De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

MEDITATIE

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

MEDITATIE

DE GOD VAN JACOB !

7 minuten leestijd

Welgelukzalig is hij, die den God Jacobs tot zijne hulpe heeft, wiens verwachting op den Heere zijnen God is, die den hemel en de aarde gemaakt heeft, de zee en al wat in dezelve is; die trouwe houdt in eeuwigheid. Psalm 146 vers 5 en 6.

Het klinkt ons wel wat raadselachtig in de ooren, als we hier dezen dichter-zanger hooren betuigen, dat de mensch, die behoefte heeft aan de hulp van den God Jacobs, welgelukzalig is.

Welgelukzalig wil toch zeggen : „vol van geluk", gelijk het woordje „rampzalig" wil zeggen : vol van rampen.

Misschien, dat er een van de lezers onmiddellijk met de opmerking voor den dag komt, dat het allesbehalve gelukkig is om in een toestand te verkeeren, waarin men hulp noodig heeft.

Ik kan het mij indenken, dat het niet prettig is om op den steun van anderen te zijn aangewezen. Ik heb menschen gekend, die er pas in den uitersten nood toe over gingen om bij de Diaconie aan te kloppen om financieelen steun. En ze zeiden mij later, dat die eerste gang voor hen zoo moeilijk was geweest.

De toestand van hen, die luidkeels om hulp roepen en het uitschreeuwen : „Help, Help", is al evenmin benijdenswaardig. Dat is immers de kreet van iemand, op wien men geweld wil plegen, of van iemand, die in 't water valt en op 't punt is om in de diepte weg te zinken, of van iemand, die ineenkrimpt vanwege de vreeselijks te pijnen.

Nog eens : het laat zich best indenken, dat er menschen gevonden worden, die het tegengestelde van onze tekstwoorden beamen. Ze komen er eerlijk voor uit, dat die mensch in hunne oogen het gelukkigst is, die zichzelf kan weten te redden en daarom de hulp van niemand noodig heeft.

Nu moeten we echter niet langs elkander heen redeneeren. Ge moet niet denken, dat ook deze zanger uit de oudheid niet zou hebben willen erkennen dat het een voorrecht is als een mensch onder den zegen van God in zijne dagelijksche behoeften voorzien kan. O neen, twijfel daaraan niet. Hij bedoelt iets geheel anders. Neen, neen, de jammer en de ellende kunnen op zichzelf genomen nooit oorzaken van blijdschap wezen.

Laten we dan toch eens goed op de bedoeling van den dichter letten. Hebt ge er wel eens over nagedacht, waarom de dichter hier spreekt van den God Jacobs ? Waarom noemt hij Hem niet den God van Abraham, of den God van Izaak ?

Stellig heeft hij Hem den God Jacobs genoemd, omdat er niet één patriarch geweest is, wiens leven zoo bewogen is geweest als dat van Jacob. De tijd is te kort om het alles te vermelden. We kunnen maar aanstippen.

Op zijn vlucht vanwege den toorn van Ezau zien we hem te Luz zijn hoofd neerleggen op een harden steen als peluw. Bij Laban wordt de bedrieger zelf bedrogen. Hij moet de hitte van den dag en de koude van den nacht trotseeren. Ik denk voorts aan de achtervolging door Laban, aan zijn vrees voor de ontmoeting met Ezau, aan de worsteling bij de Jabbok, aan zijn ontwrichte heup, aan de schande, die men te Sichem zijn lieve Dina had aangedaan, aan den bebloeden rok van Jozef, aan den vreeselijken hongersnood, die er hem toe noopte om zijn zonen te zenden naar Egypte om koren te koopen. Simeon blijft aldaar in de gevangenis. Om dezen los te krijgen, moet Benjamin mee. Ik hoor in mijn gedachten den ouden aartsvader jammeren : Gij berooft mij van kinderen. En — want we moeten kort zijn — als we hem als een oude afgeleefde grijsaard voor Farao zien staan, dan roept hij het uit, dat de dagen zijns levens weinig en kwaad zijn geweest.

En toch, Jacob, wat hebt gij in al die hachelijke omstandigheden de hulpe des Heeren rijkelijk mogen ervaren. In de aartsvaderlijke tent heeft de Heere voor u gezorgd. Ondanks al uw zonden en uwe bedriegelijke aard wordt te Bethel door u een hemelsche ladder gezien, die den hemel met u, arm zondaar, verbindt.

Wat hebt ge in het huis van Laban de hulpe van uw God rijkelijk mogen ondervinden ! Wat heeft de Heere u geholpen, toen Laban u op uw vlucht inhaalde en dreigde terug te voeren !

Te Mahanaim omringden de legerscharen van engelen u. Maar nooit is de hulp des Heeren door u zoo heerlijk ervaren als te Pniël, toen de Heere met u streed in dien donkeren nacht, in dat duistere woud. Daar deed God Jacob terugblikken op zijn zondige leven, wat achter hem lag. Op de vraag, hoe zijn naam was, kon geen ontwijkend antwoord worden gegeven. Hij moest het wel belijden: Mijn naam is Jacob, d.w.z. bedrieger.

O, als hij ooit de hulp van Boven heeft noodig gehad, dan was het nu. Nu ging 't niet om gevaren van den kant van Ezau of Laban. Neen, nu kreeg Jacob met God te doen. Wat zal hij toen het recht des Heeren hebben moeten billijken. Nu klimt de nood zóó hoog, dat hij het niet anders kan indenken of het is met hem voor eeuwig verloren. En ondanks het feit, dat hij het rechtvaardig vonnis moet billijken, roept en smeekt hij om genade : Ik laat U niet los, tenzij Gij mij zegent.

En wat lezen we dan ? Dat de Heere hem aldaar zegent, nietwaar ? Hij krijgt zelfs een nieuwe naam. Het is nu niet meer Jacob, maar Israël, want hij heeft zich vorstelijk gedragen met God en met de menschen en heeft overmocht.

Aan dien God, dien hij te Pniël in zijn recht en genade leerde kennen, heeft hij zich in zijn latere leven telkens weer vastgeklemd. Tot zijn doodssnik toe ! Niet beroofd van kinderen, gaat hij sterven. Neen, als hij den laatsten snik gaat geven, staan al zijn zonen rondom hem en leunend op zijn staf, roept hij het uit: Op Uwe zaligheid wacht ik, o Heere.

En nu vraag ik het u nog eens, of de dichter te veel heeft gezegd, als hij durft te beweren, dat de mensch, die zijn hulp zoekt bij den God van Jacob, welgelukzalig is. Die op dien God van Jacob leert hopen, heeft op geen zand gebouwd. Het is maar geen bladvulling, als er van den Heere nog aan wordt toegevoegd, dat Hij den hemel en de aarde heeft gemaakt, de zee en al wat in dezelve is. Het moet ons herinneren aan de almacht Gods, die dat gansche heelal heeft voortgebracht en hetzelve van oogenblik tot oogenblik draagt door het woord Zijner kracht.

Hij is zoó machtig, dat het Hem slechts één wenk kost om al wat u drukt, in één oogenblik weg te nemen.

O, lezers, stemt gij reeds in met dezen tekst ? Zijt gij ook al eens als een hulpelooze gevlucht naar dien machtigen God van Jacob ? Och, zoolang een mensch nog rijk en verrijkt is en aan geen ding gebrek heeft, weet hij het niet, dat hij arm, blind, jammerlijk, naakt en ellendig is. Maar in dien toestand heeft men voor eigen bewustzijn God niet noodig, doch weet men zichzelf wel te redden. Die toestand is uiterst gevaarvol. Wil ik den tekst eens even omkeeren ? Dan wordt het: Rampzalig is hij, die den God van Jacob niet tot zijn hulpe heeft.

O, klinkt dat niet verschrikkelijk! Zonder den God van Jacob leven, dat wordt straks zonder Hem sterven en voor eeuwig verloren gaan.

O, lezers, weet toch, dat er tusschen wieg en graf wat anders moet worden gekend dan de natuur ons leert. O, het is nu nog tijd om de knieën te buigen en Zijn genade nog af te smeeken.

En dit mogen we er tot troost van alle heilzoekenden aan toevoegen, dat Jacobs God er nog nooit een heeft weggezonden, die als een arm zondaar Hem om hulpe smeekte.

O, pelgrims naar Sion, zij die God van Jacob ook uw God!

P.S. Deze meditatie kwam reeds vóór het uitbreken van den oorlog in Maassluis.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 23 mei 1940

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

MEDITATIE

Bekijk de hele uitgave van donderdag 23 mei 1940

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's