De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

„Zoo ik niet had geloofd....”

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

„Zoo ik niet had geloofd....”

6 minuten leestijd

Wij bevinden ons in stormgetij. Zelfs daar, waar de orkaan nog niet is opgestoken, klapwieken in steeds grooter wordende getalen de stormvogels reeds rond. Terwijl hun onheilspellend gekras, dat zich paart met het geloei van den storm in de verte, als een somber voorteeken is van hetgeen komen kan.

Bij dezen donkeren achtergrond, welke onlosmakelijk met de teekenen der tijden verbonden is, schittert zooveel te helderder het licht dat een waarachtig geloof vermag te verspreiden en waarvan b.v. onze Apostolische Geloofsbelijdenis getuigenis aflegt.

Juist wanneer alles rondom al donkerder wordt, valt te meer op de waardij van een brandende lamp des geloofs. Gods gemeente is immers te midden van het stormgetij, te midden van een ondergaande wereld, een bruidsgemeente, die opgaat haar Bruidegom tegemoet ? Christus zeide het reeds tijdens Zijn omwandeling op aarde tot Zijn discipelen en in hen tot alle ware geloovigen: ,,Als nu deze dingen beginnen te geschieden, zoo ziet omhoog en heft uwe oogen opwaarts, omdat uwe verlossing nabij is".

,,Zoo ik niet had geloofd ". Wat dan? Dan zou er alleen sprake zijn van opgaan, blinken en verzinken ; van eten, drinken en vroolijk zijn, want morgen sterven wij.

Dan was het leven zonder uitzicht, zonder levende hope. Dan zou het zijn : vreemdeling van de verbonden der beloften, zonder God in de wereld.

Wanneer dit geloof, gewerkt door den Heiligen Geest, er echter wel is, dan hooren wij een apostel Paulus in het aangezicht van den dood juichen : Ik heb den goeden strijd gestreden, ik heb den loop geëindigd, ik heb het geloof behouden. Voorts is mij weggelegd de kroon der rechtvaardigheid, welke mij de Heere, de rechtvaardige Rechter, in dien dag geven zal. En niet alleen mij, maar ook allen " die Zijne verschijning hebben" liefgehad.

En wanneer de teekenen der tijden het Maranatha spellen — wanneer donkere wolken zich aan den volkerenhemel samenpakken — dan ziet het oog des geloofs, wanneer het geloof levendig is, reikhalzend uit naar de wederkomst op de wolken des hemels van Hem, Wien gegeven is alle macht in hemel en op aarde. Die het getuigd heeft : de poorten der hel zullen mijne gemeente niet overweldigen.

„Zoo ik niet had geloofd ......"

Aan een geloofsbelijdenis, wanneer het werkelijk een belijdenis van ons persoonlijk geloof is, gaat altijd iets vooraf.

Dan is er n.l. aan de geloofsbelijdenis een schuldbelijdenis voorafgegaan.

Aan het „'k Zal eeuwig zingen van Gods goedertierenheên" zal voorafgegaan moeten zijn : „'k Bekend' o Heer' aan U oprecht mijn zonden".

Een geloofsbelijdenis zonder voorafgaande schuldbelijdenis is een schijnbelijdenis. Een geloofsbelijdenis daarentegen waaraan een schuldbelijdenis voorafging, is zoo overweldigend rijk dat ze uitloopt in het : „Ik geloof de vergeving der zonden, de wederopstanding des vleesches en een eeuwig leven."

Dan is er het geloofsvertrouwen dat God zal voleindigen wat Zijn Hand begon. Terwijl wanneer in den strijd des geloofs soms gevreesd wordt dat de nederlaag zal geleden worden, het plotseling den moeden pelgrim weer tegenklinkt : Vrees niet, geloof alleenlijk. Dan neemt hij zijn staf weer op en met een tintelend oog zet hij de reis naar Jeruzalem voort.

Zoo, ziende op den oversten Leidsman en Voleinder des geloofs, gaat hij zijn weg door Geesteslicht overgoten, in beginsel reeds zich verheugend in de overwinningsglorie van den opgestanen Heiland, die voor eeuwig zal regeeren. En het lied van den dichter Waanders is hem uit het hart gegrepen :

Zoo ik niet had geloofd, dat in dit moeilijk leven, de Heer' mij weg en woning had bereid, en dat mijn naam staat in Zijn boek geschreven voor hooger heerlijkheid ; Zoo ik niet had geloofd, dat Hij mijn tijden regelt, en zonder Zijnen wil geen haar valt van mijn hoofd, zoo ik niet altijd weer Zijn liefde vond bezegeld, zoo ik niet had geloofd, zoo ik niet had geloofd !

Maar nu moet ook mijn lied uw donker pad verzeilen, verstomden in het leed, verstomden in den strijd : daar is een bron van kracht met onuitputb're wellen, daar is nog zaligheid ! Een leven in den dool maakt afgemat en moede : verlangt gij niet naar rust, verlangt gij niet naar huis ? Dit is de zeek're weg : een heuvel, een bebloede Christus aan het kruis.

Hier houdt de kennis op en gaat geleerdheid onder ; de wijze loopt voorbij ; de denker schudt het hoofd , Daar is geen and're weg: Gods liefde werkt het wonder, welzalig die gelooft ! Welzalig die gelooft. Welzalig reeds het zwakke, het wank'le kleingeloof dat Hij te plantenkwam, ook als Zijn wijze raad een storm zendt door de takken tot sterking van den stam.

Welzalig die gelooft, die teert op Gods genade, 't Gezaaide tarwegraan komt eerst wel niettig uit, maar klimt van kracht tot kracht, tot milde zon zijn zade doet rijpen in de vreugd van ruischend oogstgeluid.  Tot op dien grooten dag, bij strijd en nederlagen, óf in omgloried licht met opgeheven, hoofd :„Door U, door U alleen, om 't eeuwig welbehagen" „Zoo ik niet had geloofd, zoo ik niet had geloofd !"

Zoo ik niet had geloofd, dat in dit moeilijk leven de Heer' mij weg en woning had bereid, en dat mijn naam staat in Zijn boek geschreven voor hooger heerlijkheid ; Zoo ik niet had geloofd ! Richt, Heer', naar dat belijden de neiging van mijn hart, de wending van mijn gang. Zoo worde eens dat lied uit overoude tijden mijn zwanenzang.

Dit gedicht, het is als een voorspel dat ons voert naar 't slot van Psalm 27. Dat psalmlied, dat in alle tijden en plaatsen, in blijde en in droeve dagen, door Gods gemeente is aangeheven ; waarvan de Godshuizen hebben weergalmd, maar dat ook wellicht op gedempte toon is gezongen, toen de Kerk haar toevlucht moest nemen in de donkere catacomben :

Zoo ik niet had geloofd dat in dit leven, Mijn ziel Gods gunst en hulp genieten zou. Mijn God, waar was mijn hoop, mijn moed gebleven, Ik was vergaan in al mijn smart en rouw. Wacht op den Heer', godvruchte schaar houdt moed ! Hij is getrouw, de bron van alle goed ; Zoo daalt Zijn kracht op u in zwakheid neer, Wacht dan, ja wacht! Verlaat u op den Heer'!

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 9 mei 1940

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's

„Zoo ik niet had geloofd....”

Bekijk de hele uitgave van donderdag 9 mei 1940

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's