UIT DE HISTORIE
Luthers verklaring van Paulus' Brief aan de Galaten.
De apostel onderwijst Petrus, dat de rechtvaardiging alleen geschiedt uit het geloof : niet uit de werken, vers 15-21. (X)
Hoofdstuk II
Slot vers 19.
Zoo wordt dus Christus in de allerzoetste benamingen genoemd : mijn Wet, mijn zonde, mijn dood, in tegenstelling met de Wet, de zonde en den dood als zoodanig, want in den grond der zaak is Hij niets anders, dan louter vrijheid, gerechtigheid, leven en eeuwige zaligheid.
Hij is een wet voor de Wet geworden, alsmede zonde voor de zonde, en de dood voor den dood, opdat hij mij van den vloek der Wet verlossen zou, mij zou rechtvaardigen en levend maken.
Christus is dus tegelijk wet en vrijheid ; zonde en gerechtigheid ; dood en leven. Hij is voor Wet, zonde en dood een vergif ; doch tegelijk is hij een medicijn tot vrijheid, gerechtigheid en eeuwig leven.
Deze echt Paulinische manier van denken en spreken is wel zeer liefelijk en troostiijk. De apostel stelt de wet des gemoeds tegenover de wet zijner leden (Romeinen 7 vers 23). Wijl deze manier van zeggen nieuw is en verwondering opwekt, nemen wij haar des te gemakkelijker in ons op, en blijft zij ons des te beter bij.
Gaarne zou Paulus ons dus aftrekken van de beschouwing van de Wet, de zonde, den dood, en van allerlei andere schadelijke dingen, om ons tot Christus te leiden, opdat wij daar getuigen zouden zijn van een zeer aantrekkelijk tweegevecht, namelijk van den strijd der eene wet tegen de andere ten bate mijner vrijheid ; van zonde tegen zonde ten bate mijner gerechtigheid ; en van dood tegen dood, opdat ik het eeuwige leven zou deelachtig worden.
De woorden „opdat ik Gode leven zou" beteekenen, dat ik voor Gods aangezicht sta als een levend schepsel.
Ge ziet dus, dat er van leven geen sprake kan zijn, wanneer ge de Wet nog hebt, en aan haar niet gestorven zijt. Gelijk ik al meermalen gezegd heb : zoolang ge in dit aardsche lichaam verkeert, moet het vleesch door de Wet geoefend worden. De inwendige mensch echter, die der Wet niets meer schuldig is, doch zich van haar bevrijd weet, is een levende, gerechtvaardigde en geheiligde persoonlijkheid : niet uit zichzelf, maar in Christus, omdat hij in Hem gelooft.
Ik ben met Christus gekruisigd, vers 20.
Dit voegt Paulus aan het voorgaande toe, om des te duidelijker te doen uitkomen, dat er een wet is, die de Wet verslindt.
Hij zegt namelijk : ik ben niet alleen door de Wet der Wet gestorven, opdat ik Gode leven zou, maar ik ben ook met Christus gekruisigd. Christus echter is een Heer der Wet, omdat hij der Wet gekruisigd en gestorven is ; daarom ben ook ik een heer der Wet. Want ook ik ben der Wet gekruisigd en gestorven, omdat ik met Christus gekruisigd en gestorven ben.
Waardoor ? Door de genade en het geloof. Gelijk Christus aan de Wet, de zonde, den dood en den duivel gekruisigd is, zoodat al deze geen recht meer op Hem hebben, — zoo ben ook ik door het geloof in den geest met Christus gekruisigd, en aan de Wet en de zonde gestorven, zoodat zij ook op mij geen recht meer hebben. De apostel spreekt hier niet over een werkelijke kruisiging aan een kruis, maar van een verheven kruisiging, door welke de zonde, de duivel en de dood in Christus worden te niet gedaan.
En ik leef ......
Paulus spreekt duidelijk en toch op eigenaardige wijze. Hij zegt : ik spreek over mijn dood en kruisiging niet alsof ik niet meer leefde. Ik leef nog wel degelijk, omdat ik door dezen dood en door deze kruisiging juist levend gemaakt ben. Dit wil zeggen : daar ik uit genade en door het geloof van de Wet, de zonde en den dood bevrijd ben, — daarom juist leef ik eerst werkelijk. Mijn kruisiging en mijn dood zijn voor mij opstanding en leven. Christus kruisigde den duivel, en Hij doodde den dood ; Hij veroordeelde de zonde, en Hij bond de Wet. En omdat ik dit geloof, word ook ik van al deze zaken bevrijd. Juist door dezen dood en deze kruisiging leef ik, dat wil zeggen : door deze genade en vrijheid.
Doch niet meer ik .....
Helder en klaar toont Paulus hier, hoe hij leeft. En hij leert, welke de christelijke gerechtigheid is ; namelijk die, door welke Christus in ons leeft ; niet die dus, welke in onszelf woont.
Wanneer er dus gehandeld wordt over de christelijke gerechtigheid, dan moet 's menschen persoonlijkheid geheel terzijde gesteld worden. Want blijf ik aan een persoon hangen, dan wordt deze onwillekeurig, of hij het wil of niet, tot een werkheilige, die onderworpen is aan de Wet.
Christus en mijn gemoed moeten tot éénlichaam worden, zoodat ik mij niets anders voor oogen stel, dan den gekruisigden en opgestanen Christus. Zie ik echter niet op Christus, doch uitsluitend op mijzelf, dan is het met mij gedaan. Want dan komt terstond de gedachte in mij op : Christus is in den hemel, en ik ben op de aarde. Hoe zoudt gij tot Hem kunnen komen ? Ik denk dan : laat ik heilig gaan leven, en doen wat de Wet eischt ; ik zal dan wel het eeuwige leven ingaan.
Wanneer ik op deze wijze tot mijzelf inkeer, en overweeg, hoe ik ben, en hoe ik behoorde te zijn, als ook wat ik doen moest, dan verlies ik Christus uit het oog, die alleen mijn gerechtigheid en mijn leven is. En heb ik Hem verloren, dan is er geen raad of uitkomst meer ; dan moet noodwendig de vertwijfeling en het oordeel volgen.
Het euvel van een dergelijke beschouwing is zeer algemeen.
De ellende van den mensch is, dat wij in aanvechtingen en doodsnood Christus spoedig laten schieten, en alleen acht geven op onszelf en onze eigen aangelegenheden. Worden wij dus niet door het geloof opgericht, dan moeten wij omkomen.
Laten wij er dus onszelf aan wennen, dat wij in worstelingen des gemoeds onszelf, de Wet en eigen werken laten varen.
Laten wij ons oog strak gericht houden op de koperen slang, namelijk op Christus, die aan het kruis genageld is.
Laten wij, zonder den blik van Christus af te wenden, een stellig vertrouwen koesteren, dat Hij onze gerechtigheid en ons leven is.
En laten wij ons niet bekommeren om de bedreiging en verschrikking der Wet, der zonde, des doods, des toorns en des gerichts Gods.
Want Christus, aan wien wij ons vastklemmen, in wien wij zijn, en die ook in ons leeft, heeft over Wet, dood en zonde getriumpheerd. In Hem hebben wij een onwankelbare troost, en in Hem is ons de overwinning geschonken !
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 9 mei 1940
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 9 mei 1940
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's