NIENKE
FEUILLETON
VERHAAL UIT 'T FRIESCHE VOLKSLEVEN
(Met toestemming Uitgever J. H. Kok te Kampen) 57)
Maar daarmede was bij vrouw Santema de zaak, waar 't om ging, niet afgeloopen. Daar was in haar hart een angel blijven zitten, waarvan de pijn lang gevoeld zou worden. Met de hand boven de oogen had zij haar jongen nagestaard, zoo lang zij kon, tot hij verdween bij het riet. Moest dat nu zoo ? En dat, waar juist hij het was, die nooit eenige aanleiding gaf tot onaangenaamheden. Die steeds trouw zijn arbeid deed ; bijna nooit van huis ging en als hij ging, nimmer deed vreezen voor iets, waarover de familie zich te schamen had !
Boer Santema merkte het dien zelfden middag wel, dat zijn vrouw uit het humeur was. Eerst verbitterde hem dit, bij de gedachte, dat er een samenzwering tegen hem beraamd werd, doch toen Tjerk tegen melktijd nog niet thuis kwam, hegon hij den toestand vervelend te vinden. Die jonge driftkop zou daarginder bij de rietpolle toch geen hand aan zich zelven slaan ? „Ga eens zien, waar Tjerk blijft en vraag hem of hij ook plan heeft thuis te komen", heeft hij tegen den arbeider gezegd, op een toon, waarin hij zijn heimelijke onrust zocht te verbergen, maar welke aan Jacob niet ontging. Daartoe had hij te land op „Donia-state" gediend. En Jacob is gegaan en terug gekomen met de boodschap, dat zij het vanavond thuis maar eens zonder hem moesten stellen. Doch enkele minuten later was Tjerk, als iemand, die spijt van zijn woorden had, gekomen, en had, zonder iets te zeggen, den melkemmer en het spantouw genomen om naast Swopk in den stal plaats te nemen, waar „de Muis" al naar hem uitkeek en zich willig de pooten liet binden en het volgend oogenblik de lauwe melk in volle speten werd uitgedrukt en in den emmer schuimde.
Maar de harmonie was verbroken. Swopk voelde het den ganschen dag wel, in de kamer en in de keuken en mu in den stal, bij al de huisgenooten. Zelfs Mini keek zoo somber, heel anders dan gewoon en bleef maar liggen in de tent tot het donker werd. Swopk was blij, dien avond vrijaf te hebben om in het dorp haar hart eens op te halen bij de kennissen, en dan in het laatst aan te landen bij baas Gurbe, waar haar zeker een kopje thee wachtte en Nienke haar dan altijd op stap bracht, toen zij nog gezond was. Nienke, voor wie Tjerk blijkbaar voelde.
„Wisten jullie van die verhouding af tusschen Tjerk en dat schoenmakersmeisje ? " vroeg Santema opeens.
Geen antwoord.
„Of is het misschien een opgemaakt plan tusschen moeder en zoon ? ", vervolgde hij, met iets van een opkomenden toorn in zijn grove stem.
„'t Is mijn gewoonte niet, om achter den rug van mijn man in 't geheim te werken", klonk het kalm.
„Waarom antwoord je mij dan niet ? " „Omdat onze jongen er te goed voor is om door zijn eigen vader als een schurk behandeld te worden en Nienke Huitema d'r bij".
„Was 't maar een Huitema ! Dus je neemt het voor die onbekookte liefdesideeën van dien heethoofd op, zonder daarbij te bedenken hoe de naam van onze familie daardoor in het slijk vertrapt wordt".
„'k Meen, dat die al lang op andere wijze wordt weggegooid".
Als op een gevoelige plek pijnlijk getroffen, keek boer Santema zijn vrouw aan en zweeg. „Je bedoelt door Gabe ? " vroeg hij na eenigen tijd.
„Door Gabe en Maaike, allebei, naar ik meen.
„Maar Maaike heeft toch een netten jongen man aan de hand. Loving is een heer, en heeft daarbij een goede betrekking. Ze kan met hem voor den dag komen, naar ik meen, en op „Burmania-state" of „Epema-state" of „Welgelegen" of „Altenburg" zouden ze wenschen, dat hij den hengel daar had uitgeworpen ! En dan moet je hooren welke trucs de oudste van Krips heeft uitgehaald om hem in haar net te vangen ! Loving heeft mij er zelf van verteld en lachte er om".
„Als het waar is. Bovendien, wat weet je van hem anders dan dat hij assistent is aan de fabriek ? Al zijn wonderverhalen, die gewoonlijk op zelfverheerlijking uitloopen, sta ik niet en ook zijn zij mij samen veel te veel op pad. Dat doen geen fatsoenlijke jonge menschen, tenminste niet bij nacht en ontij".
„Hij komt uit Holland, en daar gaat het heel anders dan hier".
„Wij zijn hier in Friesland. Bij den boerenstand zijn wij zulke flauwigheden heelemaal niet gewend en bovendien komt het ook niet te pas. Ze kennen elkaar ternauwernood, En dan heelemaal zonder godsdienst !" Bij dit laatste woord scheen vrouw Santema even zachter gestemd en zich min of meer te schamen.
„Dat is in Noord-Holland boven het IJ algemeen zoo. Als je dat van huis-uit niet gewend bent, is je de godsdienst vreemd. Maar daarom behoeft een mensch nog niet slecht te wezen, is 't wel ? Dominé Buitenveld heeft immers in die geruchtmakende preek een vorig jaar zélf gezegd, dat op den kerkweg zooveel menschen verongelukten". Iets van een fijne spotlach krulde zijn lip, toen hij dit sprak. Zelden of nooit gebeurde het, dat hij iets uit een preek aanhaalde en juist over deze, waar geheel Zevenhuizen vol van geweest was, had hij gezwegen. Thans kwam uit, dat hij haar niet vergeten had ; alleen de toepassing, die hij maakte, was vreemd en door den prediker allerminst zoo bedoeld.
(Wordt vervolgd.)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 augustus 1940
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 augustus 1940
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's