NIENKE
FEUILLETON
VERHAAL UIT 'T FRIESCHE VOLKSLEVEN
(Met toestemming Uitgever J. H. Kok te Kampen) 52)
't Was een mooie Aprildag. Buiten in de velden klonk van den vroegen morgen tot de zon ter kimme neigde, het geroep van den kievit, die in groote kringen cirkelde om de plek, waar tusschen aardkluiten het eenvoudige nest werd gemaakt en het wijfje zat te broeden op de bontgespikkelde eieren, door booze menschen, die ze als een lekkernij verorberden, maar al te vaak ontnomen. Hoog in de lucht klonk het vroolijk lied van den leeuwerik, die al maar steeg, om tenslotte als een nauw merkbare stip in de ijle ruimte te verdwijnen en dan plotseling in een snelle glijvlucht weer te dalen, om even op een hekpaal te rusten of in de voren te zoeken naar het wormpje, waarmee de honger werd gestild. Pasgeboren lammetjes maakten aan de zijde van de moeders kluchtige sprongen en schenen elkander uit te dagen tot een tweegevecht, om aanstonds daarop weer krijgertje te spelen of een zonderlingen dans uit te voeren en dan in dartel genot soms boven op de wollen vacht van het moederschaap te klimmen, dat zich deze jolijt liet welgevallen, om ze 't volgend oogenblik weer te drenken met de moedermelk.
Zelfs was hier en daar reeds het jongvee uitgelaten, waar de groenende weiden voldoende voedsel hadden om het te verzorgen en de schuren daarentegen zoo hol begonnen te worden.
't Was alles buitengewoon vroeg in de natuur, waartoe de zachte winter het zijne deed, alleen werd de kans op nachtvorsten daardoor vergroot. Allerwege knopte en groende het, terwijl in de tuinen de gele narcissen bloeiden en 't heestergewas, waartusschen de bijen reeds zoemden, een aangename aroma deed uitstroomen.
Ook op „Donia-state" scheen alles in fleur te zijn. Hoewel boer Santema voorheen nooit veel van bloemen hield, had de ziekte van Mini deze verandering aangebracht, dat het erf, meer dan voorheen, onderhouden werd en op haar verzoek de tuinman zelfs een paar perken had aangelegd, waar gedurende den ganschen zomer de bloemen bloeiden. Elk voorjaar werden de plannen uitgebreid en toen Loving merkte, daarmede Mini een dienst te doen, wier begeerten door het gansche gezin zooveel mogelijk werden vervuld, bleef hij niet achter in het geven van allerlei wenken, zoodat de menschen al spoedig gingen zeggen, hoe het te merken was dat op „Donia-state" een andere geest begon te heerschen, waar nu reeds een Engelsche tuin werd aangelegd.
In een warmen mantel liep Mini van struik tot struik en van bloem tot bloem, en zoo elken dag te zien, welke vorderingen de knoppen maakten en te verwijderen al wat hun groei belemmerde. Wat was die natuur toch leerzaam en hoe groot de verscheidenheid harer voortbrengselen. Vanaf die ontelbare, groenende grashalmen, waar men niets nieuws in ziet, omdat zij zoo veelvuldig zijn, maar van welke de mensch toch niet één kan laten groeien, tot die duizenden soorten planten en bloemen van allerlei vorm en kleur en geur en afmeting, om van de insectenwereld nog maar niet te spreken, in welke zij dagelijks eveneens nieuwe wonderen ontdekte. Nooit eerder had zij daarbij stilgestaan, maar wat moest de macht toch groot zijn, die dit alles schiep. Voorheen had ze altijd gedacht, dat de natuur er „vanzelf" gekomen was, doch sinds zij in haar krankheid meer met den bijbel vertrouwd raakte, waren ook hierover haar gedachten gewijzigd, 't Was God, Die dat alles schiep. Die sprak, en het was er, Die gebood, en het stond er. 't Leven van afzondering, nu reeds meer dan drie jaar lang, had haar vertrouwd gemaakt met de werken Gods rondom haar en leeren instemmen met den lof des Scheppers in dat schoone kerklied :
„Hoe blinkt Uw majesteit alom In 't onbegrensde heiligdom Der Schepping, eeuwig Koning. Straalt ons bij nacht de hemel aan. Dan zien wij maan en sterren staan. Als wachters voor Uw woning ; Verlicht de zon ons oog bij dag, Zij leert ons vroolijk, met ontzag, In haar Uw licht aanschouwen ; Zij is de spiegel, die ons 't beeld Van Uwe volheid mededeelt En uitlokt tot vertrouwen".
Zacht neuriënd stond Mini telkens stil, nu eens bij een zwellenden bloemknop, dan weer bij een kleine mier, die, uit haar winterslaap ontwaakt, met "groote haast zich aan den arbeid begeven had, als wilde zij verloren tijd inhalen, dan weer bij een in aanbouw zijnd vogelnestje tusschen de dichte heesters, waar de meesjes kwinkeleerden, of 'n kwikstaartje sprong van tak op tak. Van alle kanten brak het leven uit en te midden van die kleurige en fleurige lenteweelde was het haar alsof de krachten van eigen leven vernieuwd werden. Wat was God toch goed, Die boven veler verwachting haar weer ging oprichten van het krankbed !
Plotseling werd haar aandacht geboeid door de stem van vader, die in de holle schuur luide opklonk.
Of er weer iets met Jacob was ? Jacob werd oud in de keuken en deed eigenmachtig nog al eens iets wat in 't geheel niet verlangd werd, soms ook wel eens glad verkeerd was. Herhaaldelijk gaf dat aanleiding tot woordenwisseling, zoodat vóór enkele dagen zelfs gedreigd was met gedaan werk, als hij zich niet aan het gezag wilde onderwerpen. Onwillekeurig kwam Mini een paar stappen nader om te luisteren waarover het ging.
„En ik zeg, je moest je schamen ! Was het niet om je zelf, dan voor je familie en om den naam, die „Donia-state" reeds langer dan honderd jaren gedragen heeft. En dat om zoo'n meid, zoo'n sloerie, waarvan je niet eens weet, vanwaar zij komt en wie haar ouders zijn !"
(Wordt vervolgd.)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 27 juni 1940
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 27 juni 1940
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's