De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

DE DAG DES HEEREN

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

DE DAG DES HEEREN

8 minuten leestijd

Met Christus zijn.

V.

Met Christus zijn.

De gestorvene heiligen zijn met Christus, die ook de Middelaar is van haar gemeenschap. Daaromtrent kan geen twijfel zijn, want wat zij zijn en wat zij hebben, hebben zij en zijn zij door Hem en in Hem. Ons leven is met Christus verborgen bij God. In Christus zijn wij meer dan overwinnaars. Niets kan ons scheiden van de liefde van Christus. Uit Hem en door Hem en tot Hem zijn alle dingen. Als wij voorts de gedachte hebben uitgesproken, dat ook de heiligen des Ouden Verbonds met Christus zijn, was dat op grond van die plaatsen, welke slechts één schare uit alle volken en tongen en natiën teekenen, een schare, die niemand tellen kan.

Verder hebben wij dit in verband gebracht met de vervulling der belofte in de vleeschwording des Woords, waardoor de nieuwigheid des levens van de menschheid in Christus is gewrocht, welke bij Zijn opstanding is ingegaan en door Zijn verheerlijking is gevolgd. Gewezen werd op het lichaam des Heeren en wel in tweeërlei zin : 1e. als het lichaam, dat Hij heeft aangenomen, maar dan ook als het lichaam, hetwelk de gansche gemeente omvat, waarvan Christus 't Hoofd is.

Hoe staat het nu met den aard dier hemelsche gemeenschap ? Ook deze vraag is wel eens gesteld. De aardsche gemeenschap, zoo zegt men dan, is geestelijk van aard. Zij wordt door den Heiligen Geest gewekt en onderhouden.

Verwacht Paulus, die dit zeer wel weet en leeft uit de mystieke gemeenschap met Christus, zooals hij getuigt : Ik leef, doch niet meer ik, maar Christus leeft in mij — denk ook aan zijn veelvuldig wederkeerende spreekwijze : in Christus — verwacht Paulus nu nog een andersoortige gemeenschap, als hij zegt : ontbonden en met Christus te zijn, ware verreweg het beste ?

Het accent valt allereerst op het ontbonden zijn. Immers ook elders roept hij uit : wie zal mij verlossen van het lichaam dezes doods. De verlossing des lichaams ziet hij dus klaar als een voorname schrede in de vervulling van het werk der verlossing. Hij roemt dit als pen vrijmaking van wat hem aan de zonde gebonden houdt : n.l. het lichaam der zonde.

Wanneer de, ziel van de aardsche banden is bevrijd, kan, zij ongestoord gemeenschap oefenen met den Christus. Het nieuwe leven, dat zijn beginsel uit de wedergeboorte heeft genomen, wordt niet meer tegengestaan door den zondigen drang des vleesches, maar volgt zijn bestemming in Christus.

Hoe zal dat nu zijn ?

Eén zaak is duidelijk. Zoolang de apostel op aarde was, stond niet alleen de gebondenheid aan het lichaam hem in den weg, maar was daar ook een gescheidenheid van bestaan, aangezien hij op aarde in Christus in den hemel is. Met Christus zijn, heft dezen afstand op. Hij zal bij den Heere in den hemel zijn.

Dit zegt echter nog niets omtrent den aard der gemeenschap. En men heeft er op gewezen, dat die gemeenschap met Christus, daar het lichaam hier blijft, een psychisch karakter draagt, als een gemeenschap van ziel tot ziel.

Dat kan men zoo zeggen, omdat Christus niet alleen een menschelijk lichaam, maar ook een menschelijke ziel heeft aangenomen. Toch brengt dit geen nadere opheldering. Immers de wedergeboren ziel leeft geestelijk. De wedergeboorte is een werk van den Heiligen Geest. Haar leven is uit Christus. Voorts wordt door Paulus het onderscheid tusschen den aardschen en den hemelschen mensch aangewezen als een geestelijk. De aardsche mensch is psychisch of natuurlijk, de hemelsche mensch is geestelijk.

Met de wedergeboorte is dat nieuwe leven aangevangen en dit is krachtens zijn aard en oorsprong geestelijk. Wil men dan de gemeenschap met Christus na den dood — het bij Christus zijn - als eene van ziel tot ziel verstaan, dan blijft die toch geestelijk van aard. De dood is een overgang tot het eeuwige leven.

Die gemeenschap zal echter ongebroken zijn. Voorts kent de Heilige Schrift aan de ziel ook een zekere zelfstandigheid toe, zoodat zij van het lichaam gescheiden zijnde, er is en een bestaan heeft. De gemeenschap met Christus draagt dus een persoonlijk karakter, zoowel dn dit aardsche als in het hemelsche bestaan.

Hoe dit alles zijn zal, is een verborgen zaak, doch alzoo, dat Gods kind verlangend kan uitzien naar den dag om Hem te zien in Zijn heerlijkheid, naar Wiens toekomst zijn ziel uitgaat.

Een tusschenstaat.

Reeds de vorige maal werd er op gewezen, dat men van een tusschenstaat kan spreken, omdat na den dood nog niet de volle heerlijkheid is ingegaan, die eerst bij de voleinding der dingen zal worden vervuld.

Op zich zelf genomen is dat zoo en dat wordt ook niet betwist.

De menschen gaan echter verder en vragen b.v. of er in dien tusschenstaat nog verandering kan plaats grijpen, zoodat iemand, die onbekeerd is gestorven, nog tot bekeering en eeuwig leven kan komen. Dergelijke vragen komen op uit gevoeligheden, die weer door de omstandigheden worden bevorderd. In het Christendom der eerste eeuwen is die vraag reeds gesteld. Er waren betrekkelijk zeer weinig Christenen en men kan begrijpen, dat zij, die uit de heidenen waren gewonnen, waaronder zij leefden, met wie zij verbonden waren door velerlei banden ook van bloedverwantschap, geneigd waren om zulk een onderstelling aan te nemen.

Daarbij kwam nog, dat de oudste Christenen veel sterker stonden in de verwachting van Christus' wederkomst en van de opstanding des vleesches. In dit opzicht stonden zij a, h. w. in de tusschenruimte, verwachtende den Dag des Heeren.

Toen de kerk onder de volkeren een voorname plaats had ingenomen en deze grootendeels in haar schoot zag opgenomen, ging men ervaren, dat vele gedoopten verre van het leven der religie verwijderd bleven. De dienst ging allengs op in veruitwendiging of vormendienst.

Op die wijze kwam men in conflict met de leer van de alleen zaligmakende kerk. Van tweeën een : of allen, die van de kerk waren, zouden ook gezaligd worden, óf de kerk was een gemengde vergadering van Christenen en niet-Christenen, zoo men wil gedoopte heidenen. Het geestelijk karakter werd ingeboet. De kerk verviel allengs in een toestand van verwereldlijking.

Men hield vast aan de zaligmakende kerk en greep den tusschenstaat aan om aan de tegenstrijdigheid te ontkomen. De tusschenstaat werd beschouwd als een louteringsproces, vandaar vagevuur, het vuur der loutering. De geheele kerk maakt dat proces door. Die gedoopt zijn, komen daarin. De een zou daarin meer te lijden hebben dan de ander, al naar de mate zijner goddeloosheid of vroomheid op aarde.

Deze voorstelling, die door eeuwen heen allengs haar beslag kreeg, kon niet nalaten den aard en het wezen van heel het kerkelijk leven te veranderen. Het vagevuur werd in dezen weg het voornaamste stuk van den dienst. Daar lag het zwaartepunt, daarop werd de zielszorg gericht. Niet de zaligheid stond op het spel, want wie gedoopt was, mocht daarop hopen. Maar het verblijf in het louteringsvuur was het gevreesde, ondanks de zekerheid van de uitkomst. Bij de zielen in het vagevuur werd men bepaald. Kon dat lijden worden verlicht, dan ware dat een weldaad voor de zielen, die het ondergaan. Vandaar de practijk der zielemissen, en die, waarbij men voor geld aflaat kon verkrijgen.

Het behoeft geen betoog, dat de leer der rechtvaardigmaking bij zulk een verval geheel en al in vergetelheid dreigde te geraken. Hoe ben ik rechtvaardig voor God ? Dat is de groote vraag der reformatie. Zij kwam terug tot het werk van den Heiligen Geest en het leven der genade. Dit is ongetwijfeld het voornaamste stuk der hervorming. Alleen door een waarachtig geloof. Men zal daaruit verstaan, waarom de belijdenisschriften niet moede worden, altijd weer over het geloof te handelen en zoo nauwkeurig acht geven op het stuk der bekeering of rechtvaardigmaking. De zaligheid uit genade, naar de eeuwige verkiezing Gods. Niet uit de werken, want het is Gods werk. Daaruit volgt vanzelf, dat men ook den strijd had te voeren tegen den geest, waaruit de z.g. goede werken opkwamen. Ten slotte kan men ook verstaan, waarom de Hervormers over den tusschenstaat niet veel hebben gehandeld, al zou daaromtrent wel een en ander kunnen worden medegedeeld.

Van een louteringsvuur of purgatorium wilden zij zeer terecht niets weten. Zij riepen het volk terug tot de gezonde leer der Schrift — en niet te vergeefs. De Heere wrocht mede door Zijn Geest. De nieuwe leer vond in breede lagen ingang en deed met de ware levensernst ook de levenskracht verrijzen. Want als het zaak des geloofs is, moet er geloof zijn. en als er geloof is, is er een strijd des geloofs tegen de ongerechtigheid en een worsteling om den prijs der roeping Gods in Christus Jezus.

Geen uitstel van de hoogste levensvragen tot na den dood, want het is den mensch gezet te sterven en daarna het oordeel.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 18 juli 1940

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

DE DAG DES HEEREN

Bekijk de hele uitgave van donderdag 18 juli 1940

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's