De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

UIT DE HISTORIE

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

UIT DE HISTORIE

Luthers verklaring van Paulus' Brief aau de Galaten.

6 minuten leestijd

De uitzinnigheid der Galaten, vers 1—5. (IV) dat gij der waarheid, niet zoudt gehoorzaam zijn, vervolg vrs. 1.

Hoofdstuk III.

Aanvankelijk waren de Galaten der waarheid gehoorzaam geweest, en hadden zij geluisterd.

Daarom zegt Paulus : wie heeft u betooverd ? Want hiermede toont hij aan, dat zij, betooverd door de valsche apostelen, van de waarheid zijn afgevallen, welke zij te voren hadden gehoorzaamd, doch thans den rug hadden toegekeerd.

Dit klinkt oneindig veel harder, dan wanneer hij gezegd had : gijlieden gelooft de waarheid niet. Want in deze bewoordingen geeft hij te verstaan, dat de Galaten betooverd zijn, en dat hij die betoovering van hen wil wegnemen, welke weldaad van den apostel zij niet erkennen, noch aanvaarden willen. Er is namelijk geen twijfel aan, of Paulus heeft de Galaten uit de dwaling tot de waarheid teruggeroepen, doch velen zijn bij hun betoovering gebleven.

Wanneer dus Paulus van de heftige woorden : „wie heeft ulieden betooverd ? " gebruik maakt, dan is het, als wil hij zeggen : ge zijt uitzinnig geworden, en de betoovering heeft u dusdanig bevangen, dat gij der waarheid niet meer gehoorzaam zijn kunt ; ik vrees dan ook, dat het met velen onder u gedaan is, omdat zij nimmer meer tot de waarheid zullen wederkeeren.

Hier verneemt ge weer een andere uitspraak omtrent de gerechtigheid, die uit de Wet is, en die, welke de mensch zelf bewerkstelligt. Deze soorten van gerechtigheid betooveren den mensch namelijk zóó, dat hij der waarheid niet meer gehoorzaam kan zijn.

De apostelen en kerkvaders hebben hiervan meermalen gewag gemaakt. In 1 Johannes 5 vers 16 lezen we : „Er is een zonde tot den dood ; voor die zonde zeg ik niet, dat iemand bidden zal". En in Hebreen 6 vers 4—6 : „Want het is onmogelijk, degenen, die eens verlicht zijn geweest, en de hemelsche gaven gesmaakt hebben, en des Heiligen Geestes deelachtig geworden zijn, en gesmaakt hebben het goede woord Gods, en de krachten der toekomende eeuw, en afvallig worden ; die, zeg ik, wederom te vernieuwen tot bekeering, enz."

De apostelen zijn genoodzaakt geweest, om zoo te spreken, vanwege degenen, die afvallig geworden waren, waarmede zij echter geenszins hebben willen beweren, dat iemand, die gevallen is, niet weer door belijdenis van schuld in de gemeenschap der geloovigen kan worden opgenomen.

......denwelken Jezus Christus te voren voor de oogen geschilderd is geweest.

Het was hard, toen Paulus zeide, dat de Galaten zóó betooverd waren, dat zij der waarheid niet meer gehoorzaamden ; doch 't is nog harder, dat hij hieraan toevoegt, dat Jezus Christus hun zoodanig voor oogen geschilderd is, dat zij Hem met handen hadden kunnen pakken, en desniettegenstaande der waarheid niet zijn gehoorzaam geweest.

Zoo overtuigt Paulus de Galaten als het ware aan de hand van hun eigen handelwijze. Het is, als wil hij zeggen : ge zijt door de dwaalbegrippen der valsche apostelen zóó betooverd, in vervoering geraakt en bevangen, dat gij der waarheid niet meer gehoorzaam zijn kunt. En het schijnt u van geenerlei nut te zijn, dat ik u nauwkeurig en met inspanning van al mijn krachten Christus Jezus beschreven en voorgesteld heb. Ge zijt ten minste zoodanig betooverd, dat Christus thans onder u gekruisigd wordt.

Paulus wijst hier terug naar hetgeen hij reeds eerder gezegd heeft, namelijk, dat Christus een dienaar der zonde is voor hen, die gerechtvaardigd willen worden door de Wet. Zulke lieden verwerpen de genade Gods, en doen alsof Christus tevergeefs gestorven is. Tegen dergelijke opvattingen had Paulus, toen hij onder de Galaten vertoefde, heftig gestreden, en hij had ze grondig weerlegd. Hij had dat gedaan, alsof een schilder hun Christus Jezus, den Gekruisigde, voor oogen geschilderd had.

Het is als wil hij zeggen : geen schilder is in staat, u Christus zoo kleurrijk te schilderen, als ik u door mijn prediking gedaan heb. En tóch volhardt gijlieden in uw betoovering !

......Christus Jezus, die onder u gekruisigd is, slot vers 1.

Wat heb ik u geschilderd ?

Antwoord : Christus zelf.

Op welke wijze heb ik dat gedaan ?

Antwoord : Alsof Hij onder u gekruisigd is.

Had de apostel boven reeds opgemerkt, dat zij, die uit de Wet gerechtigheid zoeken te verkrijgen, de genade Gods verwerpen, enz. — hier voegt hij er nog aan toe, dat zulke lieden zelfs Christus kruisigen.

Zoo spreekt hij ook ongeveer in Hebreen 6 vers 6, als hij zegt : zij kruisigen den Zoon van God wederom, en zij maken Hem openlijk te schande.

Men moet dan ook wel schrikken, als men hoort spreken over monniken, kale kruinen, kappen, kloosterregels, enz. Wanneer men leest, dat Paulus zegt, dat zij, die door de Wet trachten gerechtvaardigd te worden, niet alleen leugenaars en moordenaars zijn, doch ook Christus kruisigen, —wat zullen zij dan wel niet zijn, die door de onreinheid der menschelijke gerechtigheid en door de leeringen van den duivel de zaligheid en het eeuwige leven zoeken te verkrijgen ! Wie geloofde of begreep indertijd, dat het een vreeselijke en gruwelijke zonde was, geestelijke te worden, te weten : priester, monnik, non, enz. ?

Toch niemand ?

Wat kon er voor vreeselijkers gezegd worden, dan dat het rijk der papisten een rijk is van hen, die Christus, den Zoon van God, bespuwen en opnieuw kruisigen ? En men bespuwt Christus inderdaad, en men kruisigt Hem opnieuw, wanneer men Hem alleen niet voor den Rechtvaardiger houdt.

Onder het pausdom is deze goddelooze en verderfelijke leer ontstaan : wilt ge God dienen ; wilt ge vergeving van zonden en het eeuwige leven verkrijgen ; wilt ge anderen helpen, om de zaligheid te verkrijgen, — ga dan in een klooster ; beloof dan plechtig gehoorzaamheid ; beloof kuisch te leven, en armoede te willen lijden, enz.

Dit alles is een gruwelijke verblinding des duivels geweest, waardoor hij destijds bijna alle menschen van hun gezond verstand heeft beroofd. Wij konden niet inzien, dat Christus een Middelaar en Heiland is ; doch wij hielden Hem voor een streng rechter, die door onze eigen werken moest worden verzoend.

Zoo lasterden wij Christus ; zoo verwierpen wij de genade Gods ; zoo meenden wij ook, dat Christus tevergeefs gestorven was, en zoo werd Hij door ons niet alleen gedood, maar ook zeer smadelijk gekruisigd.

Paulus gebruikt hier opzettelijk scherpe en bittere woorden, om den Galaten een afschrik te doen krijgen van de leer der valsche apostelen, en om hen weer tot betere inzichten te brengen.

In vurigen ijver ontvlamd, vervolgt en veroordeelt de apostel in heftige bewoordingen het vertrouwen, dat men stelt op eigen ge­rechtigheid.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 18 juli 1940

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

UIT DE HISTORIE

Bekijk de hele uitgave van donderdag 18 juli 1940

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's