MEDITATIE
De hoop der heerlijkheid
Welke is Christus onder u, de hoop der heerlijkheid. Col. 1 vers 27b.
Wist ge, dat er voor Christus zoon kostelijke naam in den Bijbel staat: de hoop der heerlijkheid ? Dat is een naam, die des te meer op ons af komt als we denken aan het feit van de hemelvaart van Christus. Dan staan we toch ook midden in; de heerlijkheid, waarmede Christus verheerlijkt is. Hij, die van den Vader kwam, is weer tot den Vader henengegaan en Hij zit aan de rechterhand Gods, vanwaar Hij komen zal om te oordeelen de levenden en de dooden. In dezen verheerlijkten Christus is nu ook de volle zaligheid, de volkomen heerlijkheid, het voleindigde heil van al de Zijnen besloten. Telkens en telkens weer doet de apostel Paulus in zijn brieven deze prediking uitgaan. Hij moet dat wel doen, niet alleen om de onnaspeurlijke rijkdom van Christus uit te dragen, maar óók om hèn tegen te staan, die altijd weer de algenoegzaamheid van Christus ontkennen. Met dezulken heeft de apostel wat te stellen gehad. O zeker, men aanvaardde den Christus en Zijn Middelaarswerk wel zoogezegd — maar er moest toch ook nog wat of veel werk bij van óns, wilden we de volheid des heils, de heerlijkheid deelachtig kunnen worden. Dit mag misschien op het eerste hooren niet zoo gevaarlijk lijken, maar het is inderdaad een miskenning, ja een verloochening van het werk van Christus. De mensen met zijn werk en zijn godsdienstige handelingen, blijft over en het Middelaarswerk van den Zone Gods wordt als minderwaardig terzijde geschoven. Het is te verstaan, dat de vorst der duisternis zulk een voorstelling van zaken wel wil begunstigen. Hem is niets liever dan de verduistering van Christus. En het is ook te verstaan, dat deze prediking weerklank vindt in het verdorven menschenhart. Want wat is ons van nature grooter ergernis en dwaasheid dan alles te zoeken in Christus en alleen te leven uit Gods genade in Hem ? Daar willen wij, tenzij wij door den Geest Gods wederomgeboren zijn, immers niets van weten. We willen onze eigen ziel zelf schoonwasschen. We willen zelf de schuld bij God betalen. We willen zelf ons volmaakt den Vader voorstellen. We willen zelf de wet volbrengen en zoo rechtvaardig zijn voor God.
Paulus weet er alles van — dat was het jagen van zijn hart, voor God hem greep in de ziel. Maar juist omdat God hem stilhield op zijn verderfelijken weg, hem greep in het hart, heeft hij het alles anders leeren kennen. Wat zou hij die wet volbrengen ? Wat zou hij die gerechtigheid zich verwerven, die voor God kan bestaan ? Hij leerde, dat de wet geestelijk was en hij vleeschelijk, verkocht onder de zonde. Hij had alleen maar ongerechtigheid en onheiligheid, verderf en goddeloosheid, en wat hij behoefde om voor God te kunnen bestaan, dat was alleen in Christus te vinden. In Hem was wijsheid, rechtvaardigheid, heiligmaking en een volkomen verlossing. In Hem is alleen de eeuwige, volle, zalige heerlijkheid. Maar dan ook in Christus volkomen. Daar kan niets bij, daar mag niets bij, maar daar behoeft ook niets bij. In dezen Zaligmaker doet de Heere geen half werk.
Half werk, dat is alleen maar onder ons menschen te vinden, maar niet bij den volzaligen God. Zie op den weg, die de Vader gaat met den Zoon. Hij wordt neergelegd in de kribbe. Hij gaat de wereld door, veracht, gesmaad, als de Man van Smarten. Hij gaat gebogen onder de last der zonde, onder de zwaarte van den toorn en den vloek Gods. Als een uitgeworpene hangt Hij aan het hout — let er wel op — als wij Hem aanzagen, zoo zegt de profeet — was er geen gedaante noch heerlijkheid, dat wij Hem zouden begeerd hebben. Hij was de onwaardigste onder de menschen. Alleen in dezen weg echter, in het verlaten van alle heerlijkheid, in het aannemen van dienstknechtsgestalte, in het op zich nemen van zonde en vloek, brengt Hij het offer, waarmee de Heere tevreden is, verzoent Hij den Heilige en verwerft Hij gerechtigheid en heiligheid, die voor God kan bestaan. En daarom, hoe de wereld Hem ook moge verachten, de zondaar, wiens oog door God geopend is, ziet zielsverrukkende schoonheid in dezen Zaligmiaker, juist als Hij het slavenkleed heeft aangetrokken, als Hij uitgeschud hangt aan het Kruis — want dan mogen ze 't weten — in dezen weg van vernedering, breekt Hij door den dood henen, ja, wat meer is. Hij overwint den dood. Hij draagt de zonde weg. Hij verandert de vloek in den zegen, want op den derden dag mag de juichtoon weerklinken :
De steen, die door de tempelbouwers Veracht'lijk was een plaats ontzegd, Is tot verbazing der beschouwers Van God, ten hoofd des hoeks gelegd.
En die opgestane Christus nu. Hij wordt met de Hemelvaart door den Vader thuis gehaald op Zijn wolkenwagen, de vijanden gebonden aan Zijn zegekar: De kerker werd Uw buit, o Heer! Daar boven, daar draagt Hij de Zijnen biddend voor Gods aangezicht. Daarboven, daar zegent Hij Zijn Kerk. Daarboven, daar bereidt Hij plaats.... Hij, Wien gegeven is een naam boven allen naam. Zouden we Hem dan niet aanprijzen als de volkomen Zaligmaker, als de algenoegzame Borg ? Want alles wat Hij leed en alles wat Hij deed onderging en verrichtte Hij als Borg en Middelaar. Als Borg voor een volk, dat verlost moest en moet uit dood en verderf. Vandaar is het werk, dat God in Christus, in dezen Christus aan een zondaar doet, óók geen half werk. Als in dezen Zaligmaker de Heere u aanraakt, u grijpt, u bearbeiden gaat met Zijn Geest en Woord, dan wordt ge van een goed een slecht mensch; dan moet ge belijden : ik heb gezondigd en derf de heerlijkheid Gods. O, dat is bitter voor ons vleesch, maar noodzakelijk. — Dat moet ge niet over 't hoofd zien. Want dit is de eenige weg, waarop we Christus kunnen leeren kennen als de hoop der heerlijkheid. De eenige weg, waarop er plaats komt voor Hem. Daarom, als God plaats gaat maken, dan leeren wij zien dat wij geen heerlijkheid hebben. Wij kunnen voor God niet bestaan. Wij worden verteerd door Zijn heiligheid. Wij zijn besmet en verdorven. Wij moeten van verre staande het uitroepen: Wee mij, ik verga doch dit is niet alles. Gode zij dank niet. Als Hij in Christus aanraakt en verlost, dan maakt Hij u in uw zielsellende, in het derven van alle heerlijkheid, een worstelaar, een bidder aan den troon der genade. Een bidder, of er nog een uitweg is ! Hoewel niet verdiend!
Als gij, lezer(es), misschien zoo'n bidder zijt, o, vertraag dan niet, leg uw smeekingen nog neer op de ontfermingen Gods, laat niet af met uw worstelingen om te komen tot 't geloof in dezen heerlijken Borg, die God juist voorstelt aan zulk een volk, dat moet belijden, alle heerlijkheid te derven ; die juist gekomen is voor zulke zwarte overtreders. En is dit dan niet de zalige voortgang van Gods werk, als Hij door Zijn Geest dezen Christus gaat openbaren in het hart door het oprechte geloof, in 't uur van Zijn welbehagen. Als ge het ervaren moogt, dat Hij uwe gerechtigheid wordt. Dat Hij uw heil is. Dat Hij het offer is, waardoor de Vader met u bevredigd is. Dan ziet ge schoonheid in Hem als nooit te voren.... Ge hebt geweend bij Zijn kruis. Want ge moest belijden : al deze gruwel heb ik U gedaan. Daarop ziende, hadt ge nooit heil, maar alleen verdoemenis te wachten. En nu hebt ge weer geweend, maar tranen van blijdschap, van ontroering, van aanbidding, want de Opgestane, de ten hemel gevarene. Hij is u ontmoet en Hij heeft uw verbroken ziel willen vertroosten met datzelfde Kruis en Hij heeft tot u gezegd, zóó, dat het uw hart mocht innemen : dat deed Ik voor u; daar dierf Ik allé heerlijkheid, opdat gij eeuwige heerlijkheid zoudt smaken. Wie den Christus zoo leert kennen, die is in Hem volmaakt. Inderdaad, die staat nu voor Gods aangezicht als had hij of zij nooit zonden gehad en nooit zonden gedaan. Dat is de rijke troost bij het woelen van het nog zoo zondige hart. Want, als ge van Christus zijt, dan ervaart ge het dagelijks, dat gij in uzelf waarlijk niet heilig en heerlijk zijt. O neen. Wat Paulus moet belijden, dat is de belijdenis van alle discipelen. Zoolang ze hier op aarde zijn, doen ze het goede, dat ze willen, niet, en het kwade, dat ze niet willen, doen ze. Het geweten klaagt ons ieder oogenblik aan, dat we de geboden Gods nog overtreden. Onze ziel kleeft nog zoo aan 't stof. Onze oogen trekken nog heen naar de ijdelheden. Ons hart is nog zoo weinig toegankelijk voor de genade Gods. We zijn tot hinken en tot zinken ieder oogenblik gereed. We hebben onze smart en ons onvermogen steeds voor oogen bij het vooruitzicht van ons leed. En als wij tusschen de vraagteekens doorgaan, dan glijdt onze voet bijkans uit en verdenken we God van onrecht.
Maar wat dan ? Zou de Heere dan toch geen volkomen werk doen ? Zouden alle dingen dan Christus niet onderworpen zijn ? Zou de zonde dan niet volkomen te niet gedaan worden ? Zou 't lichaam dezes doods dan altijd blijven? Komt er dan nooit een einde aan de bestrijding door duivel, wereld en verdorven hart ? Weest niet ontroerd, gij die zóó vraagt. Gij die zit en worstelt met zooveel dat niet heerlijk is in uw leven en in uw hart. Gij, die bovenal zit met de nog overgebleven verdorvenheid. God zet Zijn werk door in Christus Jezus. De levende hoop, die in uw ziel geboren is door de opstanding van Christus uit de dooden, is niet ijdel, is goed gefundeerd, is wèl gewaarborgd. Want die Christus, die u optrok uit het zondegraf, die u met Hem deed opstaan. Die verwierf ook voor u de heerlijkheid, de volkomen zaligheid, het voleindigde heil. Bij uw sterven is het gedaan met het lichaam dezes doods.
Als Christus wederkomt en de dooden, die in de graven zijn. Zijn stem zullen hooren — dan ontvangt ge uw lichaam verheerlijkt weer, om vereenigd met de ziel in te gaan in de vreugde uws Heeren. Dan zijt ge verheerlijkt, uitwendig en inwendig. Dan is uw hoop vervuld. Dan zult ge blinken door het licht dat van Gods aangezicht straalt. Dan is er geen zonde meer, geen dood, geen rouw, dan is er volle, ongestoorde gemeenschap met een Drieëenig God. Dan ervaart ge ten volle, dat Christus een algenoegzame Zaligmaker is en dat de hoop op de heerlijkheid, die in Hem gefundeerd is, nooit wordt beschaamd. De heerlijkheid is ook verworven door Zijn bittere Kruisdood.
Welaan dan, lezer(es), hoe staat het er mee ? Deze Christus wordt onder u gepredikt als de Gekruiste en de Verheerlijkte. Leeft ge nog buiten Hem ? Wilt ge wellicht Hem en nog wat anders ? Dan hebt ge het gehoord, dat dit is de weg des verderfs. Dan is alle hoop, die ge hebben moogt, gebouwd op een zandgrond, en daarom ijdel. Ge wordt nog met ernst geroepen u te bekeeren van uw verderfelijken weg. Den Heere te voet gevallen, nu nog, heden, om ontdekt aan eigen verderf het alles te leeren zoeken, uw gansche zaligheid, alléén in dezen van God gegeven Zaligmaker. Er is bij Hem genoeg. Genoeg voor den grootste der zondaren. Te verdorven in eigen oog kunt ge nooit zijn, wèl te goed. Want juist in het meest verbrijzelde hart is bet meest plaats voor Christus als de hoop der heerlijkheid.
Als ge deze hoop op Hem hebben moogt, wel aangevochten, wel zwak, wat een rijke bemoediging ligt er dan voor u in den verheerlijkten Christus. Nu is uw pad vaak moeilijk. Nu is er zooveel te vragen. Nu vecht ge misschien met zooveel, waar ge geen raad mee weet. Nu is alles ten deele. Nu is er smart en zorg. Maar als ge van Christus zijt, dan waarborgt Christus Zelf u, dat ge, hiertoe door God bereid, opgenomen zult worden in Zijne heerlijkheid.
Deze wetenschap alleen sterkt, waar we ons ook bevinden, welke onze weg ook zij.
Ds. JAC. VERMAAS.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 30 mei 1940
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 30 mei 1940
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's