Uit de kerkelijke Pers.
Oud en nieuw. Dat zijn zoo in de buurt van de oudejaarsavond heel bekende en veel gebruikte woorden. Vele malen zonder veel nadenken uitgesproken. Terwijl ze toch bij nadere overweging een buitengewoon ernstige prediking bevatten voor ieder onzer. Ze komen het ons zeggen, dat het heden verleden wordt en de toekomst heden. Ze wijzen er ons op, dat wij hoe langer hoe meer opschuiven naar de voorste gelederen, naar de frontlijn, waar het eerst ervaren wordt, dat het leven een damp is en de dood ieder oogenblik wenkt.
De opmerking kan intusschen gemaakt worden, wat deze woorden feitelijk te beteekenen hebben, wijl we toch nu niet in de buurt van oudejaarsavond zijn. De opmerker mag gelijk hebben, voorzoover 31 Dec. en 1 Jan. nog enkele maanden in het verschiet liggen en het wel wat wonderlijk zou aandoen om nu reeds over de jaarswisseling te gaan spreken.
Wanneer dit gebeurt in vacante gemeenten met het oog op te vragen „sprekers" voor oud en nieuw, is dit goed te verstaan, maar anders — ja, dan is er tegenwoordig wel andere stof om over te spreken.
Toch komen we nu tegelijk waar we zijn wilden. Want die „andere stof" plaatst ons juist midden in oud en nieuw. De pers legt daarvan onmiskenbaar getuigenis af.
In het Algemeen Weekblad van 12 Juli '40 schrijft Kr. Strijd een artikel over „Het oude — Het nieuwe — Het hoogste". In dit artikel wordt onze aandacht er op gevestigd, dat overal gesproken wordt van een nieuwe orde, een nieuwe gemeenschap, die in Europa en in ons land gesticht staat te worden. Het oude heeft daarbij voor velen blijkbaar voorgoed afgedaan. Door ieder wordt geconstateerd dat de oude periode, van vóór 10 Mei, voor goed is afgesloten. De deur, welke dicht ging, zal niet meer worden geopend. Bevreemding wordt echter uitgesproken over het feit, dat alleen maar gesproken wordt over „oud" en „nieuw". In het gebruik van deze woorden met het oog op de groote veranderingen, welke zich in Europa aan het voltrekken zijn, wordt een groot gevaar gezien. Dit wordt gezien als een bewijs van de ontstellende oppervlakkigheid onder alle lagen der bevolking, ook onder alle lagen der Kerk. 't Gaat er toch voor een Christen niet om of iets oud is of nieuw, maar de hoogste norm is toch of iets in strijd of in overeenstemming is met het Evangelie van Jezus Christus. Zoo moeten wij staan tegenover het nieuwe en ook tegenover het oude. Als Christenen zullen wij in de „oude" toestanden van vóór 10 Mei alles moeten afkeuren wat niet in overeenstemming was met het Evangelie. Maar óók moeten ondanks de poovere resultaten en tastbare misstanden, de geestelijke goederen gezien worden, die ons bezit konden zijn of worden en over welke toch iets viel van de schaduw van het Evangelie.
Ook nu is in onze houding als Christen niets veranderd. Want onze norm : het Evangelie, veranderde niet. Jezus Christus verandert niet. De tijden veranderen — maar wat de kern van ons wezen, de grond van ons geloof aangaat, veranderen wij niet met hen. Ook nu moet, evenals vroeger, beslissen het burgerschap van het Rijk Gods. Aan dit Rijk moeten wij trouw zijn en blijven. Alles, het oude en het nieuwe, valt onder de critiek van het Evangelie. De trouw aan dat Evangelie moet blijven, en die trouw kan alleen blijven, omdat Gods trouw blijft.
Toch zit er aan het geworpen worden van het oude in het nieuwe een geweldige strijd verbonden. Vooral, waar 't gaat in een tempo als thans. Een van de oorzaken van de strijd om het oude los te moeten laten en in het nieuwe te moeten leven, wordt aangewezen door J. Ch. K(romsigt) in het Hervormd Weekblad De Gereformeerde Kerk. In een artikel over „Sanctioneeren, niet vernieuwen ? " wijst hij o.m. op het volgende.
Om een bepaalde valsche practijk aan te duiden wordt het woord sanctioneeren (heilig verklaren) gebruikt. Hier schuilt een gevaar, wanneer de Kerk, het Christendom, een valsche positie gaat innemen in de wereld. Een gevaar, wanneer de Kerk een vaste positie krijgt en van „publieken rechte" wordt erkend, 't Moet bij dit alles toch blijven : in de wereld en niet van de wereld. Zoo licht wordt het bij de officieele Kerk en het officieele Christendom : van de wereld. En dan komt het valsche sanctioneeren. Terwille van den vrede wordt opgehouden met het protesteeren tegen allerlei verkeerde wereldsche toestanden, enz. Deze worden gesanctioneerd. Kerk en Christendom willen dan vooral het oude conserveeren tegen het nieuwe. Het oude wordt als zoodanig heilig verklaard en het nieuwe wordt verdacht als onheilig en goddeloos. Het nieuwe wordt verworpen, omdat het nieuw is. Het oude heilig verklaard, omdat het oud is. Nietigheden worden daarbij opgeblazen tot gewichtigheden. Gedacht wordt aan de strijd over 't kort en lang haar van predikanten, over het dragen van een pruik, enz. Veel ernstiger wordt het echter, wanneer deze handelwijze zich ook gaat betrekken op zeden en gebruiken. Wanneer alleen maar gevraagd wordt : zijn ze „geheiligd" door de gewoonte ? en niet gevraagd wordt : zijn ze geheiligd als in overeenstemming met Gods geopenbaarden wil ?
In de Roomsche Kerk werden vele oud-heidensche gebruiken gesanctioneerd. Vele maatschappelijke misbruiken werden evenzoo behandeld. Vroeger en thans. Voor deze ontzettende zonde van het „heilig verklaren" van wat „onheilig" is, moet het oog open gaan. Want hierdoor wordt Christus' Kerk gelasterd en kan met een schijn van recht de godsdienst „opium voor het volk" worden genoemd. We hebben in dezen tijd noodig de vernieuwende kracht van Hem, bij Wien het heilige oude is, het eeuwige, de aloude tijding, die altijd nieuw blijft. Hij kruisigt den ouden mensch en doet den nieuwen opstaan met Christus Jezus.
Wanneer wij het in dezen tijd hebben over de roeping en de taak der Kerk nu, dan hebben wij deze dingen zeker niet uit het oog te verliezen. In de geweldige tijden, welke wij beleven, is véél, wat voor kort nog was, geheel of gedeeltelijk verdwenen. En weer andere toestanden zijn aan het worden. Sommigen meenen al met groote stelligheid precies te kunnen aangeven hoe alles zal worden geordend. Weer anderen geven allerlei beschouwingen ten beste hoe het bij deze of die gang van zaken worden zal misschien. Nu heeft het ongetwijfeld zijn nut bij veranderingen, die zich aan het voltrekken zijn, goed te letten op de teekenen der tijden. Maar van grooter belang is toch steeds te vragen naar wat God in Zijn Woord zegt voor de inrichting van het leven hier op aarde en voor de „inrichting" der Kerk in deze wereld. Dit heeft in de bloeitijd van het Gereformeerd Protestantisme, ook hier te lande, den vaderen in hun denken en handelen beheerscht. En toen was het toch ook allesbehalve een rustige tijd zonder veranderingen. Maar boven alles golden bij hen de ordinantiën des Heeren. De roeping, welke daaruit voortvloeit, is duidelijk. In de samenleving, in de Staat, in de Kerk, in het gezin, moet steeds die orde worden gezocht en toegepast, waarin de beginselen, neergelegd in het Woord des Heeren, het best kunnen doorwerken. Wanneer er dan iets of veel moet worden losgelaten, wat reeds jarenlang als gewoonte gold en geëerd werd, dan moet dat om 's Heeren wil. En het oude, dat is naar het Woord des Heeren, moet worden vastgehouden, al zouden de voorstanders van het nieuwe zich nog zoo verzetten. Is er echter iets „nieuws", waardoor Gods wil meer gehoorzaamd zal kunnen worden, en het Woord Gods meer kan worden beleefd, op welk terrein ook, dan moet dit nieuwe worden aanvaard en bevorderd, ook al doet het soms in den beginne wat vreemd aan. Het is onnoodig er breed over uit te weiden, dat dit maar al te vaak is vergeten en tegengewerkt. Naar beide zijden is gezondigd en wordt gezondigd.
Het oude, dat met het Woord Gods in strijd is, wordt vastgehouden, omdat het geijkt is door de duur van den tijd, waarin het bestond en het leven van geslachten, die zich er aan hielden. Het nieuwe werd tegengestaan omdat er een afkeer was van alles wat als nieuw zich aandiende. Nu moeten wij ook hier weer niet aan de oppervlakte blijven staan. We moeten niet vergeten, dat wij in het oude vertrouwde ons een bepaalde levenszekerheid willen scheppen. We leunen er op. We vinden er ons in zekeren zin veilig bij. We schuilen er in. We gevoelen ons als 't ware omsloten en gedragen door de geslachten, die het óók bij dit oude hielden. En omdat er dan in voorbije geslachten vaak méér godsvrucht gezien werd als tegenwoordig, zien we al dat oude — goed en kwaad — in het licht van die godsvrucht. Nu komt het nieuwe. En dit nieuwe dreigt al het oude weg te vagen. Dat wil dus zeggen dat wij ons, als het oude voor ons is zooals wij het juist beschreven, bedreigd gevoelen in onze gemeende levenszekerheid. Onze schuilkelder wordt stuk gebombardeerd. We gevoelen ons opgejaagd en ongedekt blootgesteld aan het „mitrailleurvuur" van 't komende. Dan is het alsof alles wegvalt. De grond onder de voet wankelt. Het steunsel breekt. We komen „los" te staan. En te meer zal dit nog treffen, wanneer de geest, welke tijdens de opkomst van het nieuwe heerscht, door ons wordt gewantrouwd, ja geschuwd. Alle tijden door is dit zoo. Dan besluipt ons de vrees, dat met de doorbraak van het nieuwe alle geestelijke waarden, welke ons lief zijn, zullen worden weggevaagd. Daarbij komt nog iets anders. Over oud en nieuw is ook zoo buitengewoon veel verschil in meening. Wanneer Prof. Aalders het heeft over den nood den den tijd, wijst hij daar óók op in verband met het verschillend oordeel van verschillende menschen over dezelfde dingen. Als voorbeeld haalt hij aan een brief van Erasmus, geschreven in 1517 aan zijn vriend Capita en de 95 stellingen van Luther, ook uit 1517. De brief is van den volgenden inhoud. „Een nieuwe tijd, bijna een gouden eeuw, is in aantocht. De strijd der vorsten en volken is geëindigd. Een vredespaus bestuurt de Christelijke Kerk. De hoop op een aardsch rijk van vrede, waar waarheid, zedelijkheid, godsdienst en wetenschap bloeien, schijnt niet meer een utopie. Reeds is er beweging in de literatuur, de geneeskunde, de wiskunde, de rechtswetenschap, ja zelfs de theologie. Overal zijn menschen aan het werk om het begeerde te verwerkelijken. „Bijna zou men weer voor een poos jong willen worden", verzucht Erasmus. In hetzelfde jaar 1517 stelt Luther zijne 95 stellingen op, waarin hij vóór alles op boete aandringt, op gezag van Jezus zelf, „die wil, dat het geheele leven Zijner geloovigen op aarde een gestadige en onophoudelijke boete zal zijn...... Men moet de Christenen vermanen, dat zij zich beijveren hun Hoofd Christus door kruis, dood en hel na te volgen en dus meer door smart in het Koninkrijk der hemelen in te gaan, dan dat zij door vertroosting zeker worden van den vrede". (Prof. Aalders. De Nood des tijds, bldz. 6). Zoo zullen er ook thans ongetwijfeld wel door twee menschen brieven geschreven kunnen worden, stellingen gepubliceerd, welke geweldig verschillen in het over dezen tijd uitgesproken oordeel. Ook in het oordeel over oud en nieuw. Dat geldt van wat we inderdaad „nietigheden" zouden kunnen noemen. Dat geldt van wat belangrijker is, omdat het zich betrekt op het geestelijk en zedelijk leven. Dat geldt ook voor de Kerk, hare belijdenis en regeering. Als wij aan dit laatste denken, dan weten wij dat er een zweren is bij de belijdenis, alleen omdat deze oud is, de belijdenis der vaderen is. Van een dergelijke levenshouding gaat geene kracht uit, welke tot daden opwekt, die zijn kunnen tot heil van land en volk. Het geheele leven is dan, op de uiterlijke vorm na, vervreemd van het leven, waarvan de belijdenis spreekt. Het hart is verre van den God der Vaderen. Er bestaat een geweldige afstand tusschen de belijdenis en het persoonlijke leven, ook al zijn de klanken der belijdenis bekend. De vertrouwde klank alleen moet dan een zekere veiligheid scheppen. Anderzijds Iaat men niet af de belijdenis als oud en verouderd voor te stellen. Men wil er nog wel een zekere eerhied aan bewijzen als aan een historisch stuk, maar verder kan het opgeborgen worden in het archief, waarin meer „waardevolle" papieren worden bewaard. Hier is ook het ontbreken van dat leven, waarvan de belijdenis getuigenis aflegt. Maar er is meer. Erkent de eerste met klem dat dit leven gekend moet worden om welgetroost te leven en zalig te sterven, de laatste erkent dat niet. De belijdenis is dan oud en verouderd. Men wil een geheel nieuw belijden. Dit wordt al bedenkelijk, wanneer het zoogezegd „bijzaken" zou hetreffen, maar nog fataler wordt het wanneer dit nieuw belijden een breuk beteekent met het belijden dat „oud" genoemd wordt. Want dit houdt in het verwerpen van Gods Waarheid, zooals de Kerk deze door de werking des Geestes heeft geleerd en beleden.
Maar daarmee is dan ook verbroken de band met die Kerk Gods, die hierin haar leven heeft gevonden. In dezen weg gaan we dan sanctioneeren, niet wat Gods Woord sanctioneert, maar wat wij zelf heilig vinden.
Onze roeping, ook in dit tijdsgewricht, kan dus duidelijk zijn. Onze sympathieën of antipathieën hebben niet te beslissen. We hebben ook als Kerk te protesteeren tegen alles, in die Kerk en daarbuiten, tegen het oude en het nieuwe, dat in strijd is met Schrift en belijdenis. We hebben het oude, dat overblijft en het nieuwe dat komt, in de Kerk en daarbuiten te toetsen aan de Schrift en de belijdenis. We zullen bij alles wat geschiedt niet „los" staan, als we ons houvast niet zochten in het een of het ander, maar als wij gefundeerd werden op 't fundament van apostelen en profeten. Als wij ingelijfd werden door een oprecht geloof in het vleeschgeworden Woord Christus Jezus. Hij is eeuwig Dezelfde. Zijn Getuigenis is eeuwig zeker. De belijdenis van Hem is oud en toch altijd nieuw. Die belijdenis behoeven we ons niet te schamen in tijden van oud en nieuw. Want de Kerk Gods mag het zeggen met Calvijn in zijn woord aan den zeer machtigen en doorluchtigen monarch, Franciscus, den allerchristelijksten Koning van Frankrijk, zijn Vorst (Institutie, vert. Sizoo) : „Welk een armzalige en verachte menschjes wij zijn, zijn wij ons zeer wel bewust, namelijk voor God ellendige zondaars, en voor de oogen der menschen de allerverachtste ; indien men wil, uitwerpselen en wegwerpselen der wereld, of zoo men nog iets verachtelij kers kan noemen ; zoodat er niets overblijft, waarop wij hij God mogen roemen, dan alleen Zijn barmhartigheid, door welke wij zonder eenige verdienste onzerzijds tot de hoop op de eeuwige gelukzaligheid zijn aangenoimen ; bij de menschen echter niet zoo veel, behalve onze zwakheid, welke ook maar in 't minst te belijden bij hen de hoogste schande is.
Maar onze leer moet hoog verheven staan boven allen roem der wereld en onoverwonnen boven alle macht ; want ze is niet van ons, maar van den levenden God en van Zijn Gezalfde, wien de Vader tot een Koning gesteld heeft, opdat Hij van zee tot zee zou heerschen en van de rivieren tot aan de einden der aarde. En wel zoo heerschen, dat Hij de gansche aarde, met haar ijzeren en metalen kracht, met haar gouden en zilveren glans, wanneer Hij haar alleen met de roede Zijns monds slaat, evenzoo verbrijzelt als aarden vaten : gelijk de profeten van de heerlijkheid Zijns Koninkrijks profeteeren." (Dan. 2 : 34 ; Jes. 11 : 4 ; Ps. 2 : 9). God doe de Kerk staan in „deze leer, die niet is van ons, maar van den levenden God en van Zijn Gezalfde".
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 augustus 1940
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 augustus 1940
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's