Uit de Pers.
In het Noord-Hollandsch Kerkblad (weekblad voor de Geref. Kerken in Noord-Holland) van. eind Juni '40 staat een artikel, onderteekend met G. over Onderwerpelijk-Voorwerpelijk.
De schrijver deelt mede, dat hij in den laatsten tijd herhaaldelijk brieven heeft ontvangen, waarin geklaagd werd over te voorwerpelijke prediking. Dit zijn dus klachten, dat in de Bediening des Woords wel de inhoud der Schrift ontvouwd wordt, maar te weinig wordt vermaand en opgeroepen tot bekeering, te weinig de weg wordt aangewezen om tot het voorgestelde heil te geraken, te weinig troost wordt geboden. Opgemerkt wordt, dat deze klacht allerminst nieuw is. Ze klinkt heel de geschiedenis door. In bepaalde tijden in het bizonder. Schrijver herinnert zich dat Dr A. Kuyper op één van zijn preekcolleges eens de opmerking maakte, „dat hij wel had opgewekt om in een tijd, toen de Gereformeerde leer slechts bij weinigen bekend was, die leer ook op den preekstoel te ontwikkelen, maar dat het nooit zijn bedoeling was geweest, dat slechts een objectieve behandeling der leer zou worden gegeven, dat het integendeel ten allen tijde noodzakelijk bleef, het persoonlijke, het stichtelijke element in de prediking een groote plaats te geven". Aangezien G. niet schrijft in een blad, dat raadgevingen aan predikanten bedoelt te geven, nog minder om aanmerkingen te maken op hun wijze van doen, maar er geschreven wordt voor de leden der gemeente, wordt de genoemde zaak bezien uit het oogpunt : hoe moet mem preeken beoordeelen. Het antwoord hierop gegeven luidt als volgt : de prediking moet hetzelfde karakter dragen, dat de Schrift draagt, daarvan moet zij, ook wat haar toon betreft, ook wat aangaat voorwerpelijk of onderwerpelijk, worden getoetst. Gewezen wordt op het voorwerpelijke en onderwerpelijke in de Schrift. De prediking moet dus steeds getoetst worden aan de Schrift. Dit geldt het punt der rechtzinnigheid, maar dit geldt óók het evenwicht tusschen het voorwerpelijke en het onderwerpelijke.
De prediking wil dus en moet dus beoordeeld worden naar de Schrift. Dit is ook volkomen juist. De prediking is aan de Schrift gebonden. En ook de prediker staat onder dezelfde binding. In deze „gebondenheid" moet de Kerk, wil zij hare roeping Gode welbehagelijk vervullen, „vrij" zijn. Dat heeft gegolden voor het verleden, dat geldt voor het heden en niet minder voor de toekomst. Hierop wijst L. Nieuwpoort in een artikel in „Woord en Geest". Handelende over de Kerk en de wereld-van-morgen, wijst hij er op, dat de Kerk Kerk is voorzoover zij vrij, publiekelijk spreekt. De Kerk wil haar woord spreken in de orde of wanorde des levens. De Kerk kan niet „monddood" zijn. Zij spreekt niet alleen binnen de muren van het kerkgebouw, maar het gaat ook om het recht en de mogelijkheid haar woord te laten hooren buiten het kerkgebouw. Dit wil echter niet zeggen, dat de Kerk zou wenschen dat ieder woord, dat iemand zou willen spreken, vrijgelaten zal worden. De Kerk wenscht dat haar woord vrij zal zijn in den zin, waarin zij zelf het begrip „vrij" verstaat. Anders kan het vrije woord het misbruikte woord worden. Het kan in dienst gesteld worden van bedrog en onrecht, van leugen en menschelijke willekeur. Het woord is ons door den Heere niet gegeven om er naar willekeur gebruik van te maken, maar om er zulk een gebruik van te maken dat Gods Waarheid, Gerechtigheid en Lof den volken verkondigd wordt. In de Kerk is het woord alleen waarlijk vrij, omdat het daar gebonden is aan het Woord. Bij de prediking is dit „de vrijheid", waarin we moeten staan). Dit is niet minder dan de wil des Heeren over ons.
Niemand onzer zal ontkennen, dat wij hier eene belangrijke zaak voor ons hebben. Eene zaak, welke onze gemeenten zeker niet onverschillig is. Evenmin eene zaak, waarvan we ons met een paar groote woorden mogen afmaken. De apostel Paulus schrijft aan Timotheüs : „predik het Woord ; houd aan, tijdiglijk, ontijdiglijk ; wederleg, bestraf, vermaan in alle lankmoedigheid en leer". (2 Tim. 4:2).
We zouden dus kunnen zeggen : 't is vrij eenvoudig. Het Woord moet gepredikt worden. Maar, we zullen toch wel merken dat het lang niet zoo eenvoudig is. Over 't algemeen zegt een ieder nog wel het Woord te prediken of naar het Woord de prediking te beoordeelen. Niettegenstaande dit feit, valt de prediking vaak heel verschillend uit en is er groot onderscheid in de waardeering van dezelfde prediking. Prof. Van Leeuwen wijst hierop in zijne brochure „Voorwerpelijke en onderwerpelij ke Prediking", een referaat, gehouden op de 13de jaarvergadering van den Geref. Bond, 1918. Uitgave : Adm. „De Waarheidsvriend", 1936.
Hij wijst er op dat „zoolang er eene Gereformeerde belijdenis is, het Woord des Heeren uitgangspunt en middelpunt en inhoud zal zijn der prediking. Want (can. Dordr. III, IV, 17) „God heeft het Evangelie verordend tot een zaad der wedergeboorte en een spijze der zielen". Hierbij komt toch de vraag naar voren, „hoe in en door de prediking het Woord des" Heeren wordt verkondigd en toegepast, de vraag ook, waarmee de eerste in nauw verbanid staat, naar de begeerten, de behoeften, den wensch, den smaak van velen, die de Gereformeerde beginselen liefhebben". Hierna merkt Prof. v. L. op, dat zij allen „de waarheid" wenschen te hooren. En dan wijst hij op een verschijnsel, dat zich inderdaad voordoet. „Wat de één — binnen den kring der Gereformeerden blijf ik — geniet als stevige, gezonde kost, zal een ander verachten, zeggende : dat men hem steenen voor brood voorzet. En wat dezen laatste de ziel doet wegsmelten, daarvan zal de eerste mogelijk zeggen, dat het laffe spijze is, die zijn ziel niet vermag te versterken". Er wordt op gewezen, dat bij de prediking zeer zeker persoonlijke aanleg, levens- en zielservaring, karakter en geestelijke ligging een woordje meespreken. Maar dan wordt ook gewezen op het feit, dat een heele reeks van oorzaken medegewerkt heeft om het voorwerpelijke en onderwerpelijke uiteen te werpen. Het leven der Kerk als Kerk is gaan kwijnen en verdorren en is aan doodelijke krankheid ten prooi. Het cultuurleven wordt hoe langs hoe meer ontkerstend. Het gezag van Gods Woord wordt uit het publieke leven steeds verder teruggedrongen. Bij deze stand van zaken kan het niet anders of ook de vraag naar de verzekerdheid des geloofs, d.i. naar den genadestaat, naar het bevindelijk kennen der waarbeid van Gods beloften, komt scheef te staan. Vervolgens wordt gewezen op een tweede punt, ni.l. op het geschilpunt of in het geloof de kennis of het vertrouwen, het verstand of de wil den voorrang heeft. Zoodra beide elementen van het geloof niet onderscheiden, maar gescheiden worden, loopt het scheef. Het onvermijdelijk gevolg hiervan wordt dan dat we een soort weten en toestemmen van de waarheid Gods krijgen, die de verhouding tot God niet raakt en het leven niet omzet. Het geloof wordt dan eene verstandelijke overweging en niet een hartezaak. Of we krijgen dit onvermijdelijke gevolg, dat de behoefte wordt gevoeld om bij dit soort „geloof" de geloofszekerheid op een andere wijze nog er bij te krijgen.
We moeten het geloof hebben, zooals dit ons wordt voorgesteld in den Heidelb. Catechismus. Want dit geloof is, zooals Prof. v. L. opmerkt, de norm der waarachtige kennis Gods, de norm der ware Godsvrucht. In het geloof ontmoeten het voorwerpelijke en het onderwerpelijke elkaar. Want het geloof grijpt de belofte Gods aan en leert daarin rusten ; niet ééns, maar altijd weer. Daarin vindt de ziel van Gods kind haar evenwicht. In het geloof heeft zij het meest zekere en vaste dat er is : de belofte van Gods onveranderlijke trouw en genade, in Christus betoond ; en in het geloof ligt het meest persoonlijke, onderwerpelijke, dat ge u denken kunt, het zich verlaten van een schuldige, zichzelf ontdekte en ontdekkende ziel op de beloften van Gods ongehouden goedheid en gewisse ontferming. Dat reformatorisch standpunt moest in de prediking meer tot zijn recht komen en onder het Gereformeerde volk foeter worden verstaan". We zullen wèl doen, deze woorden goed te overwegen. En de beteekenis van het geloof, als een werk des Heiligen Geestes, voor het voorwerpelijke-onderwerpelijke te zien naar het Woord Gods. Want ook hier geldt : gebondenheid aan het Woord. Er moet gepredikt worden, zooals de H. Schrift zelf gepredikt wil worden. Zoo gesteld, is het voorwerpelijk-onderwerpelijk geen vraag. Want de Heilige Schrift zelf is voorwerpelijk-onderwerpelijk. Ds Kievit merkt in zijn boekje ,,Voorwerpelijke-onderwerpelijke prediking" terecht op : Dat Woord Gods nu is objectief in volstrekten zin, omdat het onfeilbaar is meegedeeld door God den Heiligen Geest. Het is voorwerp, het is vóór ons gelegd en het is absoluut waarheid, daarom geheeten het Woord der waarheid.
Maar het voorwerpelijke Woord is toch tegelijk onderwerpelijk in dezen zin, dat de waarheid niet kan worden gescheiden van het leven der Kerk, dat in die Schrift klopt. Daarom is iedere prediking, die niet voorwerpelijk-onderwerpelijk is, ook aanranden van de Schrift en den God der Schriften, (blz. 19, . 20). Zoo verstaan, komen derhalve de belangrijke vragen in de prediking aan de orde. En in de Schriftuurlijke beantwoording zal een ieder het deel kunnen ontvangen dat hij noodig heeft. Van Godswege mag dan het Woord der waarheid uitgaan. En deze prediking wil ook door de gemeente beoordeeld worden naar de Schrift en niet naar allerlei persoonlijke meeningen en inzichten. Wanneer dat verstaan werd, wat zou dan het „zitten" in de kerk en het, luisteren naar de prediking anders zijn, dan het nu zoo menigmaal is. Er wordt nu vaak over gedacht en geoordeeld als over een godsdienstig „toespraakje" of over een opstel op de Jongelingsvereeniging. Dat is de goede prediking nimmer. De Catechismus leert ons dat wel anders. We hebben maar op te slaan Zondag 31. De verkondiging van het Evangelie is één van de sleutelen des hemelrijks. Die sleutel wordt gehanteerd in de prediking. „Alzoo, als achtervolgende het bevel van Christus, allen en een iegelijk geloovige verkondigd en openlijk betuigd wordt, dat hun (zoo dikwijls zij de belofte des Evangelies met waar geloof aannemen) waarachtig al hunne zonden van God, om de verdiensten van Christus wille, vergeven zijn ; daarentegen allen ongeloovigen, en die zich niet vam harte bekeeren, verkondigd en betuigd wordt, dat de toorn Gods en de eeuwige verdoemenis op hen ligt, zoolang zij zich niet bekeeren ; naar welk getuigenis des Evangelies God, beide in dit en in het toekomende leven, oordeelen zal". Hier ligt de geweldige ernst voor prediker en luisteraar beide. In de prediking is vrijspraak en oordeel. In de prediking is ook de verkondiging van de noodzakelijkheid der bekeering om het oordeel te ontvlieden en tot genade te komen. Daarom moet de goede prediking de vragen wel stellen en beantwoorden : Wat is een oprecht geloof ? Wie werkt dit ? Door wat middel ? Op welke wijze ? Hoe werkt dat geloof ? Waaraan is het oprechte geloof te kennen ? enz. Dan komen we ook hierdoor midden in datgene wat noodig is om welgetroost te leven en eenmaal zalig te sterven. Dan krijgen we geen dorre beschouwingen ; geen gedachtenspinsel ; geen afgetrokken redeneeringen. Maar dan moet het worden, zooals het formulier tot bevestiging van de dienaren des Woords het uitdrukt : dat zij des Heeren Woord, door de Schriften der Profeten en Apostelen geopenbaard, grondig en oprechtelijk aan hun volk zullen voordragen en toeeigenen, zoo in het algemeen als in het bijzonder, tot nuttigheid der toehoorders, met onderwijzen, vermanen, vertroosten en bestraffen, naar eens iegelijks behoefte, verkondigende de bekeering tot God, en de verzoening met Hem door het geloof in Jezus Christus en wederleggende met de Heilige Schrift alle dwalingen en ketterijen, die tegen deze zuivere leer strijden. Door zulk eene prediking ontvangt Gods gemeente spijze en wordt Christus' Kerk gebouwd. Deze prediking is waarlijk vrij, wijl ze aan het Woord gebonden is.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 18 juli 1940
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 18 juli 1940
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's