De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

NIENKE

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

NIENKE

FEUILLETON

6 minuten leestijd

VERHAAL UIT 'T FRIESCHE VOLKSLEVEN

(Met toestemming Uitgever J. H. Kok te Kampen) 47)

Wat er dien nacht al niet door haar hoofd en hart gegaan was, viel niet te zeggen, doch wat wèl boven alles vaststond : het was de begeerte om te trachten het spoor harer familie te vinden, al moest dit uit den aard der zaak met groote wijsheid en voorzichtigheid geschieden.

Wellicht, dat ds. Buitenveld de man was, die daarbij groote diensten kon doen en in de hoop daarop viel zij eindelijk in een lichte sluimering.

Den avond daarop volgende, had men, weer in de schemering, baas Gurbe den weg naar de pastorie van ds. Buitenveld kunnen zien inslaan. Hier was hij geen onbekende, integendeel. Zoo dikwijls in Zevenhuizen iemand het tijdelijke met het eeuwige verwisselde, was hij immers de man, die het hier moest aanzeggen en later den dominé met mevrouw op de begrafenis vroeg. Of wanneer de contributie voor de Zending of de Onthoudersvereeniging of van eene andere corporatie moest worden opgehaald, ging dat gewoonlijk door zijn hand, evenals het rondbrengen van sommige convocaties. Ditmaal was het echter iets anders, dat hem dreef. Ds. Buitenveld had het aanstonds gemerkt aan de manier, waarop Gurbe binnen kwam. Met moeite scheen hij het woord te kunnen vinden, waarmede hij beginnen moest, zoodat dominé tenslotte hem geholpen had, door te zeggen : „Vertel nu maar eens, wat je op het hart hebt, Gurbe", en toen kwam het er uit.

Lang hebben de beide mannen daarop samen gesproken, waarvan dit het einde werd, dat ds. Buitenveld door middel van een bekend collega uit Amsterdam zou trachten, de draden in handen te krijgen van een zaak en van een familie, waarvan men tot hiertoe zoo weinig afwist. Evenwel verheelde hij niet, welke moeilijkheden hieraan verbonden waren ; vooreerst, waar het eene gebeurtenis betrof, waarover reeds zoovele jaren waren heengegaan en dan, waar het ging om iemand te zoeken in een stad, waar de eene mensch vaak niets van den ander weet en zoo menig leven ten onder gaat, zonder dat iemand zich daarover bekommert. In elk geval zou de voorbereiding hiertoe voorzichtig moeten plaats hebben en zonder haasten tevens.

Voor Gurbe en de zijnen was het evenwel eene verlichting, te mogen weten, dat in die richting gewerkt zou worden, en dien nacht sliepen allen den slaap des gerusten.

Wat is er echter wisselvalliger dan een menschenhart ? Kort daarop kwam die ontmoeting van Nienke met Tjerk Santema, op de Kerklaan, en hetgeen in den aanvang onbewust uit die ontmoeting voortvloeide, 't Scheen een spelen te zijn met gewaarwordingen en gevoelens, waarvan zij zichzelf ternauwernood rekenschap gaf, en die als in een zoeten droom deden voortleven, tot daarop die brief van Tjerk kwam, welke haar plotseling voor de werkelijkheid der dingen bracht en zou noodzaken een beslissing te nemen, die niet verborgen bleef en voor het geheele verdere leven van onberekenbare gevolgen kon worden.

En Tjerk was gekomen en had haar zijn liefde verklaard ; en zij had hem gezegd, omdat hij het weten moest en daar recht op had, dat zij niet wist, wie haar vader, noch hare moeder was. Doch, wat zij nooit had durven denken : toen vroeg hij haar, of zij zich die preek herinnerde van „Een zeker mensch". Die vraag had haar geheel in de war gebracht. Ja zeker, herinnerde zij zich die. Nooit zou zij deze weer vergeten, maar ...... „En als God zich dan met zulke menschen bemoeit, en als de Heere Jezus het dan de moeite waard acht op hen te wijzen, zoodat hunne geschiedenis zelfs in den Bijbel kwam te staan, mogen wij dezen dan verstooten of minachten ? " vroeg Tjerk. Met verwondering deed dat woord naar hem opzien ! Waar kreeg hij dat weg ! Tjerk was anders niet zoo spraakzaam en allerminst had zij verwacht, dat hij zich met den godsdienst bemoeide. Dat was ook een niet gering bezwaar bij haar geweest, toen dat briefje kwam. De Santema's waren immers lieden van de wereld ; uitgezonderd dan misschien de boerin, in wie men wel eens zei, dat van huisuit nog iets anders lag. En dan nu óók Mini, als vrucht van. haar ziekbed. Maar voor de rest ? De boer ging des Zondags eenmaal naar de kerk, omdat hij kerkvoogd was ; Gabe en Maaike zag men er bijna nooit en Tjerk, nu ja, die was iets anders, doch men zag hem nooit in de Christelijke vergaderingen of op de Christelijke feestavonden. Niet bij de Jongelingsver-eeniging, niet bij „Hallelujah", de muziekvereeniging, natuurlijk niet van de onthouding lid en dus zoowat buiten alles, wat den naam van Christelijk droeg. En nu zoo'n antwoord aan Nienke te geven I 't Bracht haar even in tweestrijd.

„Gevoel je dan voor zulke menschen, die om een of andere oorzaak, misschien ook wel door eigen schuld, in 't ongeluk zijn gebracht ? " vroeg Nienke. En toen gaf hij weer een antwoord, dat zij nooit had verwacht : „'k Heb van professor Biesterveld in een boek gelezen, dat een Christen, die het groote wereldleed in zijn eigen harte voelde trillen, niet als lijdelijk toeschouwer het levensdrama kan aanzien", zei hij.

Hoe had dat woord haar aangegrepen. De vraag brandde haar op de tong : „Ben je dan een Christen?", doch gelukkig bedacht zij zich. Wie was zij, om daarover te oordeelen ? Deden de menschen dat al niet veel te veel, daarbij een ander metend naar eigen maatstaf ? Doch alsof hij deze vraag verwacht had, vervolgde hij : „Dat woord heeft mij indertijd zóó gegrepen, dat ik het van buiten ken en het mij nooit weer losgelaten heeft en ik daarom ook omgang zoek met iemand, die daar wellicht óók iets van verstaat".

Toen was het Nienke te machtig geworden. Ja, daar verstond zij door Gods genade iets van, al telde zij dan nauwelijks twintig jaren. Was 't groote wereldleed nog niet vóór enkele dagen op haar los gekomen als een machtige, die haar besprong en ter aarde wierp en neerdrukte, en den adem zocht te ontnemen en toen een doorn in haar vleesch stak, zoó venijnig scherp, dat de pijn daarvan telkens en telkens weer gevoeld werd ? Trilde het ook niet in haar hart, dat groote wereldleed van allen, wien het leven een drama werd en trilde het niet, omdat zij daar zelf zoo nauw bij betrokken was ?

(Wordt vervolgd.)

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 9 mei 1940

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's

NIENKE

Bekijk de hele uitgave van donderdag 9 mei 1940

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's