UIT DE HISTORIE
Luthers verklaring van Paulus' Brief aan de Galaten.
De apostel onderwijst Petrus, dat de rechtvaardiging alleen geschiedt uit het geloof : niet uit de werken, vers 15—21. (XI)
Hoofdstuk II.
Ik leef, doch niet meer ik, maar Christus leeft in mij, vers 20.
Wanneer Paulus zegt, dat hij leeft, dan klinkt dat persoonlijk, en dan lijkt het, alsof hij het over zichzelf heeft. Daarom voegt hij er terstond aan toe : ik leef echter zelf niet meer, maar Christus leeft in mij. Weliswaar leeft mijn persoon, maar niet krachtens zichzelf, en voor zichzelf.
Wie is echter die „ik", waarvan de apostel spreekt ? Antwoord : het „ik", dat de Wet houdt en goede werken doet, en met Christus niet van doen heeft.
Dat „ik" verwerpt Paulus, omdat een „ik", dat niet bij Christus behoort, in verband staat met den dood en de hel. De apostel zegt dus : Christus, die met mij verbonden is, en aan wien ik mij vastklem, leeft in mij het leven, hetwelk ik leef. En sterker nog : het leven, waardoor ik leef, is Christus zelf. In dit opzicht zijn Christus en ik één geheel.
Daar nu Christus in mij leeft, doet Hij de Wet te niet ; ook wordt door Hem de zonde veroordeeld, en de dood gedood, omdat zij, waar Christus verschijnt, niets anders kunnen doen, dan verdwijnen. Want Christus is de eeuwige vrede, troost, gerechtigheid en het leven.
Zoo neemt Christus, die in mij blijft en leeft, alles wat mij plaagt en kwelt weg, zoodat, dit wonen van Christus in mij bewerkt, dat ik bevrijd word van de verschrikking der Wet en der zonde. Vanuit mijn vleesch word ik overgezet in Zijn Koninkrijk, hetwelk een Rijk is van genade, van vrede, van vreugde, van leven, van zaligheid en eeuwige heerlijkheid. Wijl ik in Christus leef, kan geen onheil mij schaden.
Naar het uitwendige blijft intusschen echter de oude mensch, die der Wet onderworpen is. Doch wat de rechtvaardigmaking betreft, moeten Christus en ik ten nauwste verbonden zijn, zoodat Hij in mij leeft, en ik in Hem (wel een wonderlijke manier van spreken !). Omdat Christus echter in mij leeft, behoort alles wat er in mij aan genade, gerechtigheid, vrede, leven en zaligheid gevonden wordt. Hem toe, en toch is dit alles ook gelijk van mij door de nauwe betrekking, die er door het geloof met Christus is, waardoor wij als het ware één lichaam geworden zijn in den Geest.
Zoo geeft Paulus zich moeite, om ons geheel te doen afzien van ons zelf, de Wet en onze eigen werken, en ons te richten op Christus, opdat wij met betrekking tot de vraag, hoe wij gerechtvaardigd worden, alleen maar zullen letten op de genade, die wij principieel moeten scheiden van de Wet en de werken, welke hier niet in aanmerking mogen genomen worden.
En hetgeen ik nu in het vleesch leef, dat leef ik door het geloof des Zoons van God, vervolg vers. 20.
Dit wil zeggen : ik leef wel in het vleesch, doch ik houd het leven, dat ik leid, voor geen leven. In werkelijkheid leid ik een schijnleven, waaronder echter Christus leeft, die mijn eigenlijke leven is, hetwelk gij wel niet ziet, maar dat ge toch hoort, gelijk gij den wind hoort blazen, zonder te weten vanwaar hij komt, en waar hij henengaat. (Johannes 3 vers 8).
Ge ziet, dat ik spreek, eet, werk en slaap, maar mijn eigenlijke leven ziet ge niet, omdat ik wel in het vleesch, maar niet naar het vleesch leef, doch uit het geloof en overeenkomstig het geloof.
Paulus ontkent dus niet het feit, dat hij in het vleesch leeft, want hij doet alles, wat ook de natuurlijke mensch doet. Hij voorziet in zijn levensonderhoud, voedsel en kleeding, wat toch dingen zijn, die bij het vleesch behooren.
Hij zegt echter, dat zulks niet zijn eigenlijke leven is, want hij stelt zijn hart niet op dit alles. Weliswaar maakt hij gebruik van dingen, die „vleeschelijk" zijn, maar hij leeft daar niet voor, gelijk de wereld voor het vleesch leeft. Buiten het „vleeschelijk" leven toch kent de wereld geen ander leven.
Daarom zegt de apostel : het leven, dat ik doorbreng in het vleesch, leef ik door het geloof des Zoons van God, want dit woord, dat ik spreek, is niet een woord, dat opkomt uit het vleesch, maar vrucht van den Heiligen Geest en van Christus. En hoewel ik vleeschelijk zie en hoor, — zoo is toch mijn gezicht en mijn gehoor niet uit het vleesch, doch uit den Heiligen Geest.
Een christen voert slechts kuische, gematigde, geheiligde en Godzalige gesprekken, welke betrekking hebben op Christus, en de eere Gods en de zaligheid van den naaste bedoelen. Deze komen echter niet op uit het vleesch, hoewel zij er niet buitenom gaan. Zonder de vereischte werktuigen des vleesches kan ik geen onderricht geven, niet bidden, danken en schrijven. En toch komen deze dingen niet op uit het vleesch. Zij nemen in het vleesch niet hun oorsprong, doch zij worden van God geschonken, en uit den hemel geopenbaard.
Wanneer ik naar een meisje kijk, zonder haar te begeeren, dan is dit niet uit het vleesch, hoewel ik haar aanzie, want mijn oogen zijn werktuigen, die behooren bij het „vleesch". De kuischheid, waarmede dit aanzien echter gepaard gaat, komt uit den hemel.
Zoo maakt ook een christen gebruik van deze wereld en alles wat in haar is, zoodat er in dit opzicht geen onderscheid is tusschen hem en de goddeloozen. Zij gebruiken dezelfde spijze, en dragen dezelfde kleeding. Zij hebben hetzelfde gehoor, en zien en hooren op gelijke wijze. Toch is er tusschen beiden een groot verschil, want ik leef niet mijn eigen leven, alhoewel ik evenzeer in 't vleesch ben. Doch hetgeen ik nu in het vleesch leef, dat leef ik door het geloof des Zoons van God.
Wat ik nu spreek, komt op uit een andere bron, dan hetgeen gij mij vroeger hoorde verkondigen. Vóór zijn bekeering sprak Paulus weliswaar met dezelfde tong en dezelfde spraak, doch zijn spreken was destijds godslasterlijk. Hij kon toen niets anders dan gruwelen voortbrengen met opzicht tot Christus en Zijn kerk. Na zijn bekeering heeft hij dezelfde tong en dezelfde spraak behouden, als ook hetzelfde vleesch ; daarin is geen verandering gekomen ; doch hij sprak geen godslasteringen meer uit, doch geestelijke woorden, te weten dankzegging en lof jegens God, hetgeen opkwam uit het geloof en den Heiligen Geest.
Hier kan verstaan worden, waar eens menschen geestelijk leven vandaan komt, van hetwelk de natuurlijke mensch niets begrijpt. Want hij weet niet, hoe dit geestelijk leven in elkaar zit. Weliswaar hoort hij bij een geestelijk mensch zijn stem, en ziet hij zijn doen en laten, doch vanwaar zijn woorden komen, die te voren godslasterlijk en Gode onteerend waren, en nu heilig en Gode welgevallig zijn, weet hij niet.
Het geestelijk leven is dan ook verborgen in het hart, door het geloof, en nadat het vleesch gedood is, regeert Christus in de ziel met Zijnen Heiligen Geest, die voortaan alles doet, hoewel het vleesch zich tegen Zijn heerschappij verzet.
Kortom : het geestelijk leven is niet naar, wel in hel vleesch ; het is van Christus, den Zoon van God, welken een christen door het geloof is deelachtig geworden.
Opmerking. Niet zelden is de verleiding sterk, eens een enkele opmerking te maken over de soms schoone gedachten, die Luther in deze verklaring ten beste geeft. Prachtig is bijvoorbeeld in dit artikel zijn beschouwing over de natuurlijke en geestelijke bewustwording. Ook komt het uiteraard wel voor, dat op een bepaalde visie van den hervormer aanmerking zou zijn te maken. Wij hebben echter in overweging, om te beginnen bij het derde hoofdstuk, wanneer daartoe aanleiding is, eens door het plaatsen van een nootje op een of andere zaak de bizondere aandacht van den lezer te vestigen. Wanneer het lezen dezer artikelen voor u een even groot genot is, als voor mij het vertalen, dan levert Luthers voortreffelijk werk na eeuwen nog ruimschoots rente op.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 23 mei 1940
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 23 mei 1940
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's