MEDITATIE
GENOEG
Mijne genade is u genoeg. 2 Cor. 12 : 9.
„Genoeg" dat is een woord, waarvan de inhoud in deze dagen in groote tegenspraak schijnt te zijn met de werkelijkheid waarin we leven. Want:
„Niet genoeg" zegt de zakenman, als hij den staat van inkomsten en uitgaven overziet. Er wordt niet genoeg verdiend, ik kan er zoo niet komen.
„Niet genoeg" zegt de zonde-dienaar, die er enkel op uit is te voldoen aan de lusten van zijn booze hart. Er kan in deze booze tijden niet genoeg genoten worden. Het leven is te benauwd.
„Niet genoeg" zegt de bezorgde huismoeder van een groot gezin, als zij de distributiebonnen voor de noodzakelijkste levensmiddelen in ontvangst neemt.
En nu wordt in dit tekstwoord toch gesproken van genoeg. Wonderlijk, genoeg en dan nog wel genade.
Laat ons dan even nagaan onder welke omstandigheden en tot wien dit woord door den Heere gesproken werd.
Het was een woord tot den apostel Paulus. Neen hij had ook niet genoeg. Hoe, zegt ge, had Paulus niet genoeg ? Hij, die zoo krachtdadig door God bekeerd was ? Een uitverkoren vat om van 's Heeren wege de blijmare des Evangelies uit te dragen onder de heidenen ? Hij die was opgetrokken in den derden hemel, in het Paradijs, waar hij gehoord had onuitsprekelijke woorden, die het een mensch niet geoorloofd is te spreken ? Hij, deze zoo buitengewoon bevoorrechte mensch, niet genoeg? Neen hij had niet genoeg. Want hem werd gegeven een doorn in het vleesch, een engel des Satans die hem met vuisten sloeg. Welke die doorn was, we weten het niet, de apostel weidt er niet verder over uit. Maar wiat het ook geweest moge zijn, die doorn was scherp, buitengewoon scherp. Het was als een vuist des Satans die op hem neerkwam. Dat kunnen wij hieruit al opmerken, dat hij den Heere tot driemaal toe bad, om die doorn toch weg te nemen. Dat bidt de man, die toch in zijn leven wel ondervonden had, wat slagen waren. Hij die elders zegt dat hij van de Joden veertig slagen min een vijf maal had ontvangen. Drie maal met roeden gegeeseld. Eens gesteenigd. Ja hij wist wat slagen waren. En toch bidt hij tot drie malen toe dat deze slagen mochten ophouden, deze vuistslagen van Satan. Ze moeten dus wel hevig zijn geweest.
Maar de Heere nam die scherpe doorn niet weg. Doch Hij zeide tot Paulus : „Mijne genade is u genoeg." En door dit woord deed de Heere Paulus dien doorn anders gevoelen dan voorheen. De Heere had genadekracht aan Zijn Woord gepaard doen gaan en nu werd het bij Paulus roemen in plaats van klagen en er kwam sieraad voor asch, vreugde-olie voor treurigheid en een gewaad des lofs voor een benauwden geest. Immers hij moet uitroepen : „Zoo zal ik dan veel liever roemen in mijn zwakheden, opdat de kracht van Christus in mij wone." „Opdat hij niets zich zelve, maar alles den Heere zou toeschrijven.
Genade genoeg. Genade, wat is dat nu ?
Genade, lezer, daarin ligt alles opgesloten, alles wat we noodig hebben op onze reis naar de eeuwigheid. En omdat er alles in besloten ligt is het ook genoeg.
Genade, wat is dat! Het is misschien weer te geven in deze woorden : genade is de liefde Gods zich openbarend aan - een schuldig, onwaardig mensch. Het is de liefde Gods. Dus niet enkel een koude vrijspraak en verder niets, zooals in het gewone leven een schuldige genade, gratie verleend wordt. Want zoo iemand komt daardoor alleen uit de gevangenis, en zijn misdaad blijft hem zijn leven lang aankleven. Neen in de genade des Heeren ligt oneindig meer. Daarin spreekt de Heere tot een doodschuldige : „Ik delg uw overtredingen uit om Mijns Naams wil." En daarom is het genoeg.
Genade, daarin ligt alles. Daarin ligt de zalige, vrijspraak voor een die zijn ontzaglijke schuld voor God gevoelt. Daarin ligt bescherming tegenover vijanden. Voeding en lafenis als de ziel hongert en dorst. Vertroosting als het hart van droefheid dreigt te bezwijken. Daarin ligt het leven als innerlijk en rondom de dood gezien wordt. Daarin ligt de hemel voor dengene voor wien de hel reeds haar kaken opensperde.
Genade dat is het voor rekening liggen van den Heere. Genade dat is het Zich volkomen wegschenken van den Heere. Zou dat dan niet genoeg zijn ?Het is een genade die haar hoogtepunt bereikte in de gave des Zoons. In de overgave van dien Zoon zelve. Waardoor Deze de verdienende oorzaak is geworden dat aan een dood- en doemschuldig mensch nog genade kan bewezen worden.
Genade genoeg. Genoeg om te leven. Genoeg om te sterven. Genoeg om eenmaal voor God te verschijnen. O is het wonder dat David na zijn groote zonde bidt: „Wees mij genadig o God" ? Is het wonder dat die tollenaar in de gelijkenis bidt: „O God, wees imij zondaar genadig"? Meer niet. Enkel genade.
Genade genoeg. En toch zoo velen wien het niet genoeg is. Van nature is het ons nooit genoeg. Neen dan willen we geen genade. Want genade dat is ons toch zulk een tegen de borst stuitend woord. Genade dat is toch zoo vernederend. Een strijder die zich op gena, de of ongenade moet overgeven. Een arme die genade-brood moet eten. Een ter dood veroordeelde die zijn rechter om genade moet smeeken. Och wat een vernedering. Neen dat verwerpen we, zoolang we nog rijk en verrijkt zijn en geens dings gebrek hebben. Ja we verwerpen het, zoolang we nog maar het minste en geringste hebben om ons aan vast te houden en het ingebeelde leven te rekken. Maar een schuldige, een doodsschuldige, een ter dood veroordeelde. Een die dat doodvonnis moet toevallen, o wat zucht zoo een naar genade. Enkel genade. Als hij die maar van Gods wege mag ontvangen, ja dan heeft hij genoeg. Neen dan heeft hij geen schatten van eigen verdienste meer noodig, die toch maar inbeelding zijn. Dan heeft hij geen gerechtigheid uit zich zelf meer noodig, die bij den Heere toch maar als een wegwerpelijk kleed is. Genade enkel genade. Dat zal genoeg zijn. Daarnaar is het hunkeren der ziel.
En zalig als die genade van 's Heeren wege, op 's Heeren tijd aan de zuchtende ziel bewezen wordt in en om het dierbaar verzoeningswerk van Jezus Christus Die de prijs daartoe volkomen betaalde. Zalig door het geloof te mogen zinken op dat volbrachte werk van Christus en het te mogen uitroepen : „Mij den grootste der zondaren is genade geschied.'' Gods genade genoeg. Genoeg voor leven en sterven beide.
Is die genade u ook genoeg, lezer ? Kent ge in uw leven ook doornen, misschien wel scherpe doornen in het vleesch? Ja die hebt ge zeker. Want het uitnemendste van dit leven is moeite en verdriet. Wat zou dit leven anders opleveren dan doornen en distelen ? Er zijn er vele en velerlei. Ziekten en kwalen, rampen en tegenheden, zorg en verdriet, benauwdheid der tijden, te veel om op te noemen. Dat dan al die doornen niet alleen uw vleesch mogen wonden (want de droefheid der wereld werkt den dood) maar dat ze uw ziel mogen wonden. En gij daarin uw schuld vindend, u zelf aanklagend voor het aangezicht des Heeren. Al die doornen uw schuld, uw zonde. En de Heere door Zijnen Geest zoo plaats maakte voor genade. En als die genade in uw ontledigde hart werd uitgestort, ja, dan moet ge het toch in geloof, zij het ook bij oogenblikken, belijden : het is genoeg. Het kon met minder niet toe. Maar het is genoeg. Want die genade in Christus leidt tot den Vader en dat is het zaligst lot.
„Nabij te wezen bij mijn God. 'k Vertrouw op Hem, geheel en al den Heer', Wiens werk ik roemen zal".
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 11 juli 1940
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 11 juli 1940
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's