De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

UIT DE HISTORIE

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

UIT DE HISTORIE

Luthers verklaring van Paulus’ Brief aan de Galaten.

7 minuten leestijd

De uitzinnigheid der Galaten, vers 1—5. (V)

Hoofdstuk III.

Dit alleen wil ik u leeren : hebt gij den Geest ontvangen uit de werken der Wet, of uit de prediking des geloofs ? Vers 2.

Deze woorden komen uit een verontwaardigd gemoed.  Paulus zegt namelijk : wanneer ik u niets anders te brengen had, dan zou ik mij toch op z'n minst op uw eigen ervaring kunnen beroepen.

Het is als redeneert de apostel aldus : komaan, antwoordt mij nu eens, alsof ik uw leerling ben (want ge zijt intusschen zóó geleerd geworden, dat ge als leermeesters tegen mij optreedt) ; komaan, zegt mij nu eens, of Gij den Geest ontvangen hebt uit de werken der Wet of uit de prediking des Evangelies. Op deze wijze overtuigt Paulus de Galaten zoodanig, dat zij tegen zijn betoog niets inbrengen kunnen ; want de klare ervaring hield in, dat zij den Geest niet uit de werken der Wet, doch uit de prediking van het Evangelie ontvangen hadden. Een andere verklaring zou met de werkelijkheid in strijd geweest zijn.

Ik herinner er hier nog eens aan, dat Paulus niet alleen spreekt over de ceremonieele wet, maar over de wet in haar geheel. Alles, wat geen betrekking heeft op den Heiligen Geest en de prediking des geloofs, valt onder de wet.

En met opzicht tot de rechtvaardigmaking, over welk onderwerp het hier gaat, kunnen wij zeggen : zij is uit het Evangelie, of uit de wet. Daarom wordt het woord „wet" hier genomen in den breedsten zin ; het heeft namelijk betrekking op alles, wat van het Evangelie onderscheiden is, en wat daarmede niet in verband staat.

Het onderscheid tusschen Wet en Evangelie wordt dan als volgt door den apostel betoogd en duidelijk gemaakt : zegt mij nu eens, of gij den Heiligen Geest uit de wet of uit de prediking van het Evangelie ontvangen hebt. Antwoord mij nu eens hierop. Ge kunt moeilijk zeggen, dat ge Hem ontving door de wet, want zoolang ge onder de wet waart, en deedt hetgeen der wet is, — zoolang hebt gij den Heiligen Geest niet ontvangen. Weliswaar hebt gij elken Sabbath de wet van Mozes hooren lezen, maar nooit hebt ge het zien gebeuren, dat door dit onderwijs iemand de Heilige Geest is geschonken. Ge hebt echter niet alleen de wet vernomen, doch ge hebt ook met grooten ijver en inspanning haar werken betracht. Wanneer dus de Heilige Geest gegeven werd door de betrachting der wet, dan iiadt gijlieden Hem toch wel moeten ontvangen hebben, daar gij niet alleen leeraren en leerlingen der wet geweest zijt, maar ook daders der wet.

Zoodra echter de prediking van het Evangelie tot u kwam — aldus gaat Paulus voort, — hebt gij terstond, nog vóórdat er van eenig werk of van vruchten des Evangelies onder u kon sprake zijn; den Heiligen Geest ontvangen : alleen door de prediking des geloofs. Want gelijk Lucas in de Handelingen betuigt, viel de Heilige Geest, terwijl Petrus en Paulus nog predikten, op allen, die het woord hoorden, enz.

Het is dus duidelijk, dat gij alleen door de prediking des geloofs den Heiligen Geest kunt ontvangen : dus nog vóórdat er eenig goed werk door u is tot stand gebracht, en nog vóórdat gij eenige vrucht des Evangelies hebt voortgebracht.

Daarentegen heeft de Wet u nimmer den Heiligen Geest geschonken : zelfs niet, wanneer gij haar betrachtte, — laat staan, wanneer ge haar alleen maar aanhoorde. Derhalve is het hooren der Wet, alsmede haar ijverige betrachting van geen nut en ijdel. Wie door de Wet wil zalig worden, en zich dag en nacht aftobt met betrekking tot de gerechtigheid, die uit de Wet is, arbeidt vergeefs, en mat zich vruchteloos af. In Romeinen 10 vers 3 zegt Paulus : „Want alzoo zij de rechtvaardigheid niet kennen, en hunne eigene gerechtigheid zoeken op te richten, zoo zijn zij der gerechtigheid Gods niet onderworpen".

En evenzoo zegt hij in Romeinen 9 vers 31 : ! Maar Israël, die de wet der rechtvaardigheid zocht, is tot de wet der rechtvaardigheid niet gekomen.

Paulps spreekt hier over de wijze, waarop de Heilige Geest zich in de eerste christelijke kerk manifesteerde. Hij daalde toen namelijk zichtbaar op de geloovigen neder, waardoor Hij te kennen gaf, in de prediking der apostelen tegenwoordig te zijn, tevens betuigende, dat zij, die het woord des geloofs van de apostelen vernamen, bij God voor rechtvaardig gehouden werden ; was dit niet het geval geweest, dan zou Hij niet op hen nedergedaald zijn.

De hoofdinhoud van het boek der Handelingen.

Men moet op het onderwerp, dat Paulus hier behandelt, wel zeer nauwlettend achtgeven. In heel het boek van de Handelingen der apostelen treedt het sterk op den voorgrond ; het is dan ook geschreven ter bevestiging van de kwestie, die hier aan de orde is. In de Handelingen gaat het over niets anders, dan dat de Heilige Geest geschonken wordt door de prediking van het Evangelie ; niet door de Wet.

Toen Petrus predikte (Handelingen 2) viel de Heilige Geest terstond op allen, die zijn woord hoorden en aannamen ; en op één dag werden er drieduizend lieden, die Petrus' prediking gehoord hadden, geloovig ; en zij ontvingen den Heiligen Geest.

Zoo ontving ook Cornelius den Heiligen Geest : niet door het geven van aalmoezen ; doch toen Petrus nog sprak, viel de Heilige Geest op allen, die het woord hoorden ; hfdst. 10 vers 44. Dit zijn wel zeer krachtige openbaringen van de wijze, waarop God werkt, en zij liegen niet.

Om kort te gaan. : in heel het boek van de Handelingen der apostelen gaat het er uitsluitend over, dat zoowel Joden als heidenen, rechtvaardigen als zondaars, alleen door het geloof in Christus Jezus gerechtvaardigd worden : zónder de Wet of haar werken.

Dat dit zoo is, bewijst de prediking der apostelen, van Petrus en Paulus, van Stephanus, Filippus en anderen, terwijl zulks ook bewezen wordt door de voorbeelden van heidenen en Joden.

Want gelijk God aan de heidenen, die zonder de Wet leefden, den Heiligen Geest gegeven heeft door middel van het Evangelie, — zoo heeft Hij Hem ook den Joden niet geschonken door de Wet, hun eeredienst en offeranden, doch evenzeer alleen door de prediking des geloofs.

Wanneer de Wet had kunnen rechtvaardigen, en wanneer haar gerechtigheid voor de zaligheid noodzakelijk geweest was, dan zou de Heilige Geest den heidenen zeker niet zijn geschonken, want de Wet hebben zij niet in acht genomen.

De Wet rechtvaardigt dan ook niet, doch alleen het geloof in Christus, hetwelk het Evangelie predikt.

Deze dingen moet men wel degelijk in aanmerking nemen met het oog op onze tegenstanders, die niet willen zien, waarom het in de Handelingeni eigenlijk gaat.

Vroeger heb ik bedoeld boek ook dikwijls gelezen, maar ik begreep er toen niets van. Leest ge dus in de Handelingen of elders in de Heilige Schrift het woord „heiden", dan moet ge weten, dat dit niet bloot uitwendig bedoeld wordt, doch dat het een theologische strekking heeft, en betrekking heeft op menschen, die niet leven onder de wet, gelijk de Joden, doch zonder de wet.

Wordt er dus gezegd, dat de heidenen gerechtvaardigd worden, dan beteekent dat niets anders, dan dat menschen, die de Wet en haar werken niet betrachten, niettemin gerechtvaardigd worden, en den Heiligen Geest ontvangen.

Waardoor ?

Niet door de Wet en haar werken, want zij hebben de Wet niet eens, doch om niet, uitsluitend en alleen door de prediking van het Evangelie. In de Handelingen kan men zien, hoezeer de Joden zich over dezen ninnmer vernomen gang van zaken verwonderd hebben. In hoofdstuk 11 vers 18 lezen we : „Zoo heeft dan God ook den heidenen de bekeering gegeven ten leven !" Het feit, dat God ook den heidenen de zaligheid geschonken had, was aanvankelijk zelfs voor de geloovige Joden niet alleen onverdragelijk, maar ook een reden tot groote ergernis, waarover zij niet gemakkelijk konden heen­ komen, wijl zij boven alle heidenen het voorrecht hadden, Gods volk te zijn. Deze dingen maakten het apostelconvent te Jeruzalem in hooge mate noodzakelijk, opdat de gemoederen der Joden tot rust zouden gebracht worden.

En hoewel de Joden in Christus geloofden, bleven zij toch hardnekkig vasthouden aan de opvatting, dat men de wet van Mozes houden moest, waartegen Petrus is opgetreden.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 25 juli 1940

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

UIT DE HISTORIE

Bekijk de hele uitgave van donderdag 25 juli 1940

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's