De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Uit de Pers.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Uit de Pers.

10 minuten leestijd

Reeds verscheidene malen zijn wij gewezen op onze roeping in tijden, welke wij thans beleven. Reeds vóór ons land in den oorlog werd betrokken, konden we het ons hooren toeroepen : Doe gewoon. Ook thans wordt dit weer herhaald : Doe gewoon. Ga rustig uw gang. Dat is voor u zelf, uw zaak, uw vaderland het allerbeste. Ook de Kerk , wordt betrokken in de vraag, welke nu hare taak is.

In Credo van 14 Juni 1940 begint Prof. Dr V. Hepp een serie artikelen over : „De taak der Kerk nu". De taak der Kerk wordt tweeledig gezien. Aan de wereld moet worden getoond dat zij bewogen is over haar. Maar tegelijk moet zij haar herderlijke zorg over de schapen van Jezus' weide uitstrekken. Daarbij mag zij ondanks minder middelen niet verminderen in ijver. Als 't goed is, gestaald door de beproevingen des Heeren, moet zij blaken van liefde voor haar Koning. Verder wijst de schrijver er op dat er gewilligheid moet zijn als zelden werd aanschouwd. We beleven nu toch een dag van Gods heirkracht. Topprestaties worden van de Kerk verlangd. Deze moeten bereikt worden met dezelfde bevoegdheden, welke Christus Zijn Kerk de eeuwen door verleent. Maar nu moet van die bevoegdheden een intenser gebruik gemaakt worden dan in perioden, waarin de beekjes rustig kabbelen.

De aandacht wordt dan gevestigd op de eerste bevoegdheid, n.l. de prediking. Dit is het machtigste middel. "Hiermee moeten de zielen niet licht aangeraakt worden, zooals anders het geval is, maar zij moeten er mee worden geschud en geschokt. De schrik des Heeren moet den prediker bevangen hebben. Met nadruk \vordt er op gewezen dat de prediking allereerst boeteprediking moet zijn. Ongetwijfeld mag er gewag gemaakt worden van de sparende Hand Gods, maar dit moet nu niet de grondtoon zijn. De grondtoon moet zijn, dat de Heere met Zijn oordeelen is gekomen en dat geen onzer daaraan onschuldig is. In de eerste plaats is noodig boeteprediking, in de tweede plaats boeteprediking en in de derde plaats nog eens boeteprediking. De geloovigen moeten zich vernederen onder de slaande Hand Gods.

Ziehier de verkorte weergave van een eerste artikel over „De taak der kerk nu''. 't Is zeker te verstaan, dat onze gedachten uitgaan naar de roeping der kerk in bizondere tijden. We weten dat er ook telkens gesproken en geschreven is over „Kerk en oorlog", „de kerk en de sociale vragen" enz. enz. En wat zou van meer uitnemend gewicht zijn dan de bezinning op de taak der Kerk in de haar door God opgedragen prediking ! Van meer dan één zijde is hierop reeds langer de aandacht gevestigd. Voor de Contio Reformata hield reeds enkele jaren geleden ds I. Kievit eene lezing over : „Voorwerpelijke-onderwerpelijke prediking eisch der HeiHge Schrift". Deze lezing is later onder genoemde titel in brochurevorm verschenen, nadat ze eerst gepubliceerd was in het Geref. Weekblad. In deze lijvige brochure vinden we stof, welke de kennisneming en overdenking volkomen waard is.

Wanneer we nu het genoemde artikel uit Credo verder laten rusten dan vinden we hier toch wel aanleiding tot een paar algemeene opmerkingen.

In de eerste plaats dan dat wij wel moeten bedenken, dat de boeteprediking een voornaam bestanddeel vormt van de verkondiging des Woords niet alleen nu, maar altijd. Boeteprediking vanwege de overtreding en verdorvenheid des harten. In genoemd boekje van ds Kievit worden enkele gedachten weergegeven uit een preek van Joh. Calvijn, in verband met het vermanend Schriftwoord te bedenken dat wij menschen zijn. „Wij zijn verblinde lieden, die de eere die God toekomt. Hem ontrooven. Ons moest niets zoozeer verootmoedigen dan de kennis Gods, wij moeten onszelven zien in het licht van de majesteit Gods. Wij moeten de goddelijke majesteit erkennen ten volle en dan houden wij niets, maar dan ook niets over aan wijsheid, kracht, gerechtigheid en leven. Dan erkennen wij, dat wij mensch zijn.

Als een sterfelijk mensch dreigt dan beven wij, maar God heeft geen autoriteit bij den mensch. Zijn ziel is vol van ijdelheid. Hij wordt geprikkeld en zijn overleggingen toonen, dat hij, geen mensch wezen wil, maar een soort god." Boeteprediking wil derhalve zeggen dat er ernstige vermaning is dit getuigenis Gods niet „met tegenzin of dood-reehtzinnig" aan te hooren, maar hieronder te buigen met de belijdenis : wee mij, ik verga.

Ge moet maar eens hooren wat Calvijn zegt van de ware boetvaardigheid. Hij rekent de boetvaardigheid en de vergeving der zonden tot de hoofdinhoud van het Evangelie. Wanneer dus deze twee hoofdstukken weggelaten zouden worden, wanneer ook de boetvaardigheid weggelaten wordt, zou iedere verhandeling over het geloof nuchter en verminkt zijn en daarom nagenoeg zonder nut. (Institutie B. III, hfd.III, 1). We gelooven er niet naast te zijn, wanneer wij constateeren dat dit in verschillende kringen maar al te vaak en al te veel is vergeten. Wij zijn gewoon, als het leven rustig verloopt, niet te denken aan de oordeelen Gods. Alleen wanneer iets bizonders treffen gaat komen we dan tot het besef dat de God, met Wien wij te doen hebben ook een God des oordeels is. 't Is uitnemend, wanneer dat bij bizondere gebeurtenissen door ons wordt opgemerkt. Maar juist dan hebben wij de ernstige roeping na te gaan welke oorzaken tot zulk een bezoeking des Heeren moesten leiden. En juist als we dat doen met de Schrift in de hand, dan zullen we uitkomen hij de verwaarloozing van het oordeel dat Gods Woord over ons uitspreekt. Daar wordt door den Heere Zelf klaar en onomwonden getuigd wie wij menschen zijn en welke onze daden zijn die wij verrichten. Daar kunnen wij het lezen b.v. in Rom. 3 wat de Heilige van ons zegt omdat Hij weet wat er in ons is. „Daar is niemand rechtvaardig, ook niet één; daar is niemand die verstandig is, daar is niemand die God zoekt; allen zijn zij afgeweken, tezamen zijn zij onnut geworden, daar is niemand die goed doet, daar is ook niet tot één toe ......"

De verdorvenheid van ons hart wordt ons geopenbaard in de verwerping van den Christus Gods, in het onrein achten van het bloed des Nieuwen Testaments. Wanneer wij niet als een blinde en een doove geleefd hebben, dan weten wij dat juist het kerkvolk, (om van de „wereld'' maar niet te spreken) in zijn breede lagen al meer en meer is afgegleden van de paden des Woords. De wereldgelijkvormigheid reed over de straten. Van alles is gezocht, behalve het Koninkrijk Gods. Er is een geslacht opgegroeid dat in grenzenlooze oppervlakkigheid zich wel beroemde op des Heeren tempel, terwijl de God van den tempel werd verlaten. Wat Jeremia uitriep dat geldt al jaren lang ook van onze gemeenten : Mij, de springader des levenden waters hebben zij verlaten en zij heibben zichzelven bakken uitgehouwen, gebroken bakken die geen water houden. Er is naamchristendom in overvloed. Er is eigenwillige godsdienst genoeg. Maar waar is de vreeze des Heeren ? De wandel die naar de godzaligheid is? Onder het volk van Israël is dit óók zoo geweest. Afgoderij. Den Heere de eere niet geven. Eigenwillige, zondige wegen bewandelen. Er is een verwording ingetreden welke ontzaglijk is. Dit proces van verwording is ook onder ons volk reeds lang aan te wijzen. Maar is er gedaan wat de profeten onder Israël gedaan hebben ? Deze mannen Gods zijn gekoinen, vol des Heiligen Geestes, en zij hebben den huize Israels zijn overtredingen voorgehouden. Ze hebben op bevel van hun Zender de oordeelen Gods aangekondigd. Ze hebben geroepen tot bekeering. Ze zijn boetepredikers geweest reeds vóórdat het oordeel Gods losbrak. Ze hebben geschouwd, bij het licht hun van God geschonken, dat een leven zooals Israël leefde op een catastrofe moest uitloopen. Omdat God heilig is. En het is gekomen. Het profetisch oordeel Gods over hun leven heeft het volk verworpen. De liefelijke noodiging temidden van oordeelsdreiging is van de hand gewezen. De afkeerige kinderen zijn niet gekomen toen de Heere hen tot terugkeer riep. Daarom zijn de afkeeringen ook niet genezen. Het volk heeft dit echter niet kunnen wijten aan het ontbreken van prediking welke maande tot boete .......­

Hoe is dat onder ons geweest ? Werd de boeteprediker niet vaak voor de ongeluksrofeet gehouden ? 't Is begeerlijker te luisteren naar de boodschap waarin ons wordt verkondigd dat we zoo'n beweldadigd volk waren, zoo'n Israël van het Westen .... Maar dat daardoor de ontkerstening des volks en de verwereldlijking der Kerk des te goddeloozer was werd liever niet vernomen. Trouwens, is dat wel voldoende gezegd ? Waar is geweest het profetisch protest, met bewogen ziel tegen de afval en godverzaking; tegen oppervlakkigheid en naamchristendom; tegen uitspatting en farizeïsme ? Maar al te vaak is gemeend : de anderen vallen af, wij niet! Wij zijn nog de getrouwen!

Of is het aan de gang van ons volksleven niet te zien geweest dat de slagen Gods moesten komen, omdat wij het oordeel der Schrift over ons verwierpen, den Christus verachtten, den Geest smaadheid aandeden ? De schrik des Heeren is er toch niet alleen in tijden van oorlog? Als wij den Zoon ongehoorzaam zijn, dan blijft de toorn Gods op ons.

Het is zelfs mogelijk dat in tijden van grooten tijdelijken voorspoed de boeteprediking minstens zoo scherp moet klinken als in tijden van druk. Bovendien zitten wij niet nu pas in de druk. Gaat de geesel Gods niet reeds jaren over ons volk ? Denk alleen maar eens aan de werkloosheid. En welk beeld vertoonde de wereld! Toch is er prediking geweest, waarin de diepe toon gemist is. Het profetisch protest is maar al te slap vernomen. De bekeering als schier overbodig slechts terloops genoemd. Deze zonde wreekt zich in de Kerk en dus ook in ons volk. Of liever : God bezoekt déze zonde.

Dat moet in deze dagen allereerst verstaan worden. Wat God aan ons doet, brenge ons door Zijn Geest voor 't eerst of meer onder het oordeel van Zijn Getuigenis. Als wij predikers zijn, dan moge het zoo zijn dat wij smeekelingen zijn aan den troon der genade om te prediken zooals de Heilige Schrift zelf het ons leert - n.1. boetvaardigheid en vergeving der zonden als hoofdinhoud des Evangelies. (Calvijn).

Als dit zoo is, dan kennen wij de bewogenheid met allen die door het oordeel Gods getroffen moeten worden, maar ook leeren we dan het oordeel des Heeren als volkomen rechtvaardig billijken.

Hierop wijst het „Hervormd Zondagsblad voor de Provincie Friesland" in een artikeltje „Bidstond voor Sodom". Abraham staat voor het aangezicht des Heeren. Met eigen behoud alleen is hij niet tevreden. Daarin toont zich de schaduw van Jezus Christus in zijn leven. Er is ook geen harteloos en lichtvaardig veroordeelen van de hebzuchtige Lot. Zelfs is Abraham bewaard voor wereld-liefde. Maar hij beseft, welk oordeel Lot in Sodom bedreigt. Abraham is bewogen door de dreiging, welke Lot boven het hoofd hangt en onder 't lot van Sodom kan hij ook niet koud en rustig zijn. De ontferming van Christus werpt in zijn bidden haar stralen vooruit. Sodom en Gomorra worden verwoest. De beker der zonde was vol. God kon niet langer sparen. De schuld lag niet bij den Heere, maar bij de goddelooze steden. Dus een vergeefsche bidstond?

Neen, toch niet. In de bidstond leerde Abraham het oordeel Gods billijken. Hij aanvaardt de oordeelen in gebed. Dan is er geen luchthartig spreken over verdiende oordeelen, soms met een zekere blijdschap, neen, bij de ware vrienden Gods is de bewogenheid en biddend aanvaarden van de openbaring van Gods gerechtigheid.

Hier vinden we ook de roeping der Kerk te midden der oordeelen Gods. Biddend èn billijkend staan voor Gods aangezicht.

VERMAAS.

Menigerlei genade. No. 8 uit de dertigste jaargang verscheen. Een preek van Ds. Joh. Brussaard, predikant te Bloemendaal. De tekst is Marcus 7 : 33—35. „Terzijde genomen door Jezus". De preek laat zich prettig lezen en bevat vele treffende gedeelten. Maar te weinig hooren we over dat Geesteswerk, waardoor iemand eerst recht door Jezus „terzijde genomen wordt". Dat is ons bezwaar.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 27 juni 1940

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

Uit de Pers.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 27 juni 1940

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's