Uit de Pers.
De Bijbel, de prediking, de kerk, ze blijven in onze tijden nog steeds in menig artikel de bizondere aandacht vragen. Nu moest dit, wilde het goed zijn, niet opvallend, maar normaal zijn. En dan wel normaal voor alle tijden.
Wat verdient meer de aandacht dan het Getuigenis Gods, „dat eeuwig zeker is, en slechten wijsheid leert". Hiermee verbonden is het recht om de volle aandacht te vragen voor prediking en kerk. De prediking is toch de verkondiging van dat Getuigenis Gods.
Terwijl deze verkondiging opgedragen is aan de kerk, aan wie de schat des Woords werd toebetrouwd en die ook zelf uit dat Woord moet leven. Het is er echter verre van af dat wij hier van eene constante belangstelling zouden kunnen spreken. Tijden van groote verflauwing en inzinking worden wel eens afgewisseld door kortere of langere perioden van intensiever vragen naar de Schrift en haar beteekenis en naar de verkondiging der kerk. Dit zijn dan vaak de perioden, welke gekenmerkt worden door verbijsterende getuigenissen in grooter of kleiner kring. Reeds bestaande belangstelling wordt verdiept of sommigen, die eerder zich niet druk maakten met den Bijbel, worden er zich van bewust dat er nog zoo'n soort „boek" is, dat wat te zeggen wil hebben in en over onze tijden. In het Algemeen Weekblad van 21 Juni '40 schrijft Prof. G. van der Leeuw een artikel over „De Bijbel — een Boek". De schrijver kreeg een brief van een Rotterdamsch predikant, die bij de verwoesting in Rotterdam huis, kerk en het grootste deel van zijn wijk verloor. Deze schreef : „Wanneer je nu de Bijbel leest, is het alsof je hem nog nooit gelezen hebt. Misschien moet er iets heel geweldigs, iets verschrikkelijks met ons gebeuren, voor wij den Bijbel zoo kunnen lezen". In het artikel wordt er op gewezen dat wij de Bijbel als Boek moeten lezen. Wij moeten ons niet beperken tot wat stichtelijke teksten die ons „liggen". Getracht moet worden te verstaan wat God ons met den Bijbel als geheel te zeggen heeft; Getracht moet worden te lezen „in het groot", niet „in het klein".
Prof. Van der Leeuw vindt dan als de Bijbel zóó gelezen wordt, zes groote aspecten waaronder de Bijbel kan worden bezien. En wel een historisch, een profetisch, een poëtisch, een wettisch, een theologisch, een apocalyptisch aspect. Door dit alles spreekt dan God, nu eens zacht, dan weer met de stem des donders.
In „Luctor et Emergo", orgaan van den Bond van Chr. Geref. Jongel. Vereen wijst Ds Kremer in het no. van 19 Juni '40 in een artikel „Wat bleef" op Het. Woord Gods, dat onverminderd van kracht bleef, ja, zelfs te heerlijker uitkwam. De wankelheid van veel is meer of minder gevoeld. Maar het Woord bleef onverminderd van kracht. Door velen is naar dat Woord gegrepen. Niet alleen in de kerken zijn onder groote stilte toepasselijke gedeelten gelezen. Maar ook is de Bijbel gegrepen in de loopgraaf en in de schuilkelder, waar van alle kanten de dreiging des doods was. Min of meer is ontdekt, dat de Bijbel het Boek is voor onrustige tijden. Die Bijbel is op zijn plaats „op het slagveld en in de loopgraaf, bij puinhoopen en graven, in doodsgevaar en levensnood". Profeten en psalmisten stonden vlak bij ons en de eeuwen die ons van hen scheidden, waren weggevallen. We hebben iets kunnen verstaan van wat iemand eens genoemd heeft de „verwonderlijke tijdeloosheid'' van den Bijbel. Terecht wijst Ds Kremer er op, dat de oorzaak, waardoor de Bijbel ons juist in bange tijden zoo toespreekt, niet in ons ligt of in de omstandigheden, maar in de eigenschappen van dat Woord zelf. De schrijver wijst ons dan op enkele dingen en wel op de harde eerlijkheid van het Woord Gods. Het wijst ons aan als de schuldige van al de ellende om in dezen weg te leiden tot oprechte verootmoediging over eigen zonde.
Niet minder spreekt er een verheven rust uit het Woord des Heeren. Boven de verwarring hier beneden is er de rust des hemels. Gods raad en Gods plan kan niet worden verwoest. Ook deze oorlog is in dit plan begrepen. Bij God is er niets in de war. Daarbij is het Woord zeer persoonlijk. Het zoekt het hart te raken. Het komt nog steeds met de vraag van den Christus : Wie zegt gij dat Ik ben ? Als wij God in Zijn Woord ontmoeten, dan wordt het ons een niet te ontrooven boodschap des hemels. Dan wordt het Woord ons het Boek van den troost. Als God met Zijn oordeelen komt, ook over die Hem vreezen, dan komt Hij Zelf altijd mee, al wordt dit niet steeds direct verstaan. Op dat Woord zullen wij terug moeten vallen.
Tenslotte wijzen we nog op de Vragenbus van het Hervormd weekblad De Gereformeerde Kerk van Donderdag 27 Juni '40, waarin juist een vraag beantwoord wordt door Dr J. P. van Itterzon over Het gezag der Heilige Schrift. In dat antwoord wordt er op gewezen dat men zich in den tijd der Hervorming met kracht wierp op de bestudeering der H. Schrift. Nu kwam echter de vraag op : waarop rust het gezag der Schrift ?
Het Romanisme fundeert het gezag in het getuigenis der Roomsche Kerk. Hier ontvangt de Kerk de eereplaats en kan de Schrift gemakkelijk op den achtergrond komen.
Het mysticisme daarentegen geeft de eereplaats aan het inwendig licht. De H. Schrift zou dan maar een ladder zijn om tot een zekere hoogte te klimmen. Was die hoogte bereikt, dan was de Schrift verder overbodig. De Schrift is dan alleen voor beginnelingen, de meergevorderden hebben haar niet meer noodig. Zij werden geleid, buiten Gods Woord om, door inwendige stemmen, welke gehouden werden voor het spreken van Gods Geest in de harten der geloovigen.
Het Intellectualisme of Rationalisme wilde met redeneeringen en bewijzen de waarheid en betrouwbaarheid van de Schrift aantoonen. Wij zouden dan door onze wijsheid de Schrift voor „omvallen'' moeten bewaren.
De Kerk der Hervorming belijdt echter iets anders. Dr J. P. v. I. zegt dit als volgt: „Gods Woord heeft geen steun noodig in de Kerk (aldus het Romanisme), noch in de oncontroleerbare geesteservaring (aldus het Mysticisme), noch in verstand of rede (aldus het Intellectualisme en Rationalisme), maar enkel en alleen in Gods Geest, die in de Schrift zelf tot ons spreekt met goddelijk gezag. Dit getuigenis van den Heiligen Geest is niet iets aparts, naast het Woord Gods ; geen afzonderlijke mededeeling, die wij afzonderlijk naast den Bijbel van God hebben ontvangen. Dat getuigenis van Gods Geest is met Gods Woord onlosmakelijk verbonden en wie den Bijbel ootmoedig leest, komt in aanraking met Gods Geest, die in dat Woord Gods ons gezaghebbend aanspreekt en gehoorzaamheid van ons vraagt.
Ook voor ons is er reden te over om te vragen met alle ernst: Wat is ons dat Woord, wat zegt ons dat Woord, wat doet ons dat Woord. Temeer moest deze zaak klemmen, omdat wij het er allen over eens zijn dat we waarlijk van doen hebben met Gods Getuigenis. Dat „gelooven" we allen. Maar, gezien de practijk, mogen we zeker wel zeggen : wat is dit veelszins niet anders dan een onvruchtbaar geloof. Wij willen wel zonder eenig bedenken de fundamenteele artikelen onzer Nederl. Geloofsbelijdenis over het Woord onderteekenen. Als het in art. 3 gaat over het beschreven Woord Gods, dan belijden ook wij dat dit Woord Gods niet is gezonden, noch voortgebracht door den wil eens menschen, maar de heilige menschen Gods, van den Heiligen Geest gedreven zijnde, hebben (het) gesproken, gelijk de H. Petrus zegt. En God heeft geboden Zijn geopenbaarde Woord „bij geschrift te stellen", „door een bizondere zorg, die Hij voor ons en onze zaligheid draagt.'' Eveneens wille wij artikel 5 onderteekenen, wanneer de Kerk daarin behjdt: „Alle deze boeken alleen ontvangen wij voor heilig en kanoniek, om ons geloof daarnaar te reguleeren, daarop te gronden en daarmede te bevestigen. En wij gelooven zonder eenige twijfeling al wat daarin begrepen is; en dat niet zoozeer, omdat ze de Kerk aanneemt en voor zoodanig houdt; maar inzonderheid, omdat ons de H. Geest getuigenis geeft in onze harten, dat zij van God zijn; en dewijl zij ook het bewijs daarvan bij zichzelven hebben : gemerkt de blinden zelven tasten kunnen, dat de dingen, die daarin voorzegd zijn, geschieden".
We gevoelen echter allen wel, dat we met een bloote toestemming er niet zijn. Ook hier kan een „doode rechtzinnigheid" heerschen, welke ontstellend is. De Bijbel is Gods Woord, ja, maar waar is dan het erkennen van dit gezag in het leven dergenen die instemmen met deze belijdenis. Onder Israël moest de Heere roepen: Ben Ik een Vader, waar is Mijn eere ? Zoo zou de Heere ook thans wel kunnen zeggen : Is de Bijbel Mijn Woord, waar is dan het buigen onder dat Woord en het wandelen in het licht van dat Woord ? We weten zeer goed, dat wij over de harten niet kunnen oordeelen, maar ach, wat blijkt veler „belangstelling" voor het Woord niet anders te zijn dan een zekere nieuwsgierigheid naar wat er in dit Boek zou zijn op te diepen over toekomstige gebeurtenissen. Vooral de „Openbaringen" moeten het dan „ontgelden". En de meest fantastische veronderstellingen worden geopperd. Maar aangezien dit niemands hart bevredigen kan, komt na zulk eene belangstelling vanzelfsprekend weer het laten liggen van de Schrift. Met „teleurstelling" wenden velen zich dan weer af. Er werd niet gevonden, wat gezocht werd. Dit is alleszins bedroevend. Maar 't moet bij dergelijk „Schriftgebruik" komen, omdat zoo het karakter der Schrift wordt miskend. We hebben hier maar niet voor ons een boek, dat eens duidelijk komt zeggen tot ieder die het maar weten wil, wat morgen en overmorgen geschieden zal. Bovendien, al zou zulks het geval zijn, wat zou een mensch daar dan nog bij gebaat zijn. 't Gaat er om, dat wij acht leeren nemen op het Profetisch Woord, dat zéér vast is, en dat schijnt als een licht in een duistere plaats. Wie denkt bij het woord licht niet aan dien Christus, Die gezegd heeft: Ik ben het Licht der wereld. Alleen in dit Licht zien wij het licht. En dit Licht is het Lam, dat Johannes ziet, staande als geslacht en dat alléén waardig is het boek te openen en zijn zegelen te verbreken. Dat Lam is de Leeuw uit Juda's stam, de Wortel Davids, die overwonnen heeft. Prof. Greydanus merkt hierbij op in „Korte Verklaring": „Maar nu werd Hij (d.i. Christus) als Middelaar, Die Zijn bloed ter verzoening gestort had, verhoogd in Gods troon, en als Lam, Dat geslacht was, maar weer opgewekt daar nu stond, hoewel nog dragende de teekenen van Zijnen dood, met de wereldregeering belast, om uit te voeren den raad Gods, die gevormd was in verband met Zijn verlossingswerk, en als vast ligt in Zijnen dood.... Onze Heiland en Heere regeert de wereld naar Gods raad en door Gods kracht''. Ware Christus' offer er niet, dan „kon de wereldgeschiedenis zich niet ontwikkelen, het Koninkrijk Gods niet tot zijne volkomenheid komen, de heerlijkheid Gods niet openbaar worden en onomsluierd uitschitteren, de beloofde nieuwe hemel en aarde niet verschijnen, de zalige eeuwigheidstoestand niet intreden". Nu dit offer wèl is gebracht, nu kan dit en nu zal dit geschieden.
Alles wat plaats grijpt wordt derhalve getrokken in het licht van Gods werk in Christus. Het staat er mee in het nauwst verband. Wat nuttigheid is er dan in alle gezoek buiten dat werk Gods om. Wat nuttigheid zou dat hebben voor de wereld, voor de Kerk, het persoonlijk leven. Door alles wat geschiedt wil de Almachtige juist wijzen op dat Lam, op dien overwinnenden Leeuw. Ook daartoe heeft Hij ons Zijn Woord gegeven. Wij zijn er dus ook niet, als wij dat Woord als een verzameling van teksten gebruiken, waaruit wij zoeken wat wij voor ons bepaalde doel eens noodig hebben, zonder dat wij zelf aan dat Woord gebonden zijn. Er worden wat teksten gebruikt om elkaar mee om de ooren te slaan. Om eigenlijk te bewijzen, terwijl er absoluut geen vreeze is voor de waarheid Gods. We kennen wat gedeelten van den Bijbel, die we meenen aan te kunnen voeren om eigen verdorvenheid en wereldgelijkvormigheid mee goed te praten. Maar zoo gaat het niet. Dan zijn wij net zoo ver van de waarheid af als degene die het Woord Gods leest als „toeschouwer". Alsof het ons niet betrof en er geen boodschap tot ons kwam en wij er niet bij betrokken Waren. We zien er dan in een woord voor vroegere geslachten, voor „de menschen van toen" en beseffen niets van de „verwonderlijke tijdeloosheid" der Schrift. Of, als we het Woord wel op „nu" betrekken, dan doen we dat op anderen. Anderen worden veroordeeld. Anderen zijn ongehoorzaam. Anderen zijn ondankbaar.
Wij weten alles. Zooals de Schriftgeleerden uit Herodes' dagen. We weten waar Christus geboren is. We weten het waarom, het hoe, het waartoe. Maar zelf kunnen we met de Schriftgeleerden „thuis" blijven. In het „thuis" van onze eigengerechtigheid, eigen vroomheid, eigen inbeelding, eigen wereldzin. Maar we vatten wel, dat we dan nog nooit den Bijbel goed hebben gegrepen en gelezen. Dat we dan nog nooit ware ernst gemaakt hebben met het gezag des Bijbels. Want als dat wèl zoo is, dan komen wij er onder. Dan worden wij, al lezende gegrepen, meegevoerd, onontkoombaar. We worden neergeworpen, doodelijk gewond; we zouden de Bijbel, het zwaard des Geestes willen wegslaan ......'t baat niet. Waar God werkt, daar werkt Hij onwederstandelijk. En waar Hij onweerstandelijk werkt, daar leert Hij door Zijn Geest in dezen weg de dierbaarheid van Zijn Woord. Dan ontmoeten we er God in. God in Christus Jezus. Dan kunnen we niet meer zonder dat Woord. Wat Prof. Van Leeuwen schrijft in „Openbaring en Cultuur", blz. 75 en 76, wordt dan ook onze ervaring :
„Buiten Gods getuigenis is de Kerk niet; bij Gods getuigenis leeft zij. Wat zij bezit aan kennis van Gods wil en van Zijn heil, heeft zij uit de H. Schrift, door middel van die Schrift. De God en Vader, dien de geloovige kent en aanroept, is de God en Vader onzes Heeren Jezus Christus.
Een God van nabij is God, omdat Hij door den H. Geest getuigt aan het hart van den geloovige, en verzekert van de waarheid van Zijn belofte, dat Hij in Christus den zondaar aanneemt. De vastheid hiervan komt tot hem alleen door en uit dat Woord, waarin hij Gods stem beluistert en erkent''. Maar hoe kan dit ? Luister naar wat Prof. Honig schrijft in zijn „Handboek van de Gereformeerde Dogmatiek", hoofdstuk II, Locus de sacra Scriptura, bldz. 129. De H. Schrift dient zich bij ons aan , men denke aan de bewijsplaatsen voor de Inspiratie, als het Woord van God, maar wij zijn van nature zóó verduisterd in ons verstand en zoo verdorven in onzen wil, dat wij weigeren dit zelfgetuigenisder H. Schrift, de goddelijkheid des Bijbels, aan te nemen. Tot het ware aannemen en toestemmen van de divinitas S. Scripturae zijn wij zelfs ook dan nog onbekwaam, als wij alleen maar met het historisch geloof en de algemeene verlichting des Heiligen Geestes begiftigd zijn. Voor de geloovige aanneming van het zelfgetuigenis der Schrift is noodig de wedergeboorte en de bekeering, de verlichting des verstands en de vernieuwing van onzen wil. Eerst als de Heilige Geest deze dingen in ons werkt, zijn wij in staat het zelfgetuigenis der H. Schrift op de rechte wijze te aanvaarden en alles (niet „bloot verstandelijk", maar met ons geheele hart) voor waarachtig te houden wat God ons in Zijn Woord heeft geopenbaard". Wij hebben noodig een God, die door Zijn Geest het Woord voor het hart en het hart voor het Woord ontsluit. Dan komt de ware ervaring en erkenning van het gezag des Woords. Dan komt eerst recht het „goede" Bijbelgebruik.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 11 juli 1940
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 11 juli 1940
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's