Is het geoorloofd om een kind te doopen van ouders die geen lidmaten zijn ?
Deze vraag wordt ons voorgelegd door den heer X te 's Heerenbroek. Het is mogelijk, dat èèn van beide ouders lidmaat is ; in dat geval treedt dus diegene van de ouders bij den Heiligen Doop op, die lidmaat is. Maar het komt ook talloos vele malen voor, dat de Heilige Doop wordt gevraagd voor een kind door ouders, die geen van beiden lidmaat zijn.
Wat moet er dan gebeuren ? Als men nu consequent door redeneerde, dan zou men zelfs kunnen zeggen, dat dat kind niet gedoopt kan worden.
Dat deden de vaderen niet. Men durfde den doop aan zulk een kind niet te onthouden. Nu werden er getuigen gevraagd, die op zich zouden nemen om toe te zien, dat het kind in de voorzeide leer zou worden onderwezen.
Aan die zaak van de getuigen zit historisch heel wat vast. Voor de Hervorming had men dezen wonderlijken toestand, dat bij den Doop niet de vaders, maar de zoogenaamde gevaders of getuigen op den voorgrond traden. Er waren steeds twee gevaders, een peter en een meter, die het kind van de ouders ten doop hielden. Die peter en die meter namen dan de verplichtingen op zich, die uit den Doop voortvloeien.
In zijn werk Ouders of Getuigen zegt prof. Bavinck : „In den Roomschen Catechismus werd bepaald, dat niemand bij zijn eigen zoon of dochter als doopheffer optreden mocht, opdat daaruit te meer zou blijken, hoezeer de geestelijke opvoeding van de vleeschelijke verschilt.
„Dit drukt de gedachte uit, die aan de tegenstelling van ouders en getuigen ten grondslag ligt. Het is dezelfde gedachte als die, welke Rome ieder oogenblik bij de verhouding van natuur en genade, wereld en Godsrijk, Staat en Kerk, aarde en hemel wederkeert. Beide zijn niet slechts onderscheiden maar ook gescheiden : ze kunnen niet samen gaan.Wie geestelijk wil worden, moet met al het natuurlijke breken. En evenzoo sluit bij den doop de geestelijke verwantschap de natuurlijke uit."
De groote Hervormer van Geneve, Calvijn, kon het hiermede natuurlijk onmogelijk eens zijn. De ouders zelf moesten weer op den voorgrond treden.
In de Kerkenorde van de Nationale Synode van Dordrecht van 1618—1619 lezen we dan ook in artikel 57 :
De dienaers zullen haer beste doen, ende daer toe arbeyden, dat de Vader zijn kint ten Doop présentere. Ende in de Ghemeenten daermen neffens den Vader ook Gevaders ofte ghetuyghen bij den Doop neemt (welck ghebruyck, in hem selven vrij zijnde, niet lichtelijck te veranderen en is) betaemt het; dat men neme, die de suyvere Leere toegedaen en vroom van wandel zijn.
In het bovengenoemde artikel wordt den dienaren des Woords aanbevolen, dat ze hun best zullen doen, dat de ouders zelf hun kroost tot den Heiligen Doop zullen opheffen. Met andere woorden, met het peter- en meterschap moet langzamerhand geheel worden gebroken.
Het peter- en meterschap veranderde dus in de dagen na de Hervorming van beteekenis. In het aanhangsel op de acta van de Emdensche Synode van 1571 lezen we als antwoord op de tiende vraag der broederen van Keulen het volgende :
Het beste en zekerste is om geen kinderen tot den doop toe te laten of te ontvangen, dan van welke de vaders lidmaat der kercken zijn en voorwaar het is de gewone regel, die men in deze dingen behoort" te volgen ; nochtans om de al te groote strengheid te matigen in deze zaken, zoo moet men altijd hierop acht geven, dat Gods verbond zich uitstrekt tot in het duizendste geslacht, niet om alzoo overhoop allerlei kinderen, die men te doopen aanbiedt, te ontvangen, onder het deksel, dat die voorvaderen daarvan, van over duizend jaren Christenen zijn geweest, maar wel om door een goed en behoorlijk middel, tot de kerken wederom aan te nemen en te voegen, hetgeen dat daarvan vervreemd is geweest ; maar nu zijn die middelen verscheiden en menigerlei, naar dat de omstandigheden verscheiden en menigerlei zijn.
Want waar God Zijn vervallen Kerk wederom beliefde op te richten, en de gewone bediening des doops wederom in de handen van de oprechte leeraars werd gesteld, al was het ook, dat vele lieden niet gereformeerd of bekeerd en herboren waren, zoo zou men nochtans de kinderen van zulke lieden niet van den doop uitsluiten. Want men zou dezulken niet alleen te kort doen, maar ook de gemeenschap der geloovigen en de beloften Gods.
Maar al vond men geen oorzaak of reden die zou kunnen hinderen, dat de kinderen gedoopt werden, toch eischte men dat de peters en de meters of de getuigen des doops zich zouden verbinden om zich van hun ambt en plicht getrouw te kwijten.
Men achtte het op de Emdensche Synode, dat de vaders van zulke kinderen hun vaderlijk recht in handen gelegd hadden van de Peters en de Meters.
Zoo er een persoon was, die van het Evangelie niets afwist en daarin geheel onverstandig was, zoo wilde men zulk een kind niet tot den doop aannemen, zonder dien persoon te doen beloven, dat hij gedoogen zou, dat zijn kind van de peters en de meters te zijner tijd onderwezen zou worden in de zuivere leer des evangelies. Hij moest verder beloven, dat hij door zijn vaderlijke autoriteit nimmermeer zijn kind er toe zou dwingen om wederom te komen tot het bijgeloof der Roomsche Kerk, maar dat hij zijn gedoopte kind veel meer vrijheid zou geven om te leven naar de leer des Evangelies, waarin hij onderwezen zou zijn.
Het stellen van getuigen, gelijk onze vaderen het in den bovengenoemden zin bedoelden, is tot op heden op vele plaatsen in gebruik gebleven.
In de Gereformeerde Kerken wordt het bij mijn weten streng gehandhaafd. Het gevolg hiervan is weer dit, dat velen belijdenis doen, omdat ze bij den doop van hun kind zelf op de vragen willen antwoorden. De eisch om doopgetuigen te stellen, zal het aantal van hen, die belijdenis doen, stellig vermeerderen. Praktisch krijgt men dit, dat vrijwel allen belijdenis doen.
Formeel is daarmee de zaak in orde. Of daarmede echter zoo veel gewonnen is, blijft de groote vraag. Het gehalte kan er onmogelijk beter op worden.
Ook in sommige van onze Bondsgemeenten wordt de eisch van doopgetuigen nog streng doorgevoerd. In andere gemeenten heeft men reeds lang de gewoonte aangenomen om ook de niet-lidmaten tot den doop hunner kinderen toe te laten zonder doopgetuigen te eischen.
Men stelt zich dan meer voor de vraag : „Wie moeten de kinderen opvoeden en onderwijzen" ? Niet de getuigen maar de ouders, moet wel het antwoord wezen.
Schrijver dezes doopte ook eens een kind van ouders met doopgetuigen. Buren waren de doopgetuigen. Een week na den doop vertrokken ouders en kind. Noch ik, noch de getuigen hebben bij mijn weten ooit weer iets gehoord van de ouders of van het kind. Het gevolg was, dat de ernstige buren, die de ouders uit de moeilijkheid hadden geholpen door als doopgetuigen op te treden, zich bezwaard gevoelden, doordat ze iets op zich hadden genomen, wat ze niet eens formeel, laat staan wezenlijk eenigermate konden volbrengen.
Hiermede staan we weer vlak voor de bezwaren van het eischen van doopgetuigen, die de praktijk van het kerkelijke leven met zich brengt. Stellig zijn er gevallen, waarin doopgetuigen geëischt moeten worden. We denken aan het geval, dat de ouders zelfs hun historisch geloof verloren hebben en blijk geven van onverschilligheid en toch hun kind willen laten doopen.
Maar aan den anderen kant dreigt het groote gevaar, dat men door de strenge handhaving van den eisch van doopgetuigen, dwingt tot formalistische aflegging van belijdenis des geloofs.
Zonder dat de lezers er misschien erg in hebben gehad, zitten we weer midden in de vragen, die betrekking hebben op het verbond Gods. Wat al oplossingen zijn er al beproefd. Van rechts en van links. Men wilde de zaak objectief trachten op te lossen en toch geloof ik, dat dit nooit zal kunnen. Worde het tot een persoonlijke spanning in de ziel door de werking van Gods Geest in elk ouderpaar, opdat men zich niet tevreden stelle met een formeele belijdenis, noch andererzijds er zich in vergenoege om de verantwoordelijkheid maar op de doopgetuigen af te schuiven, maar om veeleer als een boeteling met zijn zondig kroost te komen tot Gods genadetroon bij het doopvont om genade af te smeeken voor zich zelf en voor zijn zaad.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 9 mei 1940
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 9 mei 1940
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's