Uit de kerkelijke Pers.
In dezen aan geweldige gebeurtenissen zoo rijken tijd, wil menig artikel ons doen stil staan bij het verleden. Dat is te begrijpen. Wanneer wij de oordeelen Gods opmerken, dan is het noodzakelijk na te gaan, waarom deze slagen ons treffen. Het elkander voorstellen van de oorzaak kan dan onder den zegen des Heeren leiden tot de ware boetvaardigheid. Allerlei beschouwing over het verleden zonder meer, heeft weinig zin.
Nu worden ons door meerderen tal van vragen voorgelegd, welke onmiddellijk betrekking hebben op het persoonlijk geestelijk leven.
En we verstaan, dat er dan héél wat vragen zijn op te sommen.
Hoe stonden wij tegenover God ? Wat deden wij met Zijn Woord ? Met Zijn sacramenten ? Hoe verkeerden wij in Gods Huis ? Hoe gedroegen wij ons in voorspoed en tegenspoed ?
Met deze vragen in te keeren tot onszelf is beter dan bij anderen de schuld te zoeken. En toch wordt dit laatste door ons het liefst gedaan.
In het Hervormd Zondagsblad komt een stukje voor uit: „In gevaarlijke zone", geschreven door Mr H. Schokking. Hierin wordt de vraag besproken, die zoo heel dikwijls gesteld wordt: „Waartoe hebben 2000 jaar Christendom ons heden gebracht ? " Er wordt op gewezen, dat deze vraag aan anderen niet billijk is, wanneer men zelf niet meedoet of op een afstand wat toekijkt. Toch moeten wij de vraag ernstig nemen. Er kan verslagenheid van bedrogen hoop en verwachting in liggen opgesloten. We zullen moeten beginnen de hand in eigen boezem te steken. Als wij bij een in ons oog „mislukte zaak" staan, hebben wij niet het recht ongeduldig te worden. De Heere alleen hééft recht ongeduldig te zijn. En toch — Hij houdt nog vol. Hij laat ons nog kerk en Bijbel. Wanneer wij nu altijd met de vraag, waartoe 2000 jaar Christendom ons brachten, bij anderen aankomen, dan is dit het bewijs, dat wij het nog steeds niet zoeken bij onszelf. We schuiven de schuld af op anderen. We zijn dan ook voor God niet uitgepraat. Eerst als wij voor God uitgepraat zijn, zullen wij met Gods boodschap de wereld in kunnen gaan. Met de boodschap dat aan den dood de doodssteek is toegebracht.
Nauw verbonden met de vraag naar onze persoonlijke levenshouding is de vraag naar wat wij deden, naar onze arbeid in Gods Koninkrijk. M.a.w. hoe besteedden wij onzen tijd. Spanden wij onze krachten in voor des Heeren zaak. Ook hier kunnen geen regelen geschreven worden die druipen van roemtaal. Met volle waardeering voor veel goeds en ook veel ijver bij deze en gene, moet de klaagzang ook hier gehoord worden.
Prof. Hepp wijst hierop in Credo, in een der vervolgartikelen over de taak der Kerk nu. (VII). Besproken wordt de teruggang in arbeidsvreugde en arbeidslust. Dit doet te wonderlijker aan, omdat men een vooruitgang zou hebben verwacht. De werkdag werd immers verkort. Een vrije Zaterdagmiddag werd ingevoerd. Er kwam meer tijd voor het gezin en voor ontwikkeling. Nochtans minderde de arbeidsvreugde. Als oorzaken worden opgegeven : mechanisatie, industrialisatie, de loopende band........ De diepere oorzaak is echter een verkeerde geestesgesteldheid. De arbeid werd niet algemeen als een zegen gewaardeerd, maar gold meer als een noodzakelijk kwaad. Helaas óók onder de belijders van 's Heeren Naam. De wereldgelijkvormigheid was hierin groot.
Maar de kerk dan, heeft deze niet goed geprofiteerd van de vrije tijd ? Het antwoord moet luiden — neen! Het is niet gemakkelijker geworden om geschikte krachten te vinden, welke bereid waren een kerkelijk ambt te bekleeden. Daardoor moeten noodgedwongen veel te veel functies op de schouders van enkelen worden geladen. Men critiseert veel liever dan de schouders onder het werk te zetten. Met het evangelisatiewerk ging het al niet beter. Voortdurend moesten opwekkende artikelen geschreven worden om toch dat werk aan te pakken. Uitdrukkingen als : „De geheele gemeente mobiel" ; „Activeering der gemeenteleden'' moesten als opwekkende leuzen dienen. Het goede wordt niet over 't hoofd gezien, maar als ieder zijn plicht eens verstond. Bijna overal is echter een „smaldeel", dat weigert te dienen. Het is niet „onder stoom" te krijgen. Het „passagiert" aan den wal. Het oor wordt gestopt voor het bevel van Christus. Er wordt niet aan gedacht, dat Christus dit deel eenmaal zal aanspreken als luie dienstknechten.
Ook wij kunnen ons van dit alles allerminst met een groot gebaar afmaken. Wij hebben waarlijk niet op een eilandje geleefd, waar alle bewoners „topprestaties" hebben verricht. In geenen deele. We willen gaarne beginnen met dankbaar te gedenken de liefde en de ijver dergenen, die zich van harte gaven aan de zaak van Gods Koninkrijk. Maar verder — ach, wat een arbeid is er en wat weinig werd er verricht en kon er worden gedaan. In vele opzichten verkeeren wij nog in ongunstiger positie dan andere kerken. Veel meer zielen zijn in de grootere gemeenten aan de zorgen van één of van enkele predikanten toevertrouwd. Wat moet er dan van het huisbezoek — om dit maar eens te noemen — terecht komen, 't Is toch zeker geen overbodige weelde wanneer de huisgezinnen éénmaal per jaar door den kerkeraad worden bezocht, 't Ware wenschelijk, wanneer de gezinnen ieder jaar door den predikant konden worden opgezocht. Maar in de grootere gemeenten is dit absoluut onmogelijk. Als het dan nog maar geschiedde vanwege den kerkeraad! Als dan de ouderlingen ook maar trouw huisbezoek deden ! Mèt de predikanten ! Niet alleen in kleinere plaatsen, maar ook in grootere, ook en juist in steden ! Dit moet als vaststaand, laat ons zeggen als „vanzelfsprekend" gelden. Volgens Achelis, Praktische theologie, bldz. 323, werd in 1530 het huisbezoek van den predikant en een ouderling te Geneve met uitnemend gevolg ingevoerd. We hebben nog steeds ter harte te nemen het ernstige woord van Calvijn, opgeteekend bij de verklaring van Hand. 20 : 20 : „Want Christus beeft Zijne dienaren niet volgens deze wet aangesteld, dat zij alleen de gemeente in het algemeen moeten onderrichten vanaf het publieke spreekgestoelte, maar dat zij veel voor de afzonderlijke schapen zorg moeten dragen, om de dwalenden en dolenden tot de schaapskooi terug te brengen, de verbrokenen en verbrijzelden te vertroosten ...... Daarom is allerminst te verontschuldigen de nalatigheid van degenen die, nadat zij eene prediking gehouden hebben, voor den overigen tijd rustigjes luieren, omdat zij meenen hun plicht gedaan te hebben, alsof hunne stem in het Godshuis besloten bleef, zoodat zij, daaruit gegaan zijnde, geheel zwijgen". Ook Voetius in zijn Politica Ecclesiastica heeft hierop met nadruk gewezen. Speciaal werd het bezoek voor het Avondmaal verplicht gesteld. Merkwaardig is eene bepaling in de Hessische kerkorde van 1657, waarin werd voorgeschreven dat de predikant allen moest opzoeken, maar die huizen moest overslaan waar kranken wonen, die hem niet hadden geroepen. Niet minder geldt deze huisbezoektaak voor onze ouderlingen. In de Wezelsche artikelen vinden we daarover het volgende, ontleend aan „Beginselen van Kerkrecht" door M. van Grieken, bldz. 53. Hfdst. IV, art. 2 luidt aldus : „Ongetwijfeld bestaat hun (der ouderlingen) ambt hierin, dat zij een iegelijk over zijn eigen parochie (of wijk) naarstig toezicht houden en de hun toevertrouwde (gemeenteleden) van huis tot huis minstens éénmaal per week bezoeken en voorts zoo dikwijls het de gewoonte zal zijn, naar de regeling van elke Kerk; vooral bij de nadering van de Avondmaalsviering. Dan zullen zij naar de zuiverheid van hun levenswandel en zeden, naar hun getrouwe onderwijzing van hun huisgenooten, naar de gebeden, die zij in den morgen en avond voor hun huisgenooten doen en naar soortgelijke dingen nauwkeurig een onderzoek instellen; zij zullen hen zacht, maar toch ernstig vermanen en naar gelegenheid en bevind van zaken hen tot standvastigheid vermanen of ook tot lijdzaamheid sterken, of ook wel tot de ernstige vreeze Gods hen opwekken; een iegelijk, die hetzij troost, hetzij bestraffing van noode heeft, vertroosten of bestraffen, en, indien de nood het vereischt, zullen zij de zaak die behandeld moet worden, brengen bij hen, die met hen tot de broederlijke vermaning gesteld zijn, om zoo dan gemeenschappelijk de terechtwijzing, naar gelang van de overtreding, vast te stellen. Zij zullen ook niet vergeten allen en een iegelijk in hun wijk te vermanen, dat zij hun kinderen ter catechisatie zullen zenden".
Nu weten we allen wel dat bij het grooter worden der gemeenten de moeilijkheden zich vermenigvuldigen. Goed. Dat ontslaat ons niet van onze roeping om alle krachten in te spannen te doen wat onze hand vindt om te doen en wat alleen tot groote schade nagelaten kan worden. Welk nalaten wij voor God nimmer zullen kunnen verantwoorden. Wij hebben, ook om het af gedrevene te zoeken, alle middelen aan te grijpen, welke aan het doel, onder Gods zegen, dienstig kunnen zijn. En ik geloof dat niemand zal durven beweren dat wij in dit opzicht op volle kracht gewerkt hebben en werken. Daar is geen sprake van. We laten de zaak nog maar al te veel loopen in laksheid en lauwheid. Geen tijd zegt ge ? Ik weet het óók wel, dat er veel te doen is. Een ouderling, een predidkant, een wijkbroeder heeft ook maar één lichaam. Kan ook maar op één plaats tegelijk zijn. 't Gaat er dan ook waarlijk niet om met „fladderende jaspanden" de gemeente rusteloos door te vliegen. Wat zullen we daarmee tenslotte bereiken. We moeten rustig, d.w.z. volhardend, intens voortwerken in al den arbeid, die God ons op de handen heeft gezet. Onder oud en jong, gezond en ziek, getrouwen en ontrouwen, godvreezenden en onverschilligen.
Laten ook wij als voorgangers ons toch niet met alles en nog wat bemoeien, waarvoor wij in de eerste plaats niet de aangewezen personen zijn, en wat door anderen minstens even goed kan worden behartigd. Zeker, het „staat" heel goed om als predikant van alles lid te zijn, in menig bestuur zitting te hebben enz. enz., ook wanneer dit alles met de kerk weinig of niets te maken heeft. Maar helaas gaat dit slechts ten koste van den dienst des Woords, waartoe wij geroepen zijn. Alles, waardoor onze kerkelijke arbeid, of arbeid welke de kerk ten goede komt, in het gedrang wordt gebracht, hebben wij, indien eenigszins mogelijk, opzij te zetten. Of, mag daardoor soms het „preekwerk", de theologische studie, het huisbezoek, het ziekenbezoek enz. worden verwaarloosd ? Neen, dat moet niet en dat mag niet. We moeten zijn en blijven bedienaren des Goddelijken Woords en niet menschen van ahes en nog wat. Hierop meenden we in de eerste plaats de aandacht te mogen vestigen. Dit is van primair belang. Als hiermee niet volle ernst gemaakt wordt, wat baat dan alle andere werk. We zouden zoo de heele linie wel langs kunnen gaan. En niet het minst kunnen wijzen op de roeping van ieder gemeentelid. Zoo vaak wordt immers geklaagd over de kerk. O, wat hebben wij dat al dikwijls gehoord en dikwijls gezegd. Maar bij al die klachten wordt even vaak vergeten dat de klager zelf ook tot die aangeklaagde kerk behoort, zoodat de aanklacht op eigen hoofd terugvalt. Dat moet bedacht worden. Laat er eens ernst gemaakt worden met de vraag : hoe verkeer ik in het Huis des Heeren. Wat doe ik met de dolende naaste. Grijp ik dengene, die ten doode wankelt. Kijk ik wel eens naar een zieke om. Afschuiven is gemakkelijk genoeg. Stijft ons in onze eigengerechtigheid. Maar doet onze schuld meerder worden. Schuld voor God en menschen. En de matheid, slapheid en lauwheid zal zoodoende hand over hand toenemen. In onze dagen werpt de Almachtige ons werk in het vuur. Het uwe en het mijne. Verstaan we het? We zijn er waarlijk niet, als we nu eens wat harder gaan loopen. Ons wat laten ,,opwekken" door degenen, die waarlijk door den Geest Gods brandende harten hebben voor hunnen Koning en Zijn zaak. Neen — wijzelf moeten met vuur en met den Heiligen Geest gedoopt worden. De diepste oorzaak van lauwheid is gelegen in het hart, dat ondanks alle uiterlijke schijn van godsdienst, de ware godsvrucht mist. Al is er dan ijver, dan is het de ijver van den loondienaar, van den oudsten zoon, die met al zijn ijver den weg der zaligheid versmaadt, den Christus verwerpt, met zijn eigen werk zich weer het oordeel wil uitwerken en Gods gunst zich waardig wil maken. De nood der kerk is het getal der onbekeerden, der lauwen van hart. Tot dezulken roept de Apostel: Ontwaakt, gij die slaapt en staat op uit de dooden en Christus zal over u lichten. We moeten ons werk leer en kennen en beweenen, onze werken der duisternis, en we moeten Christus' volbrachte werk leeren kennen, het werk der verzoening. De nood der Kerk is ook het slaperig geworden zijn dergenen die God vreezen. Nu zijn er de oordeelen. Nu wordt het tot dezulken geroepen in de teekenen der tijden: De Bruidegom komt, gaat uit Hem tegemoet. Door die roep schudt de Christus de Zijnen weer wakker. Hij doe het ook in onze dagen. Dan zal er komen de Godgevallige opwaking in den arbeid. Het geloof is door de liefde werkende. Als wij dan zien mogen wie wij zijn in onszelf, dan wordt het wonder ons steeds grooter dat God ons gebruiken wil, op welke plaats en op welke wijze dan ook. Dan stemmen we er zoo van harte mee in dat het inderdaad eene „bijzondere genade" is, dat God „willende uit het verdorven menschelijk geslacht eene gemeente roepen en vergaderen ten eeuwigen leven, daartoe den dienst van menschen gebruikt". Dan ervaren we die genade tevens als bron van arbeidsvreugde en arbeidskracht.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 8 augustus 1940
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 8 augustus 1940
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's