De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Uit de Pers.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Uit de Pers.

10 minuten leestijd

Bij het spreken over het zooveel mogelijk staken van polemiek, voegt zich noodwendig het wijzen op de noodzakelijkheid van het één-zijn. Niet alleen om het één-zijn zelve, maar ook om dit een-zijn naar buiten te openbaren. Het zien van zooveel verdeeldheid en verbrokkeling onder degenen die den Christen-naam dragen moet, zoo wordt dan opgemerkt, een zonderlinge en een weinig tot jaloerschheid verwekkende indruk makem bij de onkerkeiijken, bij de wereld. Vandaar wordt vanzelf ook de aandacht gevestigd op de vele kerkformaties die — om maar bij ons land te blijven — onder ons aangetroffen worden. In „Oude Paden" van Vrijdag 5 Juli '40 wijdt Ds J. J. Knap hieraan een stukje, daarbij niet alleen wijzende op kerkelijke, maar ook op staatkundige en maatschappelijke gedeeldheid. Opgemerkt wordt hoe noodlottig het is, dat het ons volk in normale tijden vaak aan eenheidsdrang ontbreekt. Herinnerd wordt aan wat iemand in dit verband gezegd heeft, dat de verbrokkelingszucht te wijten is aan ons wonen in een polderland, iedere polder heeft zijn eigen belangen. Zoo zouden wij dan onze polder-natuur gekregen hebben. Een natuur, waardoor wij graag apart wonen in onze hokjes, knus met gelijkgezinden. Tevens wordt er echter terecht op gewezen dat een van boven-af gedecreteerde eenvormigheid naar alle kanten geen ideëele oplossing van het bezwaar is. „Er bestaat immers óók eene gewettigde verscheidenheid, die voortvloeit uit een verschil van fundamenteele beginselen of inzichten, die soms vlak tegen elkaar ingaan en daarom niet met elkaar te verzoenen zijn. Deze natuurlijke verscheidenheid blijve gehandhaafd, zoolang voor ons volk het recht van vrije meenings-uiting behouden blijft. Er komt in te voorschijn wat er leeft in breede kringen des volks, en dit is van groote beteekenis". De onnoodige versnippering echter moet weg, anders wordt de nationale kracht gebroken. Wanneer de fundamenteele beginselen niet in het gedrang komen, moet overal waar zulks maar eenigszins mogelijk is, samenwerking worden gezocht.

In het Hervormd Weekblad „De Gereformeerde Kerk" van Donderdag 4 Juli '40 wordt in verband met Noord-Amerika ook gewezen op de jammerlijke verdeeldheid van Christus' Kerk. In dat land bestaan namelijk niet minder dan 213 kerkgenootschappen of groepeeringen. Hier zijn dan ook reeds meerdere pogingen aangewend om op kerkelijk gebied tot eenheid te komen. In 1939 zijn drie vertakkingen van het Amerikaansch Methodisme vereenigd tot één Kerk, die thans 7.500.000 leden telt. Tusschen andere kerken zijn onderhandelingen gaande over een te sluiten concordaat. Er is een krachtig streven tot samenwerking met in de toekomst samensmelting. Dit „eenheidsstreven" is ook in de Luthersche Kerk aan te wijzen. De schrijver erkent echter dat in dit bedoeld eenheidsstreven ernstige gevaren schuilen, waar het nml. samengaat met onverschilligheid ten opzichte van de leer.

Ware dit niet zoo, kwamen er geen fundamenteele stukken in het gedrang, ging het alles naar den Woorde Gods, wat zou dit „eenheidsstreven" voor andere landen en ook voor óns land, op alle terrein, maar niet het minst op kerkelijk terrein, zijn toe te juichen. Ik geloof niet, dat wij de 213 kerkgenootschappen en godsdienstige groepjes halen, maar nochtans is ten onzent de versnippering en verbrokkeling groot en werkt ze verderfelijk. Ja, ze gaat voort in de meest bewogen tijden. Ze gaat voort van de eene Kerk op de andere, totdat de een of ander het noodig oordeelt, natuurlijk terwille van de waarheid, er weer een kerkje bij te zetten. Konden we lezen in de harten, héél wat onwaarachtig gedoe zoude gezien worden, zooals het nu af en toe wel eens duidelijk blijkt. Dit nu kan niet scherp genoeg worden veroordeeld. „De waarheid" is vaak terug te brengen tot persoonlijke gevoeligheden, onderlinge twist en oneenigheid, tot de vraag wie de meeste is. Wanneer wij het onlangs verschenen werk van Dr Van der Does lezen : Separatisten en kruisgezinden, dan krijgen we nu niet direct een verheffende indruk van het ontstaan en blijven voortbestaan van verschillende kerkjes en groepjes. Dat wil niet zeggen, dat er nimmer eene vereeniging is tot stand gekomen. Denk maar aan 1892. Bovendien is er ook altijd nog de poging om te geraken tot vereeniging tusschen de Geref. Kerken en de Chr. Geref. Kerk. Het rapport dat van laatstgenoemde Kerk verscheen, geeft echter niet veel hoop op eenige kans van slagen. Wanneer we dit alles nu tot een zekere poldernatuur zouden willen rekenen en als bloemen (of wilt ge liever : brandnetels) willen beschouwen, die uit deze poldergronden opschieten, dan laten we het peillood toch niet erg diep zinken. Deze bedroevende toestanden hangen toch ten nauwste samen met het geheele kerkelijke vraagstuk in ons land. We komen terecht bij de Ned. Herv. Kerk, zooals deze thans verkeert onder het juk, dat haar in 1816 wederrechtelijk is opgelegd. We bedoelen daarmee geenszins te zeggen, dat toen het verval der Kerk is begonnen. Dit zou eene grove onjuistheid zijn. Maar wèl kan onder dit juk welig blijven tieren wat verkeerd was en kunnen allerlei gifplanten opschieten zonder gevaar te loopen uitgerukt te worden. Daarom staat het niet zoo, dat wij in dit tijdsgewricht maar niet over het kerkelijk „vraagstuk", over de Ned. Herv. Kerk moeten spreken. Meer dan ooit komt nu de noodzakelijkheid op ons af dat in deze Kerk het Woord en de belijdenis, welke er nog is, de hun toekomende plaats krijgen. Als we dat zeggen, dan gaat het niet om het vragen van een gunst — maar dan gaat het om het recht. Dezer dagen las ik nog eens het geschriftje van Prof. Dr H. Visscher : De Gereformeerde theologie. Hierin wordt de aandacht gewijd aan de 17e eeuw. Prof. Visscher wijst er op, dat de Gereformeerde Kerk in haar belijdenis de Heilige Schrift als norm en kenbron heeft aangewezen van al wat den dienst Gods aangaat. (Art. 5 der Confessie). Tegenover Scholten in zijn Leer der Herv. Kerk, (al. I, bladz. 74 v.v.) houdt Prof. V. staande, dat de Kerk en de theologie beide in de XVIIde eeuw daarom de Heilige Schrift als norm hebben erkend, omdat zij haar als openbaring Gods beleden. De voortgaande werking des Heiligen Geestes werd daarmede niet geloochend, maar deze was gebonden aan de Schrift, werkte door de Schrift en was nooit onafhankelijk van haar. Bij die Schrift kwam geen nieuwe openbaring. De enkele geloovige was aan die Schrift gebonden, omdat hij niet op zichzelf staat, maar als lid der gemeente uit eenzelfde levensbeginsel met de gemeente aller eeuwen leeft. Daarom heeft de grondslag der Gereformeerde theologie niets gemeen met het wilde individualisme, dat de latere moderne theologie kenmerkt. Voor de Gereformeerde theologie stond het Schriftgezag vast. Dit gezag werd aan de Schrift niet toegebracht door de Kerk. De Kerk kan alleen een getuigenis geven voor de autoriteit der Schrift, maar de autoriteit wordt bevestigd door God. Hij doet dat door Zijn Geest in de gewetens van alle godvruchtigen door een bovennatuurlijk en hemelsch licht. Dit heeft de Kerk dan ook beleden door den Heiligen Geest. Wordt de Schrift als zoodanig prijsgegeven, dan wordt de maatstaf verloren tot critiek tegenover het gezag der Roomsche Kerk en ook het wapen om zich te keeren tegenover de Anarchie der geestdrijverij in al haar vormen. (De Gereformeerde theologie, bidz. 12, 13).

In hare belijdenisschriften drukt de Kerk uit dat zij ook dit voor waarachtig houdt. Daarom kan er in een Kerk geene „belijdenisvrijheid" zijn. Dat wil zeggen, dat de Kerk dan practisch zonder confessie is. Dat kan niet bestaan. Prof. V. merkt in zijn bovengenoemd geschriftje daarover op : „Het Gereformeerd Protestantisme wortelt in de erkenning van de rechten der consciëntie, maar heeft daarom volstrekt niet het sociaal karakter der religie ontkend. Het stond nooit naar anarchie, ook niet op kerkelijk gebied. Het kon daarnaar niet staan zonder miskenning van het wezen der religie zelve. Het zocht altijd de synthese van vrijheid en gezag. Een Christelijke Kerk kan niet zonder confessie, want juist daarin brengt zij haar sociaal religieus bewustzijn tot openbaring" (bldz. 27). 't Is daarom een belang van de eerste orde, dat de confessie in onze Kerk de plaats verkrijge die haar toekomt. Alle eenheidsstreven. dat hiermede geen rekening houdt, zal de ware eenheid niet brengen en zal allen, die in de belijdenis hunne belijdenis hebben, tegenover zich vinden. Daarom is er ook verzet geweest in de voorbijgegane jaren tegen alle pogingen die meer openlijk of bedektelijk ons de belijdenis zouden afhandig maken. In deze belijdenis kwam de eenheid tot uitdrukking, welke er in de oude tijden was. Terecht wijst Dr Grosheide hierop in een artikel in het Geref. Theol. Tijdschrift, April 1940, een artikel dat de lezing weergeeft, gehouden op de vergadering van de Vereen, van Gereform, Predikanten, 27 Maart 1940. Hij wijst er op, dat door meer dan één bestreden wordt dat de belijdenis der Kerk formulier van eenigheid is. Onze Gereformeerde vaderen dachten, er anders over. Op de Synode te Embden l671 werd de belijdenis onderteekend om daarmede te kennen te geven dat er eenstemmigheid was op het stuk van de leer. De eenparigheid moest dus niet door de onderteekening bewerkt worden, neen, er werd door uitgesproken dat ze bestond. Daar hebben wij wel op te letten, 't Gaat in de Kerk over de eenigheid in het belijden, welke er moet wezen, In een oudere verhandeling over de belijdenisgeschriften wordt er op gewezen, dat de „spreekmanier" Formulieren van eenigheid, niet in de oude schriften voorkomt, hoewel de zaak zelve, die er door wordt beteekend, duidelijk genoeg is uitgedrukt. In de handelingen van de Embdensche Synode wordt gesproken over „Eendragtigheid in de Leer te bewijzen". Temidden van allerlei oneenigheden in de leer is de naam „Formulieren van eenigheid" „allengskens" begonnen in gebruik te komen. Dit blijkt b.v. uit Handelingen van Provinciale Synoden. Remonstranten en Contra-Remonstranten gebruiken deze uitdrukking. In de Post-acta van de Nationale Synode 1618—'19 wordt dan ook gesproken over Formulieren van Eenigheid. De zaak welke bedoeld wordt is hiermede zeer duidelijk weergegeven. In deze formulieren vinden wij de belijdenis, waarin de gansche Kerk één is. Hierin komt haar leven tot uitdrukking en klopt haar hart. Met „belijdenisdwang" heeft dit niets te maken. Wiens leven niet zoo is, wiens hart „anders" klopt, behoort niet tot die gemeenschap, die in de genoemde belijdenis haar belijdenis heeft. Van die zijde komen dan ook steeds alle aanvallen op de belijdenis. En die aanvallen op de belijdenis zijn er, omdat niet wordt erkend het gezag der Schrift zooals dit in de 17e eeuw werd erkend. De critiek op de Schrift gaat gepaard met de critiek op de belijdenis. Vandaar is ernstige roeping ons hiertegen te blijven verzetten. De Gereformeerde belijdenis heeft recht, heeft alleen recht op het erf der Vaderen. Wat wij noodig hebben is eene waarlijk Gereformeerde, Nationale Kerk. Een Kerk, waarin erkenning is van het gezag der Schrift en éénheid in het Gereformeerd belijden.

Als dit verwerkelijkt werd, zou een nieuwe dageraad kunnen aanbreken. Daarom mag er onder ons geen lauwheid zijn, geen verslapping. De begeerte moet er zijn, waarlijk naar de belijdenis te kunnen leven. Laten allen, wier hart in de belijdenis klopt, daarin zich als één weten en openbaren.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 25 juli 1940

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

Uit de Pers.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 25 juli 1940

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's