De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

MEDITATIE

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

MEDITATIE

9 minuten leestijd

God heeft de ongerechtigheid Uwer knechten gevonden, Genesis 44 vers 16 m.

Wanneer wij deze woorden uit Gen. 44 vers 16 voor uw oogen neerschrijven, dan is het verband, waarin deze woorden voorkomen, u allen bekend. Jozefs broeders zijn voor de tweede maal naar Egypte gegaan om daar koren te koopen. Ze hebben er geweldig tegenop gezien, de eerste maal reeds. Neen, Egypte, daar moesten zij niets van hebben ! Daar was Jozef !

Als vader Jacob hen echter verwijt : „Wat ziet gij op elkander ? Ik heb gehoord dat er koren is in Egypte", dan durven ze niet langer weigeren. Ze gaan. Maar het valt tegen !

O ja, ze krijgen wel koren. Maar die man, die heer van dat land, spreekt hard met hen. Hij houdt hen voor verspieders. Simeon zet hij gevangen. En op hun terugreis vinden zij hun geld weer in hun zak! En zoo komen ze thuis, wandelend in een wereld vol raadselen. Neen, voor de tweede maal naar Egypte gaan ze niet!

Echter, de honger is een scherp zwaard. - Ze moeten! En ......'t valt aanvankelijk nogal mee. Simeon krijgen ze terug. Ze komen zelfs bij dien heer van dat land aan tafel. Benjamin, over wien zij zoo bezorgd geweest waren, krijgt zelfs vijf maal zooveel als zij zelf, en weldra keeren zij wel beladen met koren huiswaarts !

O, wat zullen ze gezongen hebben! Doch ziet, daar komt de hofmeester, die over Jozefs huis was, hen achterop en beschuldigt hen van diefstal. De zilveren beker van zijn heer is weg. Dat hebben zij gedaan ! Dat is een vreeselijke beschuldiging. Vol verontwaardiging zetten Jozefs broeders hun zakken op den grond en zeggen : „Zoek". Bij wien gij hem vindt, dat hij sterve, en wij, wij zullen allen mijns heeren slaven zijn".

Hun verontwaardiging rechtvaardigt hen evenwel niet. De beker komt te voorschijn uit Benjamins zak!

Daar staan zij nu, starend op dien beker. Ze kunnen nu nog wel zeggen, dat zij vroom zijn, maar niemand zal 't gelooven. Ja, zij gelooven het zelf ook niet meer ! Och, zij hebben al lang geweten, dat zij niet waren zooals zij wezen moesten. Zij hielden zich maar zoo om hun misdaad te verbergen. Doch die houding is nu geknakt. De pantserplaat, die zij voor het hoofd gehad hebben, is weggerukt en daar staan zij nu, ontdekt aan hun zonde! O, 't is al vreeselijk voor hen om! daar op dien weg dien hofmeester in de oogen te zien ! En wat zal het voor hen zijn, wanneer ze straks komen voor het aangezicht van dien man, van wien zij weten dat hij hard met hen spreken kan ?

En toch, naar hem worden zij gebracht! Voor zijn aangezicht moeten zij verschijnen.

Zie, daar worden ze de troonzaal reeds binnengeleid.

Hun hooge borst is weg. Geen eigengerechtigheid wordt er nu nog in hen gevonden. Ze roepen niet meer : „Wij zijn vroom". Neen, zij zijn met stomheid geslagen. Ze voelen het: „God heeft hun ongerechtigheid gevonden!" O, zeker, straks houdt Juda een ontroerend pleidooi voor Benjamin. Maar als hij hier in onzen tekst begint om een antwoord te zoeken op Jozefs vraag : „Wat daad is dit, die gij gedaan hebt ? " zie, dan zit hem een brok in zijn keel. Wat zal hij zeggen, en wat zal hij spreken, en waarmee zal hij zich rechtvaardigen ? Hij kan maar één ding zeggen : „God heeft de ongerechtigheid van uw knechten gevonden !''

Neen, aan die beker hebben zij geen schuld. Toch is hij uit hun zak tevoorschijn gekomen ! Dat heeft God gedaan ! Hij heeft hun ongerechtigheid gevonden ! De ongerechtigheid, die de Heere hier gevonden heeft, hebben zij vroeger gewerkt!

Nu zien zij het: Zij hebben den Heere hun God niet liefgehad boven alles, en den naaste niet als zich zelf. Het wettige gezag, dat God over hen gesteld heeft, hebben zij niet erkend. Zij hadden geen eerbied voor hun vader gehad. Hem waren zij niet gehoorzaam geweest. Zij billijkten het niet, dat hij den veelvervigen rok gaf aan den eersten zoon van Rachel! Dien Jozef hadden zij gehaat, omdat hij rechtvaardiger was dan zij. Ze konden hem niet vrediglijk toespreken. Nijd en afgunst had hen vervuld. Ten slotte hadden zij hem gegrepen, ontkleed, in een kuil geworpen, en die veelvervigen rok hadden zij met bloed besmeurd naar huis gezonden, met de vraag : „Beken, of deze uws zoons rok zij ? '' Zijn vader draagt nog rouw over Jozef. Dat is hun schuld. Twee en twintig jaren lang hebben zij gezwegen en het verdragen dat Jacob wegteerde van verdriet Ja, zij hadden er zich aanvankelijk zelfs over verheugd, dat Jacob treurde, 't Was er hen om te doen geweest niet alleen Jozef uit den weg te ruimen, doch ook Jacobs kracht te breken. Jacob toch regeerde niet goed. Den veelvervigen rok had hij aan een ander gegeven ! Dat moest anders worden. Jozef moest weg, Jacob moest van den troon, en zij moesten daarop zitten. De paradijszonde herhaalde zich ! Zij bleken echte kinderen van Adam te zijn !

Welnu, veel was anders geworden. Door den met bloed besmeurden veelvervigen rok was de kracht van vader Jacob gebroken. Jacob had getreurd al die jaren. O, hoe dikwijls waren zijn zonen tot hem gekomen om te zeggen dat hij het nu eindelijk eens overgeven moest, en dat hij niet altijd moest zien op den dood, op wat hij verloren was, maar dat hij, ook eens zien moest op wat hij nog had ! Ja, ze hadden altijd zoo goed geweten wat ze zeggen moesten ! Ze hadden altijd zoo goed de ongerechtigheid van een ander gekend. Maar nu ?

Nu heeft God hun ongerechtigheid gevonden !

Nu worden zij, evenals Jozef weleer, onschuldig als schapen ter slachting geleid! O, ze zien de vergelding. Neen, ze praten niet over de zilveren beker. Ze zien : God heeft hun ongerechtigheid gevonden. Door die daad Gods zijn ze met stomheid geslagen. Zij zien in die daad Gods een oordeel. Daarom komen ze ook als met de strop om de hals tot Jozef om dat oordeel Gods, waarin zij gevallen zijn, te billijken. God heeft de ongerechtigheid van uw knechten gevonden. Zie, wij zijn mijns heeren slaven!

Jozefs broeders zijn door een ramp getroffen. En.... die ramp heeft hen goed gedaan. Ze zijn er door ontdekt aan hun zonden, aan hun eigen ongerechtigheid. Daar zijn ook rampen gegaan over ons hoofd. Zoo veler leven is in de paar laatste maanden gebroken. En wat is nu voor ons het resultaat ? Is de zilveren beker in onze zak gevonden ?

Heeft de Heere uw ongerechtigheid gevonden ? Of, gaat het bij u nóg altijd over de ongerechtigheid van anderen?

o, wij gelijken zooveel op die broeders van Jozef.

De Paradijs-zonde, dat opstaan tegen het wettige gezag — dat ontevreden zijn over de maatregelen, die van overheidswege genomen werden, en dat trachten het wettige gezag van ons te werpen, het heeft geleefd in ons aller hart, ja, 't zat ons in het bloed! Wij hebben niet alleen het goddelijk gezag niet erkend, maar ook gemurmureerd tegen het gezag, dat de Heere hier over ons stelde. Hebben wij wel gebeden voor de overheid ? en daarbij beluisterd wat het Woord des Heeren ons inzake de overheid duidelijk heeft geopenbaard ? Of zat die veelvervige rok ook ons in den weg ? O, hoe menigmaal hebben wij geprobeerd een Jozef te ontkleeden?

En nu, nu is God met Zijn oordeelen gekomen. En nu, nu is die veelvervige rok weg.... nu is dat gehate gezag weg. Een ander gezag is er voor in de plaats gekomen ?

En hoe is 't nu ? Is de zilveren beker nu uit uw zak te voorschijn gekomen ? Hebt gij, toen die vloedgolf heenging over het hoofd van u en van uw kinderen, toen ons land onder de voet geloopen werd en onze grond met bloed werd gedrenkt, 't kunnen belijden met Jozefs broeders : „Dat is óm mijn zonde ? " Hebt ge het gezegd : God heeft mijn ongerechtigheid gevonden ? Ge zijt gelukkig te prijzen, als het zoo mag wezen met u !

Alleen, één vraag wil ik u nog stellen, n.l. deze: Tot wien hebt gij dat gezegd ? Tot uw buren — uw huisgenooten ? Juda zegt het niet tot de buren, noch tot vrienden. Neen, als Juda dit zegt, dan staat hij juist voor het aangezicht van hem, tegen wien hij zoo zwaar gezondigd heeft, doch die innerlijk brandt van verlangen om zich met Juda te verzoenen, ja, die zich tenslotte niet meer goed houden kan en het uitroept: „Ik ben Jozef!'' En zie, als dat gebeurt, dan is het lijden geleden, dan is de hongersnood voorbij, dan krijgt ook het knagend geweten ruimte en dan gaan ze juichend naar huis, om het reeds van verre hun vader toe te roepen: „Jozef leeft! Hij is gebieder in gansch Egypteland en hij is machtig ons daar in het leven te houden!" O, wat 'n thuiskomst! Maar deze thuiskomst was alleen mogelijk omdat zij hun ongerechtigheid hadden leeren kennen en ze hadden beleden.

En als wij er toe komen om het te belijden : „God heeft de ongerechtigheid van Zijn knechten gevonden" — zie, dan moet dat ook door ons worden beleden aan het juiste adres, n.l. bij Hem, tegen Wien wij gezondigd hebben. Dien wij ontkleed, verworpen hebben, ja. Dien wij genageld hebben aan het kruis !

Welnu, zalig zijt gij, als die zilveren beker uit uw zak te voorschijn komt. Zalig zijt gij als gij daardoor met stomheid geslagen wordt, ja, als uw nood daardoor zoo groot wordt, dat zelfs de betere Jozef over u ontroerd kan worden en over u in tranen uitbreken kan!

Als Hij ontroerd wordt om u, omdat gij aan uw ongerechtigheid ontdekt zijt, dan zal Hij Zich ook aan u openbaren en dan zult gij het beleven, dat hij, die zijn zonden belijdt, van Hem barmhartigheid verkrijgt. En dan ? Ja, dan zullen ook wij naar huis kunnen gaan om het daar, zelfs onder de meest bange omstandigheden tot onze huisgenooten te zeggen : „Vreest niet: De betere Jozef leeft, en aan Hem is gegeven alle macht in den hemel en op de aarde ! Zijn schuren zitten vol met brood, dat niet vergaat".

Hij roept u en zegt: „Komt tot Mij, eet van de spijze, die Ik bereid heb, en drink van den drank, dien Ik gemengd heb !'' Als ge zóó Zijn stem moogt hooren en zóó dwars door deze benauwde tijden heen tot Hem moogt komen, ja, dan zult ge het wel blijven zeggen : „God heeft de ongerechtigheid van mij gevonden !" Maar dan zult gij het toch ook belijden : „Het is goed voor mij, verdrukt te zijn geweest!"

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 27 juni 1940

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

MEDITATIE

Bekijk de hele uitgave van donderdag 27 juni 1940

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's