Uit de Pers.
Allerwege wordt krachtig begonnen met de „wederopbouw" van het door krijgsgeweld verwoeste. We mogen hierbij inderdaad eene prijzenswaardige ijver en energie constateeren. Een flinke aanpak kan niet anders dan ons land ten goede komen. Wanneer wij de gelijkenis van „De rijke dwaas" opslaan, bemerken we dat de Heere Jezus 's mans flinke en nuchtere zakelijkheid om de oude schuren af te breken en nieuwe te bouwen, nergens afkeurt. Ds. Knap wijst hierop ook uitdrukkelijk in zijn bekende boek „Gelijkenissen des Heeren". Hij houdt ons daar vóór, dat de dwaasheid van den rijke zeker niet zit in een gemis aan overleg. Hij ziet de dingen breed. Hij is een man „van doortastenden zin, forsch van aanleg en groot van kaliber''. Zulke menschen kunnen wij ook nu nog aantreffen. Menschen die van aanpakken weten. Menschen die in de omstandig'heden waarin ze geraken, onmiddellijk alle kansen aangrijpen om er van te maken wat er van te maken is. Ze zijn snel besloten. Ze zien met kennersblik direct wat hun te doen staat. Als er afbraak is, dan moet er gebouwd worden. Als er afzetgebied verloren is gegaan, dan moet ander gezocht worden. Als bepaalde methoden verouderd zijn, dan moet op een andere, meer moderne wijze het bedrijf worden voortgezet.
Er is niemand, die ook thans hierin iets verkeerds zou ontdekken. Het verkeerde, het zondige moet dan ook iets anders zijn. De rijke dwaas bouwt al zijn verwachting op zijn vermogen, op zijn overleg, op zijn wijsheid, op zijn plan. „Rijk zijn in God" is bepaald vreemde taal voor hem. Hij bedenkt niet dat God regeert, en niet hij. Hij besteedt er geen aandacht aan, dat alleen diegenen niet beschaamd worden, die het van den Heere verwachten. We zouden het dus wel zoo kunnen zeggen : Er wordt flink aangepakt, de zaken worden goed behartigd, maar het allesbeslissende in leven en sterven, in tijd en eeuwigheid, wordt vergeten. God wordt vergeten. Met Hem wordt niet gerekend. Naar Hem wordt niet gevraagd. Zijn Woord is geen lamp voor den voet en geen licht op het pad.
Ook in onze dagen moet dit alles niet worden vergeten.
Er moet hersteld worden. Er moet herbouwd worden. Ongetwijfeld. Met kracht en energie. Want er is veel vernietigd. Maar.... wat een ramp zou het zijn, als wij tevreden waren met nieuwe bruggen, nieuwe huizen, enz. enz. Dan zou daardoor het bewijs geleverd worden dat wij alleen maar puin en afbraak gezien hebben in materieel opzicht. Wat ons dan bezighield, was alleen maar een kapot huis, een verwrongen brug, een gedesorganiseerd economisch leven, dat weer hersteld en zoo noodig vernieuwd moet worden. We bedoelen waarlijk niet te zeggen dat deze vernietiging niet erg is. Zeer velen zijn er zeer ernstig door getroffen. Maar zoo terecht wijst het Hervormd Zondagsblad voor de provincie Friesland op een nog erger vernietiging. En wel de zedelijke vernietiging, welke in ons volksbestaan is openbaar geworden. Voornamelijk wordt dan gewezen op roof en plundering. Inderdaad is deze „vernietiging van zedelijkheid erger dan de vernietiging van paleizen, bekleed met het edelst marmer, en het verlies van de rijkste kunstschatten kan niet opwegen tegen de schade van vernietigde zedelijkheid". Hier staan we inderdaad bij puinhoopen, die ons met meer vreeze moeten vervullen dan alle andere genoemde ruïnes. En als wij hierop zien, dan past het ons nog te meer uit te roepen : „Het zijn Uwe goedertierenheden, o Heere, dat wij nog niet vernield zijn".
Want zedelijke vernietiging, zedelijke verwording heeft immers eene bron, waaruit ze opkomt. We belijden toch, dat het zedelijk leven maar niet in de lucht zweeft of een onafhankelijk bestaan leidt. In de „Geschiedenis der ethiek" (tusschen haakjes, ter bestudeering hartelijk aanbevolen), wijst Prof. Severijn er op, dat de „Schepping, levenswet en levensbestemming maar niet een samenhangend gedachtencomplex is, maar één daad Gods, welke in haar eenheid en saamhang wordt gekend in haar eisch voor het leven van den mensch bepaalt, het kort begrip van de gansche ethiek''. Ziet men zulks niet dan worden de Tien geboden gemaakt tot „een opsomming van enkele moraalregelen". Dit zou onjuist zijn.
Want de wet wordt juist gezien als de levenswet van den mensch, in verband met zijn wezen en bestemming. Onder Israël komt de ethiek dan ook op „uit den wortel van het zedelijke, het religieuze leven, gelijk dat door den Geest der profetie wordt geïnspireerd". „In Israël is het licht over de zedelijke orde, haar ontwrichting en haar wedervernieuwing opgegaan". Wij menschen zijn derhalve gezet „in religieuszedelijk licht, d.w.z. onder den eisch van gehoorzaamheid aan den levenden God" (blz. 25, 26). Hieruit volgt, dat zedelijke ontaarding en verwording voortkomt uit het afwerpen der banden, waarmede de Heere ons bindt. We komen te staan in Genesis 3. Daar breken wij onze van God ontvangen levenswet. En wat voor „leven'' zouden wij dan nog hebben ? Wanneer dan ook het Hervormd Zondagsblad in droefheid zich van de zedelijke vernietiging afwendt en roept: hoe is 't toch mogelijk? Dan luidt terecht het bange antwoord op deze vraag :
Wie afvalt van den Hoogen God Moet vallen.
We zien, waartoe het afwijken van God leidt. Dan gaat het op afgrond en verderf aan. Terwijl de schuld voor den Heiligen God steeds grooter wordt gemaakt. We hebben hiermee volkomen ernst te maken. We moeten niet denken, dat de levenswandel der volkeren en enkelingen wel in het rechte spoor komt of in het rechte spoor blijft als de gebondenheid aan God wordt prijsgegeven en verworpen. Een plant, welke van de wortel wordt losgemaakt, sterft. Wordt er niet meer gerekend met de eischen Gods, met de tucht des Woords, met 's Heeren levenswet, dan moet hiervan ontaarding op allerlei gebied het gevolg zijn. Het is een geweldige fout, te meenen dat de christelijke religie kan worden prijs gegeven en dat toch hare vruchten duurzaam kunnen worden behouden. Hierop wijst Groen van Prinsterer in het hoofdstuk „Ongeloof" uit zijn „Ongeloof en Revolutie". Als vruchten, welke op christelijken bodem geteeld zijn, worden genoemd „recht, vrijheid, verdraagzaamheid, menschelijkheid, zedelijkheid". Alleen in het evangelie worden deze in haar echtheid gevonden, terwijl de klassieke oudheid er een flauwe afschaduwing van heeft. De orthodoxie nu heeft deze schatten niet bewaard. De wijsbegeerte heeft er zich meester van gemaakt. Maar deze bleek hier eene onmachtige schatbewaarster. Dat kon ook niet anders. De beginselen werden verworpen en nochtans wilde men de gevolgtrekkingen behouden, „gelijk men rekent op genot der wateren, wier bron men gestopt heeft, of op schaduw der boomen, na het afsnijden van den wortel. Die rekening is ten allen tijde misrekening geweest. Ook hier: de planten, aan de oevers van den evangeliestroom in heerlijken bloei, moesten, overgebracht in een land, droog en zonder water, verdorren. Maar neen ; ook aldus is er flauwheid, onjuistheid in de vergelijking ; op den giftigen akker der ongodisterij ontaardden zij in schadelijke gewassen, wier doodelijk venijn zich onder schitterende kleuren en liefelijken wasem verbergt. Tooverwoorden, waarmee de volkomenheid van wijsheid en geluk zou worden te voorschijn geroepen, telkens uitgebazuind, bleven klanken ; de uitkomst is het tegendeel der voorspiegeling geweest. Voor recht onrecht, voor vrijheid dwang, voor verdraagzaaimheid vervolging, voor humaniteit onmenschelijkheid, voor zedelijkheid zedenbederf'. Hier wordt de vinger op de wondeplek gelegd. Door allerlei oorzaak is er een ontkerstening van het volksleven gekomen waardoor het zedelijk leven verderfelijk is beïnvloed.
Gods banden verscheuren, Gods touwen afwerpen — daar staan we bij de grondoorzaak. En hiervan is ook eene slechte invloed uitgegaan temidden van allen die nog wenschten te leven naar Gods Woord en Getuigenis. Hierop wordt gewezen in een Veluwsche brief uit de Wekker, orgaan der Chr. Geref. Kerk, van Vrijdag 21 Juni '40. Daarin wordt gezegd dat God ons wakker schudde uit ons droomleven, waarin we bouwden aan de stad onzer sterkte. We leefden aan den buitenkant. Formeel was alles in orde. We kerkten en gingen ten Avondmaal. We arbeidden voor Kerk en Koninkrijk Gods. Maar innerlijk waren we zoover van God af. Daarom wordt de smeltoven heet gestookt om de echtheid van het geloof aan het licht te brengen. Op hetzelfde wijst ook prof. Ridderbos in zijn woord, gesproken bij de cursussluiting van de Theologische Hoogeschool, gepubliceerd in de Bazuin van Vrijdag 21 Juni '40.
De groote breuk, zoo zegt hij, is zoo veelszins gemis aan waarheid, aan diepe, ernstige waarheid in de vreeze des Heeren en bij Zijnen dienst. Daarom komt God op Zijn tijd den mooien naam en den schoonen schijn en het uitnemend voornemen wegnemen, of ook wegstormen, om de droeve werkelijkheid te laten zien.
En deze werkelijkheid is eene ruime. Zie, als daarvoor de oogen eens opengingen. Voor wat verwoest is als vrucht van onze overtredingen. Dan leeren we verstaan, wat Prof. Ridderbos ook opmerkt, dat we de breuk op 't lichtst trachten te heelen als wij de kwaal zoeken in „verdeeldheid, oneenigheid, polemiek en dergelijke". Wij moeten dieper graven, terwijl natuurlijk alles, óok polemiek, waarbij we onder den schijn voor de waarheid te strijden, metterdaad slechts zoeken eigene eere en grootheid, te veroordeelen is. Wij en onze vaderen, wij hebben God verlaten. En als er nog vreeze des Heeren was, wat een onwaarheid en onheilig vuur is er mee vermengd geworden. Almaar om zich te onttrekken aan de „banden en de touwen" Gods. Daardoor groeit een geslacht op, dat niet van gebondenheid weet. Deze zonde moet erkend worden en zoo niet, dan zal de ware geestelijke opbouw nooit kunnen komen bij een ieder die niet zijn persoonlijke schuld voor God leert belijden. Want God bouwt. Vergeet dat niet. God bouwt de eeuwen door. God laat de satan en de ruïne niet zegepralen. God bouwt wonderlijk. God bouwt in en door de zelfvernietiging van Jezus Christus henen. We wijzen daarop met het reeds genoemde Hervormd Zondagsblad. Christus heeft zich ontdaan van alle heerlijkheid. Hij heeft het geen roof geacht Gode evengelijk te zijn. In dezen weg volbracht Hij de levenswet, droeg de zonde weg, torste de vloek Gods, bevredigde volkomen den Vader. En nu bouwt de Heere Zijn geestelijk huis. Zijn tempel. Hij bouwt Zijn nieuwe hemel en Zijn nieuwe aarde. Wordt ook gij gebouwd op het fundament van apostelen en profeten ? Dat gaat ook in de weg van afbraak van alles, walarin wij ons groot en sterk wanen. Als God gaat bouwen, dan breekt Hij onze hoogmoed, onze eigengerechtigheid, onze eigenwillige godsdienst — maar in dezen weg legt Hij de wedergeboren zondaar als een levende steen op het eenige Fundament, Christus Jezus. En dat bouwen Gods gaat door. Naar Zijn Welbehagen. De Kerk van Christus zij begeerig naar dit breken en bouwen Gods. Het psalmwoord zal dan rijke bemoediging geven.
„Ik weet hoe 't vast gebouw van Uwe gunstbewijzen Naar Uw gemaakt bestek in eeuwigheid zal rijzen".
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 4 juli 1940
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 4 juli 1940
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's