NIENKE
FEUILLETON
VERHAAL UIT 'T FRIESCHE VOLKSLEVEN
(Met toestemming Uitgever J. H. Kok te Kampen) 48)
Tevergeefs poogde zij te vechten tegen de smart, die opnieuw kwam opwellen als uit een bron, die dreigde nooit weer te zullen opdrogen. Neen hij wist niet, welk een bloedige wonden daar opnieuw werden opengereten, maar zij deden zóó pijn, zoo ontzettend pijn.
't Moet heel wat geduurd hebben, voordat Nienke weer redelijk denken en spreken kon. Tot een bepaalde afspraak kwam het dien avond niet. Daarvoor was zij te ontroerd en waren de verrassingen ook te groot geweest. Toen Tjerk haar verliet, wist hij anders niet, dan dat zij veel voor hem voelde en dankbaar was voor 't geen hij haar gezegd had, maar dat zij over de groote vraag, waar het om ging en die hij haar gedaan had, verder moest nadenken en aanstonds nog geen antwoord geven kon. Omdat zij zooveel zag, dat zich als een hooge muur tusschen hen beiden scheen te plaatsen. Wanneer hem dit althans goed was en hij, niettegenstaande hetgeen dezen avond was beleefd, bij zijn gevoelens voor haar bleef. Zij waren beiden nog jong ; men zag elkander geregeld en indien het bleek, dat er werkelijk oprechte liefde was, die hen bij elkaar had gebracht, dan zouden ook verder de wegen wel zoo geleid worden, dat zij eindelijk misschien één werden. Met dien schijnbaar schralen troost keerde Tjerk Santema dien avond naar „Donia-state" terug. Maar twee dagen later kwam bij Nienke de reactie van de spanning. Zware zenuwkoortsen doorschokten haar lichaam en verwarden haar geest. Allerlei visioenen van dreigend leed en loerende vijanden en gapende afgronden verhinderden te rusten en sloopten de krachten. Nauw was de koortsgloed iets gedaald en vielen de oogen van vermoeienis dicht, of opnieuw werd het bloed ongewoon verhit en joeg naar de hersenen, om andermaal in wilde fantasieën het eene schrikbeeld na het andere voor te tooveren, hetwelk soms in woeste vaart en met geweldige kracht deed opstuiven, een enkele maal afgewisseld door een lieflijk tafereel, maar dat haar zoo onzinnig kon doen lachen of zingen zelfs, wat echter onder deze omstandigheden nog akeliger klonk.
Zoo werd hier eenige dagen en nachten als aan den oever van den dood geleefd. Heel Zevenhuizen was er vol van en elk bemoeide er zich mee. Ds. Buitenveld kwam elken dag informeeren, hoe het was, en een troostwoord brengen, als hij kon ; ach, voor dit laatste was vaak geen gelegenheid, omdat de kranke hem niet eens herkende, en de dokter liep af en aan. Baas Gurbe liep verlegen het huis door en kreeg de kleeren niet uit, en Gelske week nooit van het bed. In de werkplaats was het stil. Jochem had het schootsvel wel voor, maar geen geklop werd gehoord, omdat de dokter vóór alle dingen volkomen rust bevolen had, zoodat alleen eenig naaiwerk kon worden uitgevoerd. Vriendenhanden hadden, met goedvinden van den burgemeester, een paar huizenlengten de straat met zand bestrooid, om het hinderlijk geluid van ratelende wagens niet naar binnen te doen doordringen, 't Ging immers om te trachten een jong leven te redden uit den greep des doods. Ook op Donia-state werd meer meegeleefd dan velen wisten. Toen het daar al spoedig bekend werd, dat Nienke Huitema ernstig ziek was, had vooral Tjerk rust noch duur en in een geschikt oogenblik Mini deelgenoot gemaakt van zijn geheim. Met verbazing had zij hem aangehoord. Een oogenblik was in haar hart de bekende familietrots boven gekomen, om echter aanstonds plaats te maken voor iets anders. Had zij onlangs van Nienke geen indrukken gekregen, die haar steeds bij bleven en waaraan zij telkens terug moest denken ? Nu begreep zij evenwel ook, waarom deze zich zoo voorzichtig uitliet, toen zij haar vroeg om spoedig terug te komen.
„Als het kan en hier goed gevonden wordt" — had zij gezegd. Vooral dat laatste woord kreeg nu beteekenis. Zou het op „Donia-state" werkelijk goed gevonden worden als bekend werd, wat Tjerk aan Mini vertelde ? En natuurlijk zou dit bekend worden — tenminste, wanneer Nienke herstellen mocht.
„Je kunt er zelf niet heengaan om te informeeren, nu en dan ; wij kunnen dan altijd nog nader zien, wat ons te doen staat, en als ik je helpen kan, zal ik dit niet nalaten", heeft zij gezegd. Zoo gebeurde het, dat oude Jakob namens Mini Santema een paar maal kwam vragen, hoe het met Nienke ging, en dat Swopk op een avond na het melken nog even bij den schoenmaker aanliep omdat men buiten al verteld had, dat zij overleden was" en dit zulk een ontroering op „Donia-state" bracht ; maar ook, dat in geen woning met zooveel vreugde de tijding vernomen werd, hoe eindelijk de crisis doorworsteld scheen en door de gunst Gods, Die de gebeden Zijner kinderen hoort, de veerkracht van het jonge leven de krankheid overwon. Wat gaf dat een verademing ! 't Zou nog wel eenigen tijd duren, had de dokter gezegd, vóór Nienke weer op krachten was, en voorzichtigheid bleef aanbevolen, maar 't ergste was geleden. In de werkplaats klonk weer het gezellig geklop van den hamer op het leder en zong de kanarie zijn hoogste lied. Nu en dan sprong baas Gurbe van zijn drievoet op om te informeeren hoe de patiënt het maakte, of zat bij haar om iets voor te lezen of te vertellen. Wat voelde hij zich met zijne vrouw gelukkig, dat dit dierbaar leven voor hen gespaard was, en wat deed het hem goed, vanuit het dorp zooveel belangstelling te ondervinden.
(Wordt vervolgd.)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 23 mei 1940
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 23 mei 1940
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's