Met verootmoediging hopen op het heil des Heeren.
Klaagliederen 3 : 22—33.
Wij hebben een oogenblik hier willen saamkomen om met en voor elkander Gods aangezicht te zoeken ; ons te sterken in Hem, die krachtiglijk is bevonden een Hulp in benauwdheden.
Zoo ooit dan is het ons nu een behoefte, om te schuilen onder de schaduw van Gods vleugelen. En ofschoon wij stof en asch zijn, zondige menschen, die voor een heiligen God niet kunnen bestaan, vinden wij tot dat schuilen vrijmoedigheid, omdat Hij zelf in Zijn Woord daartoe aandringt, zeggende : Werp al uw bekommernissen op Mij, Ik zal het maken.
Ja, zóó spreekt God tot ons, ook in deze dagen, want Hij wil luisteren, ook nu, naar wat wij Hem te vragen en te klagen hebben.
Laat ons dan van dat heerlijk voorrecht gedurig gebruik maken.
Vertrouw op Hem, o volk in smart, stort voor Hem uit uw gansche hart, God is een toevlucht t' allen tijde.
,,0 volk, in smart", zoo heet het, en ja, dat zijn we nu. Een onnoemelijk leed beeft ons getroffen, nameloos wee. Het gansche land treurt om den gruwel der verwoesting, die over ons is gekomen als een wervelwind, een ratelende donderslag en gelijk een spooksel in de lucht.
Zeker, wij wisten dat de oorlog een van de grootste rampen was, maar wij wisten het maar van hooren-zeggen. En nu hebben wij het iaan den lijve gevoeld en hebben doorgemaakt wat een vreeselijke hel, wat vreeselijke geesel hij is. Hij ontstelt de verbeelding door de bloedige indrukken van zooveel verwoesting en ellende. Hij kwelt het verstand door zijn dolle onredelijkheid. Hij pijnigt het geweten, dat ineen krimpt als het ziet, dat alles, alles zwijgen moet voor de macht van het geweld.
Onze ziel buigt zich neer in droefheid en verslagenheid.
Wij denken met weemoed en eerbied aan onze landszonen, die hun leven ten offer hebben gebracht. Wij denken aan zoovelen, die in onze stad levend begraven zijn onder 't puin van instortende huizen of zijn omgekomen in de vlammen. Wij denken aan die vele vaders en moeders, die van kinderen zijn beroofd.
O, welke bittere, bittere verliezen zijn er geleden aan goed en bloed!!
Wat zullen wij nu doen ? Wij zien, dat spreekt van zelf, allerlei reacties onder de menschen. Ik ga daar verder niet op in. Alleen wil ik dit zeggen: laten wij niet meedoen met het moeizaam zoeken bij wie de schuld van den tegenwoordigen oorlog te vinden zou zijn.
Hij moest immers, naar aller oordeel, komen! Maar dat hij komen moest, bewijst wel de groote verwarring, die allerwege heerscht, zoodat zulk een ontknooping noodig en onvermijdelijk was geworden. De wereld is niet wat zij wezen moet en daarom gaat zij in het gericht. Maar wij behooren óók tot de wereld; wij leven in haar èn — wat erger is — zij leeft in ons. Wie dat recht verstaat doet niet mee in het veroordeelen van anderen, maar die buigt zich voor God in het stof en roept uit: ik zal mijn Rechter om genade bidden !
Want het zijn niet anders dan ónze zonden, die de oordeelen wakker roepen.
God leert de oprechten van hart in deze verschrikkelijke oorlogsdagen, dat het kwaad en bitter is den Heere te verlaten.
Dat is trouwens bij alle menschen, die gelooven, de klare bewustheid : alle oordeel komt van God. Zal er een kwaad in de stad zijn, dat de Heere niet doet ?
Wij moeten ongetwijfeld in deze wereldbrand zien het goddeloos-bedrijf van de machthebbers dezer eeuw, het misdadig spel van booze machten, die uitgegaan zijn om te verderven. Maar zoo wij niet verder zien, dan zien wij te kort. Wij moeten zien de hand, die richt, en dat is de hand des Heeren. God laat Zich niet bespotten. Lankmoedig is Hij, doch van groote kracht en Hij houdt de schuldige geenszins onschuldig. De zonde zoekt Hij thuis aan personen en volken. Hij voltrekt Zijn rechtsoefening ook onder ons. En de zekerheid dier vergelding staat nog wel zóó vast voor het menschelijk besef, dat er een element van waarheid is in het gezegde : „de wereldgeschiedenis is het wereldgericht".
Dat God de zonde straft, dat Zijn gerechtigheid is als de bergen, wie ziet daarvan niet de bewijzen in de geschiedenis ? Staan de welsprekende getuigen van Gods gerichten niet voor het oog aller eeuwen: in den vloed, die heel een wereld deed verzinken, in de dagen van Noach ; van den regen van vuur en sulfer, die de steden van het Siddindal deed vergaan ; in den vloek over Israels zonde, die Jeruzalem tot een puinhoop maakte en de erfgenamen van het land der belofte tot ballingen over heel de wereld ?
In den oorlog, die thans de volkeren van Europa striemt — deze eigen oorlog, die, mag men hen gelooven, velen aan de gerechtigheid Gods doet twijfelen — wat is hij anders, dan het voor de oogen van schuldige natiën, in letteren van bloed en vuur geschreven woord: Voorwaar, daar is een God, die leeft en hier op aarde vonnis geeft. Ja, God zoekt de zonde thuis, bij personen en volken !
Als het goed is, zullen ook wij moeten erkennen, dat wij mede hebben geknoopt aan den geesel, waarmee wij geslagen worden ; en dat wij mede schuldig staan aan de rampen, die de wereld teisteren. De waarheid, die uit God is, stelt ons allen op onze eigen plaats en dat is voor ieder de plaats van zondaar voor God en zondaar tegenover elkander.
Inderdaad, wij hebben gezondigd tegen de eerste tafel der wet: heb God lief boven alles. En wij staan schuldig tegenover de tweede tafel der wet : heb uw naaste lief als uzelf.
Inderdaad, het oordeel is verdiend. Daar is in dezen oorlog zoo ontzaglijk veel vernederends voor ons allen.
Wij hebben hem noodig en maakten hem dus noodig als het vreeselijke middel, dat onze ingeslapen ziel wakker moet schrikken. „Hoort de roede en wie ze besteld heeft" — en buigen wij ons in diepe verootmoediging des harten over onze zonden neer voor den hoogen God!
Als wij ons in waarheid verootmoedigen, hebben wij ook de belofte der ontferming Gods. Een verootmoedigd volk mag hopen op het heil des Heeren. Dat is de boodschap, die de profeet Jeremia ons brengt. Gij weet, met tranen in de oogen had hij zijn volk zoo menigmaal gebeden, om toch weer te keeren tot den Rotssteen der behoudenis, maar zij hadden niet willen hooren. Dan breekt het oordeel over Jeruzalem los. Stad en tempel worden verwoest. En hij moet getuige zijn van de grootste jammer vol oordeelen.
„Ik", zoo klaagt Jeremia het uit, „ik ben de man, die ellende gezien heeft. Al het andere is niets, hierbij vergeleken. En dan stort hij in hartstochtelijke beeldspraak zijn klacht ui-voor zijn God.
Doch — Jeremia klaagt niet alleen; neen, hij verootmoedigt zich ook tegelijk voor den Heere, zijn God. En daarin is hij ons ten voorbeeld.
Wij klagen, en niet zonder groote oorzaak, over de vreeselijke dingen, die ons overkomen zijn. Wij jammeren over de zee van ellende, waarin wij zoo onverhoeds zijn gestort, maar laat het daarbij toch niet blijven ! Steken wij toch af naar de diepte van schulderkentenis en zondebelijdenis voor God, dan zal daar een weenen zijn, niet maar alleen over de rampzalige gevolgen van de zonde, doch over de zonde zelve ; over onze persoonlijke zonde èn over onze gemeenschappelijke zonden, over de zonde van ons huis, van ons land, van ons volk, van onze stad, van onze Kerk.
Dat is het eerste wat ons noodig is : waarachtig schuldbesef.
O, dat wij er toch voor bewaard mogen worden om te mokken en te murmureeren en in opstand te komen tegen het zware lot, dat ons beschikt is ; maar dat wij onze mond in 't stof steken en ons verootmoedigen voor God. Gods recht erkennen en niet meer in het gewaad der onschuld, doch in het boetekleed voor 's Heeren aangezicht verschijnen met smeeking en geween. Dan, ja dan, zou uit verlies nog winst voor ons kunnen geboren worden.
„Het is goed, dat men hope en stille zij, op het heil des Heeren, zegt Jeremia (3 vers 26).
Dat „stille zijn" leeren wij niet zonder strijd. Het is vaak vrucht van een bange zieleworsteling. Ons vleesch moet gekruisigd. Onze wil moet verloochend. Zalig, die leerde dat stille zijn, vereend te zijn met 's Heeren wil.
Dan hebben we onze zaak overgegeven in Gods hand. Dan zeggen wij : Heere, ik weet niet wat goed voor mij is, doch Gij weet het, van U is mijn verwachting. O zoolang wij op menschen zien, op de ellende die ons drukt, dan bezwijkt ons hart; maar is ons oog op God, is onze wil in, Zijn wil verslonden, dan gelooven wij óók, dat alle dingen, ook de zwaarste en moeilijkste en pijnlijkste, ons tot zaligheid moeten medewerken ten goede.
Stil zijn op 's Heeren heil. Dat is een kussen van de roede, waarmee wij zijn geslagen, een goedkeuren van Gods weg, een aanbidding van des Vaders leiding, een zingen van psalmen óók in den donkersten nacht.
Het heil komt. Misschien geheel anders dan wij het ons voorstellen, maar Gods vriendelijk aangezicht heeft vroolijkheid en licht voor alle oprechte harten ten troost verspreid in smarten.
Ja, het heil komt voor u, die verbroken en verslagen zijt, niet maar onder de rampen, maar onder uw zonde.
„Is Israël in nood, er zal verlossing komen. Zijn goedheid is zeer groot".
Vergeten wij het niet, dat wij zijn in de handen van Hem, Wiens barmhartigheden vele zijn. De tuchtigende hand is een barmhartige hand. In 't oordeel is genade. (3 : 32). Wie oog heeft voor het verdiende oordeel, krijgt oog ook voor de onverdiende barmhartigheden.
De drinkbeker, die wij als gemeente van Christus nu moeten drinken, is wel heel bitter, o, zoo bitter. En toch, deze drinkbeker kan niet voorbij gaan tenzij, dat wij dien drinken.
Doch ook in dezen lijdensnacht, is de Voorganger en Voleinder des geloofs ons voorgegaan. Hij, Die onschuldig leed voor schuldigen. Blijven wij bij Hem, Hij zal ons stille maken onder dit oordeel en ons leeren verstaan, dat ook dit oordeel verlossingen werkt. Verlossing, zeker ; maar ziet, dan moet ons oude zondaarsleven dood, het moet aan het kruis, opdat de nieuwe mensch worde geboren en leve.
God tuchtigt ons en slaat ons volk, opdat het een ander en beter volk worde, een volk tot Zijn dienst bereid. Want God slaat niet uit lust tot plagen en bedroeft de menschenkinderen niet van harte, maar kastijdt ons tot ons nut, opdat wij Zijner heiligheid zouden deelachtig worden. Daaraan hebben wij vast te houden in geloof, ook te midden van den zwartsten nacht, ook als wij niets van Gods liefde zien en ervaren. God doet het niet van harte, als Hij zulke ontzettende oordeelen over ons brengt; maar als Hij het doet, gelijk nu, dan is het omdat Hij een twist der liefde met ons heeft en ons heil wil bereiden en ons voor eeuwig wil behouden.
Dat is wel het allerklaarst geopenbaard in de overgave van Zijn eigen, eenig geboren Zoon, voor zondaren. Op Christus is ten volle van toepassing het eerste woord van ons teksthoofdstuk: „Ik ben de man, die ellende gezien heeft door de roede Zijner verbolgenheid. Hij heeft mij geleid en gevoerd in de duisternis en niet in het licht".
Christus heeft de zwaarste strijd doorstreden, die ooit op aarde gestreden is. Zóó heeft Hij onze zonde verzoend, maar ons ook tegelijk de wondere liefde Gods geopenbaard, de liefde Gods in den weg der gerechtigheid.
Laat ons dan zien op dien twist Gods met ons, dien twist van liefde en gerechtigheid saam. Ja, wij maken God moeite met al onze zonden, maar God maakt Zich ook moeite met óns. Want Hij heeft geen lust in onzen dood, maar in onze bekeering èn in ons leven. Of heeft Hij Zijn eigen Zoon daartoe niet overgegeven tot in den dood des kruises?
O zie, zie op het kruis ! En indien dan Gods hand zoo zwaar, zoo vreeselijk zwaar op ons drukt en wij met tranenbrood worden gevoed en gallewater moeten drinken, als wij nu door vele bittere beproevingen heen moeten gaan, beproevingen, die wij niet kunnen verstaan, nog eens — laat ons dan zien op het kruis en gedachtig zijn aan het woord in deze Klaagliederen geschreven : God plaagt of bedroeft de menschenkinderen niet van harte. En laat dat woord ons dan troosten, met wondere, zoete, zalige vertroostingen. Laat dat woord ons dan weer den weg wijzen door alle donkerheid heen, naar Gods Vaderhart. Dat Vaderhart, dat zoo warm voor ons klopt, staat altijd voor armen en ellendigen open. Slaan wij dan het oog naar boven en laat ons hopen op Hem, Wiens barmhartigheden roemen tegen het oordeel. Want de Heere zal niet verstooten in eeuwigheid. Maar als Hij bedroefd heeft, zoo zal Hij Zich ontfermen naar de grootheid Zijner goedertierenheden.
O God, leer ons dat gelooven. O God, bevestig dat woord ook aan ons; aan ons allen.
Dan zullen wij kunnen zingen : In de grootste smarten blijven onze harten in den Heer gerust! - Psalm 27 : 7.
Amen.
*) Uitgesproken Zondagmorgen in de Koninginnekerk te Rotterdam.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 23 mei 1940
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 23 mei 1940
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's