. Bond vormden, kregen den naam van „onze kinderen".  Aan dit spraakgebruik wil ik me gaarne houden. De eerste gedachte, welke daardoor bij mij wordt gewekt is wat in een niet onbekend spreekwoord is belichaamd : „kleine kinderen, kleine zorgen ; groote kinderen, groote zorgen". Ieder vader en moeder, die er al enkele kruisjes hebben opzitten, wier kinderen de schoentjes hebben verwisseld met die, welke een zelfde maat hebben als van vader en moeder, zullen mij in gedachten toeknikken, zeggende halfluid of met onhoorbare stem : „daar weet ik van". „Dit versta ik ten volle". Toen mijn kinderen klein waren, had ik het vrij wat gemakkelijker dan nu. Vooreerst waren de uitgaven veel kleiner, was het geheel overzichtelijker dan thans, maar dat is het niet alleen, daar doen zich heel wat andere dingen voor, die u hoofdbrekens kosten.

Is dit één punt, waarop ik even de aandacht vestig, in vergelijking met wat mij niet minder zwaar weegt, is het reusachtig verschil in levensaanblik van voorheen en thans. De tijden zijn zooveel veranderd'. Daar zullen er, geloof ik, niet velen hier aanwezig zijn, die er ook maar het minste op zullen zoeken af te dingen, dat de tijden, die achter ons liggen, veel gemakkelijker waren dan die van thans. De algemeene gedachtengang was na de wereldoorlog, waaronder alle landen hadden gezucht, dat zóó iets vreeselijks in geen afzienbaren tijd, in geen geval gedurende een menschenleeftijd zich meer zou voordoen. Dat behoorde — zoo dacht men — tot de onmogelijkheden. Al viel uit veel dingen af te leiden dat de haat en nijd groot genoeg waren, het kunnen ontbrak, om de booze lusten bot te vieren. Alleen, het rommelde in de verte. Wie er van sprak, dat in de landen der overwonnenen alles in gereedheid werd gebracht voor een nog gruwelijker krijg dan de landen vier jaren lang had geteisterd, vond geen geloof, 't Kon niet.

„Tusschen de dreigingen", zoo kon de wereldaanblik van de laatste jaren worden genoemd.

Toestanden luidden in, waaraan de oudsten onder ons nooit hadden gedacht. Van de hoogste tot de laagste standen, van de best gesitueerden tot de eenvoudigste bewoners van het land, werd vanwege de afkomst, het ras, zooals men 't meende te kunnen typeeren, het verblijf zoo goed als onmogelijk gemaakt. Het Jodenvraagstuk, het probleem van de natie, het moge waar zijn, dat het niet nu voor het eerst werd gesteld, doch zóó kras, zóó rauw als het nu geschiedde, vond in de rol der historie z'n weerga niet.

De religie in het algemeen voelde zich hierbij bedreigd. Wat hieruit noodzakelijk voortvloeide, was strijd, onrust, bewogenheid over de heele linie.

Waar dat heen moet ? Waarop dat uit moet loopen ? Ziet hier de bange vraag allerwege. De lucht was met onheilen vol. Bitterheid onder de volken tegen elkander ; geen één land of daar dreigde een gisting de samenleving onmogelijk te maken ; geen groep, of deze was onderling verdeeld, in één woord : de voorteekenen van een wereldbotsing werden met den dag duidelijker openbaar.

Is het zoo'n wonder, dat hier elk onderdeeltje zijn eigen portie ontving ? Waar één lid lijdt, lijden alle leden, zoo getuigt toch de H. Schrift. Zelfs tot in de verste geledingen vondt ge van dezen strijd de sporen. In familiekringen, tot in de huisgezinnen stiet ge op dit euvel : ,,verwarring, tweespalt, twisting". Het onderling vertrouwen, de saamhoorigheid raakte zoek. Dit maakt het levensbestaan van den mensch zoo moeilijk. Botsingen op stoffelijk terrein kunnen worden gestuit en overwonnen, wanneer de geest in gezonde banen zich beweegt en deze geleid wordt door de Hand des Allerhoogsten. Om één punt in de historie aan te wijzen. Toen de Geest des Heeren indaalde in de saamvergadering der discipelen, was Zijn geluid als van een geweldig gedreven wind — onwederstandelijk, verdeeld over hoofd naast hoofd, doch de vrucht was : samenbinding en lofverheffing Godes, de levenstoon.

De verschijningsvormen in de laatste jaren hebben iets tegensprakigs in. Deze wekken n.l. deze gedachte : wij breken en bouwen tegelijk.

Wat voor kort met trots werd geconstateerd, dat de voortgang van den menschelijken geest zulke kostelijke perspectieven opende, bleek evenwel eene vreeselijke keerzijde te hebben. Wat uit Gods hand goed te voorschijn treedt, wordt door de aanraking van menschelijke vingeren thans omgevormd tot instrumenten ten verderve. Wat onze dagen te aanschouwen geven, is van dien aard, dat 't ergste mag worden gevreesd.

Moeilijker tijden zijn nauwelijks denkbaar. Ziet èn wat thans zich voltrekt èn wat daaraan in de laatste jaren vooraf ging heeft onze geheele samenleving zoodanig ontwricht, dat wie dit niet toegeeft, zichzelven moedwillig op een dwaalspoor ziet geleid.

Bindt Gods Geest tezaam, de geest, die niet uit God is, verstrooit, werpt uiteen, komt niet eer tot rust, voor wat eerbied afdwong en met gezag was bekleed tot een bespotting is geworden.

Onder deze teekenen der tijden zuchten inzonderheid zij, die het anders gekend hebben en die in alles mede hun eigen zondig aandeel zich zien voorgehouden.

't Viel ons op, dezer dagen, dat de pers gewaagde van eene waarschuwing, uitgereikt aan de voormannen op kerkelijk terrein, om zich in hun uitlatingen tegenover menschen, met wie zij een eenheid moeten vormen, te temperen. Dat dit noodzakelijk bleek, spreekt meer dan boekdeelen. Wat voor oordeel moet die wereld, die van de geschillen waarover 't gaat, niets vat, noch begrijpt, zich wel vormen ? „'t Is daar vooral niet beter dan ten onzent en zij pretendeeren nog wel in hoogere beginselen het eens te zijn".

In stee van een aanprijzing van den dienst van den genadevollen Christus, Wiens harte zoo in alles uitging tot die schare, die de Wet niet kent, wordt op deze wijze de eere van den Koning geschaad en in opspraak gebracht. Wij zeiden zoo straks, dat ook van ons gold : door kwaad en goed gerucht zijn wij heengegaan. 't Laatstgenoemde, n.1. een goed gerucht, loopt lang zoo ver niet en vindt niet zoo'n wijden klankbodem — dit hangt met de natuurlijke gesteldheid van het menschenhart samen — met een kwaad gerucht gaat het omgekeerd : dit groeit onder het gaan en laat een glibberig spoor zeker achter.

Weet ge welke leering onze dagen bieden ? De meest venijnige aanval, welke de vijand heeft te weerstaan, is een niet te controleeren gerucht. Dit schokt zoodanig de gemoederen, dat de meest onverschrokken hand begint te beven. Wanneer dan ook één ding mag worden afgebeden is het dit, dat onze voet op dit heilloos spoor niet trede.

Voor geen enkel ding is de Geest des Heeren zoo schuw en voor niets wijkt Hij zoo ver uit, als wel voor dit kwaad. In een gezelschap, waar biddende handen met een biddend hart worden opgeheven, komt Hij binnen, doch waar de handen zich samenpersen tot het uitdeelen van een pijnlijk treffen, daar verwijdert Hij zich zoo ras mogelijk. En waar dit oordeel de wereld onzer dagen, naar het ons toeschijnt, bezig is zich te voltrekken, is een roepen tot God den Heere het allernoodzakelijkste wat ons is opgelegd : „Wijk met Uwe genade uit ons midden niet".

Meerdere eenheid, waarachtige saamgebondenheid, is gebiedende eisch.

De wereldaanblik van heden wekt geen andere gedachte dan om te kunnen vernielen en te vernietigen. Wat Gods Geest werkt, is ook eenheid, maar dan om te bouwen, te heelen, saam te vereenigen tot verheerlijking Gods.

Ziet hier, wat wij aan ons verslag meenden te moeten laten voorafgaan.

Daar is, wat wij reeds met een enkel woord hebben opgemerkt, niet weinig oorzaak om van Godes sparende goedheid te getuigen — doch met te verzwijgen wat ons werk bemoeilijkt, wat ons de vreugde vergalt, zou naar waarheid met onoprechtheid moeten worden bestempeld. Wij komen telkens klanken tegen als deze : is dat werk van den Geref. Bond nog wel zoo beslist noodzakelijk ? 't Is niet voor de eerste keer, dat dit vraagstuk ook aan deze omgeving wordt voorgelegd. Toch zien wij er een zeker gevaar in, voor de zaak zelve, deze schouderophalend voorbij te gaan. Dadelijk zou door ons kunnen worden opgemerkt, dat inrichtingen, zooals die van Doetinchem, dezer dagen nog een oproep in de bladen plaatsten met het oog op de opleiding voor Predikers, Leeraars en zelfs Doktoren. Wanneer getallen in aanmerking komen, dan zoude hier aan de heeren van het Bestuur dezer inrichtingen kunnen worden voorgehouden : „Wordt het niet te veel ? " „Wat dominees aangaat, zijt ge de 500 al gepasseerd". En toch is hier geen gedachte aan stilzetten.

Voor mij is dit beschamend. Hier vindt ge die kleinzielige, benauwde en benauwende aanmerking niet. Hier heeft men nog een ruimen blik op wat de toekomst van ons vordert. Er zijn geen candidaten, die tot het Predikambt zich geroepen mogen weten, te veel. Die komen er ook niet. Dat kunnen wij gerust in Gods hand geven en laten. De velden zijn nog wit om te oogsten, terwijl daarop nog volgt : de arbeiders zijn weinige.

Let eens op de groote steden, hoe noodig hier arbeiders dienen uit te gaan. Elke prediker ziet zich voor een onmogelijke taak geplaatst, die hij niet kan vervullen. Wat onnoemelijk veel schade berokkent voor zijn arbeid. De voorteekenen bedriegen ons niet, wanneer wij zeggen, dat de gescheidene Kerken hiervan alleen partij kunnen trekken. 't Is één verarming van de Gereformeerd voelende mensch in onze Kerk.

Met de groeiende plaatsen, die jaarlijks met 1000-tallen en 10-duizend zich zien uitgezet, is het net zoo. Hier dienen jonge menschen, die in het ambt zijn geplaatst, zich de mogelijkheid van arbeider te zijn in Gods Koninkrijk te zien ontsloten.

Elk aantal, dat onzerzijds zou kunnen worden genoemd, is nog te klein. De zaak, welke ons zoo na aan 't hart ligt, noodzaakt ons te spreken en te handelen zooals wij doen, het aan Hem overlatend, die alle dingen leidt naar Zijn wil.

Het zeggen : „wat die Bond aflevert, is niet veel" — zou ik naar hetzelfde adres, willen verwijzen, door ons zooeven genoemd. Dit geven wij in Gods hand. Hiertoe is onze hand niet bekwaam en zijn wij ons onvermogen ons te zeer bewust. Wij hebben als Commissie van toezicht gehandeld naar ons beste weten en met groote voorzichtigheid, voorgelicht door menschen, die de zaken op dezelfde wijze bezien en vandaar, dat wij het in Gods hand laten.

Wie ons van dezen kant aankomt, geven wij den weigemeenden raad: legt het den Heere voor, dan zal de vrucht niet achterblijven. ,,En gij dan? "

Zelfonderzoek, voorzichtigheid in uw oor deel omtrent anderen, teerheid in onze dagen is niet misplaatst. Met elk onvoorzichtig oordeel dient ge de zaak zelve niet, veelszins draagt ge bij tot spot en smaad van wie onze beginselen niet deelen. De vaargeul, waarlangs ons scheepje voort moet,  is nauw en drijvende mijnen worden in menigte gelegd in onze dagen. Zoo ooit, geldt thans : „weest op uw hoede".

Onze belangen dienen met grootere voorzichtigheid te worden bewaakt dan tot nu geschiedde. Wie niet waakt, wordt eer hij 't weet overrompeld en meegevoerd als een, die van zijn vrijheid werd beroofd. Wat zoo straks reeds is aangeraakt in dezen, doet een los gerucht, een vage aanduiding, onnoemelijk veel kwaad. Afbreken gaat gemakkelijker dan bouwen. Zij is dan ook genoemd : „de grootste vijand".

Wie het ter harte neemt : wij leven in een gevaarlijke periode, 't is in een vijandelijke zone, waarin wij staan. Luistert naar dezen raad : „weest nuchteren en waakt".

Na dit woord, gesproten uit de oprechte begeerte om tezamen den moeizamen arbeid te verrichten in het midden van ons volk, op de plaats waar de voetstappen Gods ons zijn aangewezen, mag ik verder overzicht geven van het geheel. Op de meest overzichtelijke wijze werden de verschillende posten van inkomsten en uitgaven genoemd, 'k Zou ze nogmaals u kunnen voorleggen, evenwel hoop ik in de gewone rubriek „Financiën" hierop nader terug te komen.

Thans volsta ik met de eindcijfers te vermelden.

De inkomsten bedroegen ƒ 29679.60. Terwijl de uitgaven een eindcijfer gaven te zien van ƒ 25975.14. Alzoo een batig saldo van ƒ 3704.46. Dat dit ons tot dank noopt aan den Heere, behoeft niet apart te worden vermeld. Waar elke corporatie schier onder nadeelige saldo's gebogen gaat, werd ons een gemakkelijker weg geopend en ons dit leed bespaard. De zegeningen, welke ons thans mochten geworden, zijn toch ongemeen groot en vele. In aanmerking genomen de buitengewone druk, welke uitgeoefend wordt op alle bezit, waaraan niemand ontkomt, dus ook onze Geref. Bond de lasten zich op den schouder ziet gelegd, hebben wij reden om te zeggen : „de druk werd hier tot een minimuni herleid".

De Corporaties, met wie wij in verband staan door het geven van gelden op hypotheek en al de personen, met wie wij in dezelfde betrekking staan, hebben tot de laatste cent aan hunne verplichtingen kunnen voldoen. Daarbij komt, dat de aflossingen geregeld plaats vinden, waar dit door ons als eisch was gesteld.

Ook hier hebben wij Gods goeddoende hand mogen opmerken. Geldt dit de hoofdsom van ons kapitaal-bezit, wat het effecten-bezit betreft, mag worden opgemerkt, dat vanwege de ongunst der tijden hier momentelijk aan afschrijving moet worden gedacht.

Wanneer deze zouden moeten worden gerealiseerd, d.w.z. te gelde gemaakt — wat gelukkig niet behoeft — dan zou hier een aanmerkelijke achteruitgang moeten worden geconstateerd. De stukken zijn uitsluitend van eigen bodem. Nationaal bezit. Alles wat op speculatie zou gelijken, is stelselmatig gebannen. We hebben dit gedaan om zelfs den schijn van eenige willekeur te mijden.

Zooals ge uit de stukken zult kunnen opmaken, waar gesproken wordt van een vast pand, ook dit is zoover afgeschreven, dat hier voor geen verlies behoeft te worden gevreesd. Wij hebben van de oorspronkelijke koopsom 60% afgeschreven. Mocht er evenwel iemand zijn, die uit belangstelling en als blijk van medeleven nadere toelichting wenscht, hij geve het mij te kennen en de meest openhartige mededeeling zal hem geworden.

Alleen heb ik dit alleszins billijk verzoek er aan toe te voegen : neem in acht dat ook van mijn naam geldt wat er staat in het Woord des Heeren : een goede naam is beter dan goede olie.

Van alles dat gehoord is, is het einde van de zaak: vreest God en houdt Zijne geboden, want dit betaamt alle menschen.

Want God zal ieders werk in het gericht brengen, met al wat verborgen is, hetzij goed of hetzij kwaad.

Wat van een der levensbeschrijvers van den grooten hervormer Calvijn getuigd wordt, dat hij op elke bladzijde van zijn werk zich telkens voor Gods aangezicht plaatste, met in een kleine open ruimte deze twee letters te plaatsen : C.... D, d.i. „Coram Deo". „Ik sta voor Uw alziend oog".

„Gij weet, wat ik behoef". „Ik kan zonder U niets doen". „Van U is mijne verwachting voor tijd en eeuwigheid".

Ik heb gezegd.

De Voorzitter brengt hem hartelijk dank voor al de nauwgezetheid en liefde waarmede ds. Goslinga zijn werk als Penningmeester vervult.

Het resultaat van de stemming was intusschen bekend geworden. Ds. Bout 195 stemmen, ds. De Looze 171, mr. Verkerk 324, de heer Hammer 3, ds. Vermaas 299, ds. Terlouw 6, ds. Bartlema 9, ds. Koolhaas 1, ds. Abbring 1, ds. Lokhorst 5, ds. Kijftenbelt 1, ds. Bouthoorn 1, ds. Ewoldt 1. Van onwaarde 2. Blanco 3. Mr. Verkerk en ds. Vermaas nemen de herbenoeming aan. Aan ds. Bout zal ten spoedigste van zijn benoeming worden kennis gegeven.

De heer Duymaer van Twist neemt nu als 2de Voorzitter de gelegenheid waar om den scheidenden Voorzitter 'n hartelijk afscheidswoord toe te roepen. Hij dankt hem hartelijk voor al hetgeen hij voor den Geref. Bond gedaan heeft in die 31 jaar van zijn Voorzitterschap. Hij wees op al den arbeid, die hij als redacteur van De Waarbeidsvriend in al die jaren heeft verricht en sprak den wensch uit, dat Gods onmisbare zegen verder in rijke mate moge rusten op den scheidenden Voorzitter.

De heer Brinkers, voorzitter van de afd. Utrecht, sprak eveneens ds. Van Grieken hartelijk toe en stelt aan de vergadering voor om ds. Van Grieken als eere-Voorzitter te benoemen.

Een zelfde voorstel wenschte de heer Maarleveld van Vlaardingen te doen.

De vergadering beantwoordt dit voorstel met applaus.

De heer Duymaer van Twist, mededeelende, dat deze benoeming de volle instemming van het Hoofdbestuur heeft, hoopt ds. Van Grieken op de jaarvergaderingen nog menigmaal als eere-Voorzitter in de rij van de leden van het Hoofdbestuur op het podium te zien zitten. De vergadering zong daarna den scheidenden Voorzitter toe Psalm 134 vers 3. Ds. Van Grieken dankte voor al de gbede woorden. Hij sprak den wensch uit, dat de Bond aan art. 4 van zijn Statuten steeds getrouw zal blijven. Het eere-Voorzitterschap werd door hem met veel dank aanvaard.

Aan den heer Bos, van Harderwijk, werd nog gelegenheid gegeven om een woord te spreken naar aanleiding van het verslag van den Penningmeester. Hij spoort alle Bondsleden aan om den Penningmeester steeds meer te steunen. Ook hij is van meening, dat er nog steeds te weinig arbeiders zijn.

Ds. Van Amstel en ds. G. Lans Jr. hebben de boeken van den Penningmeester nagezien. Ds. Van Amstel bracht het volgende verslag uit :

Verslag van de Commissie tot nazien van de Rekening en Verantwoording van den Penningmeester van den Geref. Bond over het jaar 1939.

Geachte Vergadering,

Het is der Commissie een waar genoegen, u te kunnen rapporteeren, dat zij op "Maandag 1 April j.l. ten huize van den Penningmeester de rekening van onzen Bond heeft nagegaan. Wel is de geheele rekening niet nagegaan, wat veel te omvangrijk was. Hier en daar hebben wij steekproeven gedaan, 't Accountantsverslag waarborgde, dat alles in de beste orde bevonden was.

Ds. Goslinga heeft ons onbevangen inzage verleend van alle boeken en bescheiden. De verschillende fondsen werden door ons gecontroleerd. De in de rekening vermelde bewijzen van hypotheken, de geldswaardige papieren en al wat aanwijzing geeft van het bezit van den Bond, hebben wij alle ingezien ; kortom alles in orde bevonden.

De Commissie heeft een grooten indruk verkregen van den rijken zegen op financieel gebied, waarin de Bond in den loop der jaren heeft gedeeld. Met eerbied hebben wij beschouwd de offervaardigheid, die door ons Geref. volk in dien tijd is betoond. Trots alles wat de Bond heeft moeten doormaken, mag worden getuigd tot eere van 's Heeren Naam, die daarin ons Zijn gunst bewezen heeft, dat de zegen des Heeren hierin in ruime mate ons deel geweest.

Wij mogen met groote voldoening verklaren, dat ondanks de ongunst der tijden de financiën van den Bond in blakenden wel stand verkeeren. Misschien kan dit dienen, om mogelijke bezorgdheid te weren.

De Commissie is ten zeerste overtuigd, dat op de schouders van den Penningmeester een gewichtige taak rust. Maar zij is evenzeer overtuigd, dat onze Penningmeester ten volle voor zijn taak berekend is. Was ons dit allen van buiten af wel bekend — wanneer men een blik in de zaken zélve krijgt, komt dit nog zooveel te meer uit. Een groot voorrecht voor hem zelf en voor den Bond is, dat onze Pen ningmeester dit werk verricht niet met de koele berekening van 'n zakenman, maar met de liefde van zijn hart, als een zorgend huisvader, die voor zijn gezin opkomt, neen, teerder nog, als een die met moederlijke zorg deze gewichtige taak vervult en met volle trouw en toewijding, bovenal, naar wij vertrouwen, in afhankelijkheid van Hem, van Wien het zilver en het goud is en het vee op duizend bergen.

Wij danken den Penningmeester nog voor zijn hartelijke ontvangst en de genoegelijke uren, die hij ons met dit werk verschaft heeft. Wij hopen, dat hij zich nog lang aan deze taak mag wijden en stellen der vergadering voor hem met grooten dank van dit beheer te dechargeeren.

De Commissie : J. VAN AMSTEL. G. LANS Jr.

Lage Vuursche , 25 April 1940. Meerkerk, Na dit schriftelijk vereerend verslag grijpt de Voorzitter de gelegenheid aan om den Penningmeester, ds. Goslinga, heel hartelijk te danken voor zijn moeizamen arbeid, met zooveel liefde en toewijding, in 't belang van onzen Bond en in 't belang van onze Kerk verricht. Hij betreurt het, dat soms dit mooie werk zoo venijnig verdacht gemaakt wordt, wat een geest verraadt, die onder christenen niet thuis hoort en niet zelden wordt vertroeteld en aangewakkerd.

God bekwame en zegene onzen  penningmeester nog vele, vele jaren !

Nu kwam in behandeling het voorstel van de afd. Amsterdam om aan het streven van den Geref. Bond door middel van de radio meer bekendheid te geven. De vergadering stelt dit voorstel in handen van het Hoofdbestuur.

De heer Fortuin, drukker van De Waarheidsvriend, brengt ds. Van Grieken oprechten dank voor de hoogst aangename wijze, waarop hij onder ds. Van Grieken als hoofdredacteur aan De Waarheidsvriend ruim 30 jaar heeft mogen werken.

Ook ds. Van Grieken dankt den heer Fortuin voor de groote medewerking, die hij steeds van dezen mocht ondervinden.

Ds. Van Amstel stelt voor om een Bureau van Advies te vormen voor Onderwijzers en Schoolbesturen. Dit Bureau van Advies zou goede diensten kunnen bewijzen bij het zoeken van geschikt personeel voor onze scholen.

Hoewel het voorstel thans niet in behandeling kon worden genomen, zal het Hoofdbestuur gaarne de aandacht op deze zaak vestigen.

De heer Bloemers, uit Haarlem, wenscht, dat het contact tusschen Afdeelingen en Hoofdbestuur inniger worde.

De Voorzitter zegt, dat het Hoofdbestuur hiertoe steeds bereid was.

De Voorzitter dankt hierop allen voor hunne aanwezigheid en voor de groote liefde, die hem in al die jaren, maar ook inzonderheid gedurende de laatste tijden van vele zijden bewezen is.

Nu werd gezongen Psalm 42 vers 7. Ds. Timmer ging voor in gebed. De Voorzitter sloot dit zeer vredig samen­ zijn.

J. J. TIMMER, Secretaris.


*) Dr. J. Koopmans. De Nederlandsche Geloofsbelijdenis. Amsterdam, '39, blz. 33.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 2 mei 1940

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's

Verslag van de Jaarvergadering

Bekijk de hele uitgave van donderdag 2 mei 1940

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's