RONDOM DE LEESTAFEL
NAMEN EN SPREEKWIJZEN, AAN DEN BIJBEL ONTLEEND, door dr. J. Herderschee. Uitgave : M. E. Kluwer, Deventer.
Dit is een bekend boekje, dat reeds door velen gebruikt wordt. De 5de druk bewijst dat. En allen die zich van „namen en spreekwijzen aan den Bijbel ontleend" willen op de hoogte stellen, kunnen we dit boekje aanbevelen. De bedoeling van den schrijver is : te geven een verzameling van namen en uitdrukkingen, spreekwoorden en spreekwijzen, ontleend aan of rustende op het Bijbelsch spraakgebruik, die in het dage1ijksche leven gemeenlijk worden gebruikt en dan eenige verklaring behoeven. En dan wil het boekje allereerst een handwijzer zijn voor onderwijzers èn leerlingen. Ook voor het godsdienstonderwijs kan dit boekje dienst doen, gelijk in onze gezinnen, waar men nu gemakkelijk eens dit en dan weer dat kan naslaan, om de juiste beteekenis te verstaan. Het boekje is als een alfabetisch woordenboek opgesteld en ziet er keurig uit.
EFFATHA. 51ste Jaarverslag. Effatha, de bekende Vereeniging tot Christelijke opvoeding en onderwijs van doofstomme kinderen, '. voorzitter prof. L. H. van der Meiden te Apeldoorn ; secretaris ds. H. A. de Geus te De Bilt (Utr.), zond haar 51ste jaarverslag ons toe. Het leerlingenaantal bedraagt nu 149, wat hooger is dan vroeger. De rekening loopt om de 35.000 gulden en heeft een klein batig saldo. School en internaat bevinden zich in de beste condities. De jaarvergadering heeft plaats Woensdag 22 Mei a.s. te Voorburg, in de Stichting.
AUGUSTINUS' BELIJDENISSEN, uit het Latijn vertaald door prof. dr. A. Sizoo. 5de druk. Uitgave : W. D. Meinema, Delft.
Het is verwonderlijk en zeer verblijdend, dat ons tegenwoordig geslacht blijkbaar lust heeft om deze bekentenissen van den grooten Kerkvader, die toch in tijdsruimte zoo vér, zoo héél ver van ons afstaat, te lezen en te herlezen. Anders toch zou er van dit groote boek niet een 5de druk — en dat in zoo korten tijd — verschenen zijn. Het is bovendien geen boek, dat men in 5 minuten uitleest en dat men zonder geestesinspanning gemakkelijk kan verstaan. Het moet dus wel een samentreffen van geestesgesteldheid — en geestesbehoefte — zijn, dat ons geslacht dit diepgaande geestelijke boek van Augustinus leest, waarin, zooals men weet, door den grooten Kerkvader, die door diepe wegen van dwaling en zonde geleid is, van hart tot hart gesproken wordt met God, den Vader van onzen Heere Jezus Christus, die geen lust heeft in den dood des zondaars, maar daarin, dat de goddelooze zich bekeere en leve. Die taal uit de diepte, met smeekingen en lofprijzingen, vinde meer en meer weerklank bij jongeren en ouderen.
Wij zijn dankbaar, dat de Uitgever weer zoo goed voor dit boek zorgde, want het kleed, waarin een boek verschijnt onder de ménschen, is van zeer grooten invloed. Schrijver en Uitgever een woord van dank en van lof !
SCHRIFT EN BELIJDENIS. Rapport van de Vereeniging Kerkopbouw. Uitgave : Bosch en Keuning, Baarn.
De samenstellers van dit Kerkopbouw-rapport zijn dr. W. Coenraad, prof. dr. Ph. Kohnstamm en dr. J. Riemens en nadat het in eigen kring breede besprekingen had ondergaan, is het nu gepubliceerd als een rapport, dat in verband met de verdere plannen van reorganisatie zeer zeker van groote beteekenis is. Het is kort, maar duidelijk, en behandelt deze vijf punten : Wat zegt de H. Schrift van de Belijdenis ; Wat zeggen de Belijdenisschriften omtrent de Heilige Schrift ; Hoe heeft men in den reformatorischen tijd de Belijdenisschriften gezien ? Welke kerkelijke beteekenis moet aan de Belijdenisschriften worden toegekend, en : Handnaving en vernieuwing der Belijdenis.
Men ziet, dat over de allerbelangrijkste punten gehandeld wordt en men zal goed doen, in verband ook met het kerkelijk vraagstuk, er kennis van te nemen ; ook al zal hier en daar zeer zeker dan uitkomen, dat er ook nog wel andere meeningen in deze gevonden worden, die zeker niet van alle recht ontbloot zijn. Maar de hoofdzaak is, dat deze dingen aan de orde gesteld worden en we hebben lof voor de wijze, waarop het hier geschiedt.
Op bladz. 16 lezen we deze uitspraak : „Instemming met een belijdenisgeschrift is nog geen belijdenis ; en afwijken van een belijdenisgeschrift is nog geen ongeloof". Dat is net zoo iets als : „het naar de kerk gaan is nog geen Christen zijn ; en de Kerk verwaarloozen is nog geen heiden zijn".
Moeten we nu naar de kerk, ja of neen ? Moeten we belijdenisschriften hebben, ja of neen ? En zoo zijn er nog meer van die typische zinnen en zegwijzen, waarbij je zoo heerlijk in de rondte kan draaien, zonder dat je veel opschiet. Toch zijn we dankbaar voor dit rapport en we wenschen het in veler handen, om, als 't kan, juist hier te mogen komen tot een algemeene overtuiging onder de belijders van 's Heeren Naam.
DE GROOTE HISTORIE VAN EEN KLEIN LAND, door D. J. Baarslag. Uitgave Bosch en Keuning, Baarn.
Ieder kent nu wel den naam van Baarslag, den onvermoeiden schrijver, van wiens hand we nu, in 22 deelen(!) een complete Bijbelsche geschiedenis hebben, „de Bijbelsche geschiedenis in de omlijsting van de historie van het Oosten". Die dit enorme werk ziet en leest, naslaat en bestudeert, hetzij particulier of als catecheet of onderwijzer, leeraar, of wat ook, zal aanstonds bekennen : dat is iets heel bijzonders, door inhoud, beschrijving, omlijsting, heel anders dan andere „bijbelsche geschiedenissen" zijn.
Maar de heer Baarslag is nog niet tevreê met dit standaardwerk, hij wil ons nog een tweede boekenreeks geven, nu ter behandeling van de Vaderlandsche Geschiedenis : „De Groote historie van een klein land", in 8 deelen.
Het 4de deel : „Worstelen en winnen" (rondom de Zilvervloot en den 8o-jarigen oorlog) werd ons toegezonden en dit mooie deel bevestigt ons oordeel, dat de heer Baarslag een geboren historicus is, die altijd weer snuffelt, verzamelt, leest, schrijft, praat en teekent, zoodat het een lust is om naar hem te luisteren en te lezen wat de uitgever ons van hem toezendt. De schrijver begint dit boek met de woorden van Motley aan te halen : „Hoewel met weerzin, behoort de geschiedschrijver deze gebeurtenissen toch getrouw te vermelden ; ze te verzachten zou laag ; ze te overdrijven, onmogelijk zijn". Wij hopen, dat de heer Baarslag gespaard mag worden en lust en kracht mag ontvangen, om ons nog veel op historisch gebied te geven. Hij is een geboren geschiedenisman en z'n vingers zijn niet tevreê vóórdat ze een pen hebben bemachtigd, om te schrijven. En er is nog veel te schrijven !
GESCHIEDENIS DER ETHIEK, door prof. dr. J. Severijn. Uitgave : J. H. Kok te- Kampen.
Enkele jaren geleden hebben we de wensch en de hoop uitgesproken, dat prof. Visscher ons nog eens mocht komen verrassen met een nieuw studieboek over Christelijke Ethiek. Daaraan is, naar 't ons voorkomt, wel behoefte, en wij dachten, dat het zeer zeker iets voor prof. Visscher zou zijn, om ons zoo'n boek te bezorgen. Maar het heeft — tot nu toe althans — niet zoo mogen zijn. Prof. Visscher heeft blijkbaar andere dingen, die hem meer ter harte gaan ; althans het gewenschte studie-handboek, dat wij bedoelen, is niet gekomen, 't Zij zoo.
Prof. Severijn, die Ethiek doceert, heeft ons nu gegeven een boek, dat „Geschiedenis, der Ethiek" tot titel draagt ; en dus niet bepaald bedoelt een handboek voor de Christelijke Ethiek te zijn. 't Gaat over „geschiedenis" der Ethiek. Maar wie, afgaande op den titel, enkel een historisch overzicht zou verwachten, om zich daar, mee historisch te kunnen oriënteeren, zonder meer, krijgt meer dan werd verwacht. Tegelijk met het historisch overzicht krijgt men, compact, een aanduiding en omschrijving van de beginselen, dat levensbeginselen zijn, en daardoor kan men langs die draden, historisch en principieel, heel het terrein doorwandelen, om zoodoende aardig op de hoogte te komen van wat op dit gebied geleefd heeft onder de volkeren en wat op dit terrein in den loop der jaren geleerd en voorgestaan is, door een keur van wetenschappelijke mannen, die ieder op hun manier en in hun dagen op dit terrein leiding hebben gegeven. De verschillende tijdperken zijn formeel, maar tegelijk materieel, door prof. Severijn geschetst en geteekend en beschreven, zoodat het voor degenen, die studie van de Ethiek willen maken, een allerbelangrijkste bron is, die hier door den geleerden schrijver ons wordt gegeven.
Let maar eens op den inhoud. Eerst gaat het over „De moraal van het paganisme". Dat is op zichzelf genomen al dadelijk iets eigenaardigs van dit boek. Want gewoonlijk vangt men de beschrijving van de geschiedenis der Ethiek aan met de Grieksche bezinning op het zedelijk leven. Maar niet mag worden voorbijgezien, dat het veld der historie toch eigenlijk verder reikt en vele eeuwen terug gaat.
Religie en ethiek hangen ten nauwste samen bij de primitieve volkeren. Hier is een mysterieuse levensgrond, een mysterie, hetwelk zich in alle leven manifesteert ; niet 't minst onder den drang van het allesbeheerschende gevoel van afhankelijkheid van het mysterie ; en in de reactie spreekt dan vooral en meer direct de vrees voor het andere, het hoogere, het heilige, het onzegbare, het mysterieuse. „De alles beheerschende invloed van het Godsbesef maakt het vreesgevoel tot een centrale emotie", zegt Rudolf Otto. Een tweede punt van belang is gegeven in het criterium van goed en kwaad, met name van het laatste, omdat dit met heel sterke emoties gepaard gaat. „Naast afweer van het kwade, dat vooral gezien wordt in hetgeen het leven bedreigt, tracht men ook de gunst en hulp der goden te verwerven".
„Overal gevoelt de mensch zich omgeven door het goddelijk mysterie, wat hem met vrees en angst vervult, omdat het gevoel van gemeenschap ontbreekt, het staat tegenover hem als een vreemde en vijandige macht. Een geheimzinnige vrees drijft hem voort", „Daarbij regelen dan de tabu-gebruiken het leven van de natuurvolken. Men kan met recht spreken van een tabu-moraal, waardoor de orde der primitieve samenleving wordt bepaald". „De tabu-moraal is een eigenaardige openbaring van religieus-zedelijke reacties ; en men herkent daarin de werking der zedewet ; een schaduw van de goddelijke zedewet — en zoo wijst de tabu-moraal in dit opzicht op het werk der wet in de harten (Rom. 2 vers 15). Men vindt in de heilige tijden de schaduw van het sabbathsgebod, en ook vindt men de schaduw van de andere geboden, betrekking hebbend op : het gezag, de eigendom, de verhouding van de sexen, met bloedschande, enz., en zelfs kan men de werking van het tiende gebod terug vinden in de tucht, die van het tabu-gebruik uitgaat". „Het woord van Paulus verdient hier in herinnering gebracht, dat de heidenen, die de wet niet hebben, als zij van nature doen de dingen, die der wet zijn, betoonen het werk der wet in hunne harten". (Rom. 2 vers 14, 15).
Naast het religieuse komt dan het naturalistisch karakter der paganistische religie uit. En in de moraal spiegelt zich dat af ; met name in het gewoonte-recht. Het mysterieuse en heilige wordt veelal aan de priesters overgelaten en de levensbeschouwing wordt een materialistische. De geschiedenis kan zelfs aantoonen, dat de toenemende cultuur tenslotte gevaarlijk wordt voor goden, die den menschen zijn gelijk geworden. Via de menschgelijkwording der goden breekt de gedachte door van de vergoddelijking van den mensch. Daarin is een eigenaardige logica.
De gansche inhoud der paganistische moraal bestaat in het juiste ritueel, waardoor de goden in gunst moeten worden gewonnen voor de practijk van het menschleven. Wanneer het gewenschte doel niet wordt bereikt (in 't gezin, op den akker, op zee, enz.) dan is het ritueel niet in orde geweest. En de juiste ritus is maatstaf der deugd. De ontwikkeling van het cultuurleven doet het geloof in de goden minder worden en de beteekenis van het ritueele verbleeken.
Naast het Helleensche optimisme van de dapperheid en van de daad treffen we aan de moraal van het Indisch pessimisme, met de lijdzaamheid als in houd, bij de machteloosheid tegenover het noodlot van rampen en onheilen.
De moraal van het paganisme is religieus van aard. Het besef der godheid is de grond van het gezag. Recht en onrecht worden door religieuse voorstellingen bepaald. Het religieus besef bewijst b.v. ook zijn kracht in de Grieksche bezinning, die aan de wereldorde een goddelijk karakter toekent. „Aangaande het zedelijk bewustzijn van het paganisme laat zich derhalve vaststellen, dat het de kenmerken draagt van den religieusen wortel, waaruit het is ontsproten, gelijk de tabu-moraal daarvan een sprekend beeld vertoont — maar het zedelijke heeft geen kracht, het mist de bron zijner vitaliteit en gaat op in ritueele vormen en magische formules".
Dit is iets van het eerste hoofdstuk van dit „geschiedenis"-boek. Waarop dan volgt : De Israëlietische Ethiek. Onderwerpen als: Schepping, levenswet en levensbestemming worden hier behandeld, bij het licht van de Openbaring. God is hier niet de groote Onbekende. Over de Decaloog van den souvereinen Godgaat het. Zijn wetten en inzettingen en ordeningen. Het ideaal van de zedelijke gerechtigheid wordt geteekend. Over het Joodsche nomisme (nomos-wet) enover het Joodsche ascetisme, wordt gehandeld.
Hoofdstuk III heeft tot opschrift : De wijsgeerige moraal van het Classieke Paganisme (Socrates — Plato — Aristoteles — Epicurus — De Stoa — Hellenisme — Romanisme wordt beschreven).
Hoofdstuk IV heet : De Christelijke Ethiek tot de Reformatie (Na-apostolische tijd — de Apologeten — de Alexandrijnsche school — het Ascetisme in de Grieksche Kerk — de Kerk van het Westen — De Middeleeuwen — de Scolastiek — het Nominalisme — de Duitsche mystiek — de reformatorische ethiek van Luther — de Wederdoopers — de beginselen der ethiek bij Calvijn, van wien een breede schets gegeven wordt van niet minder dan 70 blz. (101—173).
Hoofdstuk V heet : Geschiedenis der Ethiek tot op onzen tijd. Eerst wordt (na de Christelijke ethiek tot de Reformatie, hoofdstuk 4) gehandeld over : de Gereformeerde ethiek ; vervolgens over : de Luthersche ethiek, de Roomsch-Katholieke ethiek der restauratie, de oud-Roomsche reactie ; mysticisme en piëtisme ; de wijsgeerige moraal (Cartesius — Malebranche — Spinoza — Leibnitz — Christian Wolff).
Daarna gaat het over : de moraal van het Engelsche deïsme en utilitarisme (Herbert van Cherbury. Tindal, Locke, Shaftesbury, Adam Smith).
Bij het : Naturalisme en materialisme in de Fransche moraalleer wordt gesproken over : Montesquieu, Voltaire, Helvetius, La Mettrie, Holbach, Jean Jacques Rousseau.
Behandeld wordt voorts : de moraal van het deïsme en naturalisme in Duitschland, waarbij : Reimarus, Lessing en Basedouw aan de orde komen.
De moraal der Aufklarung met : Kant, Jacobi en Tries, Fichte, Schelling, Hegel, Herbart, Schleiermacher, Rothe, Donner en Ritschi.
De moderne moraal met: Feuerbach, Comte, John Stuart Mill en Spencer. Auguste
De moraal van het pessimisme met : Schopenhauer en von Hartmann.
De Neo-Kantiaansche ethiek (Hermann Cohen en Stammler).
De moraal van het Socialisme met : Saint Simon — Robert Owen — Proudhon — Karl Marx).
De moraal van het individualisme met : Stirner en Nietzsche.
De hedendaagsche wijsgeerige stroomingen. De levensphilosophie : Bergson — Carus — Klages en Sinmiel.
Nieuw-realisme : Nicolai Hartmann.
De existentie-philosophie.
De ethiek van Brunner (prof. Severijn gaf daarover enkele jaren geleden een breede beschouwing in twee achtereenvolgende aflev. van Antirev. Staatkunde).
Slotbeschouwing.
Wie dit Overzicht even gadeslaat, bemerkt dat het een compact boek is, waarin veel is verwerkt, om een historisch overzicht te geven en tegelijk daarin principieel de beginselen te bespreken van de oudste tijden tot op vandaag.
Het boek telt 240 bladz. en is voorzien van een naamregister en breede, zeer overzichtelijke inhoudsopgave. Voor studenten is hier een handboek van beteekenis.
Naast dit boek, zal ons een „gewone" handleiding voor Christelijke Ethiek, waarin de practijk van het Christelijk leven behandeld wordt, zeer welkom zijn. Er is behoefte aan zoo'n boek.
De uitgever verzorgde dit boek van prof. Severijn uitnemend.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 23 mei 1940
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 23 mei 1940
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's