De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

DE DAG DES HEEREN

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

DE DAG DES HEEREN

11 minuten leestijd

De toestand na den dood.

IV.

De belijdenis geeft daaromtrent weinig licht, zooals zij in het algemeen weinig van de laatste dingen leert. (Zie art. 37). En men zou kunnen vragen, wat dan de vraag omtrent den toestand na den dood met de laatste dingen heeft uit te staan. Toch ligt dat niet zoover uiteen, aangezien de opstanding en het oordeel der levenden en der dooden toch zeker tot de belijdenis der laatste dingen behooren en daarvan een belangrijk stuk uitmaken. Bepalen wij ons tot de opstanding, dan weten wij, dat de vereeniging van de ziel met het lichaam der heerlijkheid ook de volle vervulling van de eeuwige zaligheid zal doen ingaan.

Zoo is reeds op dit punt aanleiding tot de vraag omtrent den toestand dergenen, die gestorven zijn in den Heere en nog niet zijn opgestaan. Omtrent deze vraag geeft de Heilige Schrift een antwoord, dat wij allen kennen. De apostel zegt: ontbonden en met Christus te zijn, is mij verreweg het beste. (Filip. 1 : 23). Met Christus zijn. Dat is derhalve de toestand dergenen, die in Christus gestorven zijn.

De dood, dien zij sterven, noemt de Catechismus een doorgang ten eeuwigen leven. (Zondag 18). Overlijden beteekent overgaan. De apostel Paulus spreekt ook van het verbroken worden van den aardschen tabernakel. Hij ziet het lichaam als een tent, waarin de ziel woont. Die tent wordt verbroken, maar dan is nog de ziel. (2 Cor. 5). Het sterfelijke wordt verslonden. Dit neemt ook de Catechismus over, die in den aangehaalden Zondag gewaagt van den dood als afsterving der zonde. Elders spreekt de apostel van het lichaam der zonde.

Hier is dus geen twijfel aanwezig. De ziel is na den dood met Christus. Daar is dus een gemeenschap der ziel met Christus. Die is er door den Heiligen Geest reeds op aarde, doch het woord van den apostel, ontbonden en met Christus te zijn, doet toch nog aan wat anders denken dan alleen aan de verlossing des lichaams. De Heere zegt tegen den moordenaar : Heden zult gij met Mij in het paradijs zijn. Deze uitdrukking heeft zelfs een locaal karakter en wijst in ieder geval op een werkelijkheid van een onderscheiden aard.

Lazarus werd door de engelen gedragen in den schoot van Abraham. (Luk. 16 : 22). Dat wijst op de vergadering der kinderen Gods in een gemeenschap, die een na den dood voortgaande betrekking heeft met Abraham. Dit ligt trouwens ook in de belofte des Verbonds en in Christus' uitleg omtrent het geestelijk geslacht, dat het zaad Abrahams wordt genoemd, en in zijn bijzonderen titel: vader der geloovigen.

Dit alles maakt echter de verklaring niet gemakkelijker, als wij voor oogen houden, dat het hier de heiligen des Ouden Verbonds aangaat, die in de belofte gestorven zijn. Immers als de Heere Jezus over den armen Lazarus handelt, dan is Hij nog niet in Zijn heerlijkheid ingegaan. Er is dus aanleiding voor de voorstelling, dat al de heiligen des Ouden Verbonds in den schoot Abrahams zijn gedragen als het volk des Verbonds onder hem, die de vader der geloovigen wordt genoemd.

En nu zegt Paulus niet: ontbonden en in den schoot Abrahams gedragen te worden, of in het paradijs te zijn, maar : ontbonden en met Christus te zijn. Ook Abraham verwachtte de stad, die fundamenten heeft, welker Kunstenaar en Bouwmeester God is. Hij heeft uitgezien naar den dag van Christus en heeft hem gezien, verklaart de Heere Jezus. De heiligen van den ouden dag zijn niet in Abraham! ontslapen, maar in de belofte Gods, dat is in den Messias. Zij hebben een voorsmaak van Hem gehad. Hoe klaar is hieromtrent het getuigenis der profeten, die van den Messias hebben gesproken.

Dit alles neemt niet weg, dat het woord des Heeren aangaande Lazarus niet zonder beteekenis kan zijn. Hetzelfde geldt van Zijn woord tot den moordenaar, dat van paradijs spreekt. Adam genoot in het paradijs een heerlijkheid, welke toch niet de heerlijkheid zijner eeuwige, hemelsche bestemming was.

Het is derhalve niet ongerijmd te vragen, of met den schoot Abrahams en het paradijs niet op de vergadering der gestorvene heiligen wordt gewezen, die in de verwachting Israels ontslapen zijn. Daaraan sluit dan een tweede vraag : n.l. of na de vleeschwording des Woords en de verheerlijking van den Middelaar verandering is ingetreden, daar Paulus duidelijk de verwachting uitspreekt: met Christus te zijn.

Dit zou dan de voorstelling wekken, dat er een onderscheid zou zijn in het bestaan na den dood der heiligen Gods onder het Oude en onder het Nieuwe Verbond. En dit zou weer een nieuwe vraag doen rijzen : of het volbrachte werk van Christus ook degenen, die in den schoot van Abraham waren, met Christus vereenigd heeft, d. w. z. of zulk een onderscheiding werd opgeheven.

Wij hebben deze vragen aangeroerd, omdat zij ook anderen hebben bezig gehouden en om de aandacht er op te vestigen. Maar nu het antwoord!

Om dat te vinden, zij eerst een woord van Calvijn in herinnering gebracht, dat in ander verband reeds eerder is genoemd. Hij merkt n.l. op, dat ook de mensch in rechtheid den Heere niet zonder Middelaar vermocht te naderen.

Zoo heeft ook Gods' volk onder de bedeeling der genade met den Middelaar van doen gehad, zoowel onder het Oude Verbond als het Nieuwe. De Heere heeft tot de vaderen gesproken door de profeten. (Hebr. 12 : 1), maar dit geschiedde door den Middelaar. Ook die door het woord der profeten hebben geloofd in den Messias, die komen zou, in welke belofte zij ook gestorven zijn, zijn door den Middelaar tot God genaderd en zijn door Hem in de verwachting Israels gesterkt.

Als men dus terecht heeft opgemerkt, dat zij een voorsmaak van den Christus hebben gehad, heeft de Beloofde zekere gestalte in hen aangenomen. Zij hebben in hun leven de geestelijke gemeenschap gesmaakt, en de gemeenschappelijke hope was op den Messias gericht. Al wat zij getuigd hebben van de deugden Gods, hebben zij door het levende Woord, d.i. den Zoon, ontvangen.

Het zou niet juist zijn, aan de heiligen des Ouden Verbonds meerdere kennis toe te schrijven dan zij gehad hebben, maar wij mogen daarvan ook niet afdoen. En wat de gestalte aangaat, zijn daar toch zeer duidelijke getuigenissen, b.v. van Jesaja 53, en dan wat van Abraham gezegd wordt, die met verheuging heeft uitgezien naar den dag van Christus, en hij heeft dien gezien. Verder zijn er klare getuigenissen omtrent de verwachting der heerlijkheid na den dood, zooals b.v. in den 73sten Psalm: „Ik zal dan geduriglijk bij U zijn. Bezwijkt mijn vleesch en mijn hart, zoo is God de rotssteen mijns harten en mijn deel in eeuwigheid. Want zie, die verre van U zijn, zullen vergaan". Verder Psalm 17 : 15 : „Maar ik zal Uw aangezicht in gerechtigheid aanschouwen, ik zal verzadigd worden met Uw beeld, als ik zal opwaken".

De verwachting van het bij God zijn, leeft dus in het hart van den psalmist. Hij zal verzadigd worden van Zijn beeld. Er was dus wel degelijk een gestalte.

Omtrent den toestand na den dood van de heiligen des Ouden Verbonds, zegt dit nog niet alles. Zij kennen God door den Middelaar. In zooverre is dat niet anders dan in het Nieuwe Verbond. De Middelaar is ook geen andere, maar het heeft toch ook zin, als Johannes begint met te zeggen, dat het Woord, hetwelk bij God was en God was, is vleesch geworden. Het Woord kwam tot de vaderen door de profeten en in de laatste dagen door den Zoon. (Hebr. 1 : 1).

Wanneer er dus een onderscheid moet worden aangenomen, hangt dit samen met de vleeschwording des Woords. En welke verandering kan dan zijn ingetreden, waardoor de toestand der heiligen na den dood mede veranderd zou zijn ?

Er is een verandering van groot gewicht. Op de vleeschwording des Woords en het lijden en sterven is de verhooging gevolgd, die ook de verheerlijking van Christus' lichaam heeft gebracht. Dit lichaam was er eerder niet. En waar het Nieuwe Verbond de kinderen Gods leden van Christus' lichaam noemt, wordt daar een levende betrekking met het lichaam van Christus gesteld, zoodat zij daarmede organisch verbonden zijn. Krachtens de verkiezing zijn ook de heiligen des Ouden Verbonds leden van Zijn licliaam, doch zij konden niet tot het Hchaam vergaderd worden, toen het er nog niet was.

Dit doet uitteraard niets af van de geestelijke gemeenschap, waarover zoo straks werd gehandeld, doch het lichaam van Christus, dat werd opgewekt, was een nieuw schepsel. Hij stond op in de nieuwigheid des levens. Op deze werkelijkheid ziende, was er dus verschil. Als Paulus zegt: ontbonden en met Christus te zijn, dan ziet hij op een gemeenschap des lichaams van Christus, die de ouden niet hebben gekend. De Middelaar was er wel in de gestalte des Woords, maar had nog niet de gestalte des lichaams aangenomen.

Het is daarom niet ongerijmd als men aanneemt, dat de toestand der gestorvene heiligen na den dood in het Oude Verbond een andere was dan die van het Nieuwe Verbond. Dit kan dan zijn uitgedrukt in de bovengenoemde woorden : gedragen in den schoot van Abraham en heden zult gij met Mij in het paradijs zijn. Want als de gemeente op aarde een openbaring van het lichaam van Christus wordt genaamd en Deze der gemeente tot een Hoofd is gegeven, zijnde het Hoofd des hchaams, dan heeft dit zonder twijfel betrekking op een geestelijke werkelijkheid, een gebouw, niet met handen gemaakt, waarvan Christus het fundament is. Indien nu iemand opmerkt, dat het lichaam van Christus in tweeërlei zin is gebruikt, n.l. eenerzijds als het lichaam dat de Middelaar in de vleeschwording des Woords heeft aangenomen en anderzijds als het lichaam der gemeente, dan is dat ten deele ook juist. Toch is er een saamhang tusschen die twee, zooals ook uit de aardsche dingen kan worden verstaan. Men zou op overeenkomstige wijze kunnen spreken van het lichaam van Adam en het lichaam der menschheid. En een iegelijk zal toegeven, dat wij allen het lichaam uit den eersten mensch hebben ontvangen, aan hem gelijkvormig zijn geworden, zoodat ook de gansche menschheid als een groot organisme gestalte heeft aangenomen.

Wanneer dan de belofte der heerlijkheid ook daarin zal worden vervuld, dat wij aan het verheerlijkt lichaam van Christus gelijkvormig zullen zijn, dan wijst dat op een soortgelijken saamhang omtrent de gestalte der gemeente, als een gebouw Gods, waarvan Christus is de hoeksteen of het fundament.

Het fundament is éérder dan het gebouw. En waar gezegd wordt, dat Christus gestalte aanneemt in degenen, die Hem gegeven zijn, daar is reeds aanvankelijk en in dit leven het beginsel der heerlijkheid. Zoo is er geen reden om aan te nemen, dat dit beginsel bij den lichamelijken dood niet zou blijven, al komt de volle heerlijkheid eerst in den dag des Heeren. De triumfeerende kerk is ontbonden en met Christus, zijnde Zijn lichaam. Daarin geniet zij reeds de voorrechten van het kindschap Gods. De apostel Johannes zegt : het is nog niet geopenbaard, wat wij zijn zullen. Daarover kan dus niet nader worden gesproken.

Wil men dat nu voor een soort van tusschentoestand houden, waarin de gestorvenen verkeeren, dat zij zoo, indien men daarin geen aanleiding wil vinden tot allerlei verzinselen. Datzelfde moge ook gelden ten aanzien van het onderscheid in den toestand der gestorvene heiligen onder het Oude Verbond en de vraag, of daarin verandering is gekomen na de hemelvaart des Heeren.

Wij zouden er alleen op kunnen wijzen, dat verschillende plaatsen in de Heilige Schrift het gansche volk Gods bijeenvergaderd en in den hemel stellen. Openb. 7 noemt wel de stammen Israels afzonderlijk, maar ziet een schare, die niemand tellen kan, uit alle volken en natiën. Zoo spreekt Hebr. 12 : 23 van de algemeene vergadering en de gemeente der eerstgeborenen, als een groote schare. Dat is te meer opmerkelijk, omdat juist de Hebreenbrief het onderscheid tusschen Oude en Nieuwe Verbond op den voorgrond schuift.

Hoewel het met zoovele woorden niet wordt medegedeeld, zou men dus kunnen vermoeden, dat degenen, die in den schoot Abrahams waren wachtende op Zijn dag, dien dag hebben gezien en Zijn heerlijkheid met de kinderen des Nieuwen Verbonds vereenigd aanschouwen. Wellicht wordt dit ook bevestigd door Hebr. 12 : 40: Alzoo God wat beters over ons voorzien had, opdat zij zonder ons niet zou­den volmaakt worden.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 11 juli 1940

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

DE DAG DES HEEREN

Bekijk de hele uitgave van donderdag 11 juli 1940

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's