UIT DE HISTORIE
Luthers verklaring van urief aan de Galaten.
De uitzinnigheid der Galaten, vers 1—5. (VII).
Hoofdstuk III.
Die u dan den Geest verleent, en krachten onder u werkt, doet Hij dat uit de werken der Wet, of uit de prediking des geloofs ? Vers 5.
Na de Galaten berispt en verschrikt te hebben, stelt de apostel er prijs op, hetzelfde nog eens met een bijvoeging te herhalen.
Wanneer Paulus zegt: „Die u den Geest verleent", dan bedoelt hij : ge hebt tengevolge van de prediking des geloofs niet alleen den Geest ontvangen, doch alles, wat gij te weten gekomen zijt en verricht hebt. 't Is, als wil hij zeggen: 't was niet genoeg, dat God u eenmaal den Geest geschonken heeft, maar dezelfde God is steeds blijven doorgaan met het schenken van gaven des Gecstes, zoodat de Geest, na eenmaal door u ontvangen te zijn, voortdurend in kracht is toegenomen.
Hieruit kunnen we duidelijk opmaken, dat de Galaten wonderen hebben gedaan, of althans groote daden verricht hebben, namelijk vruchten opleverden van geloof, hetgeen bij ware discipelen des Evangelies steeds het geval is. Want elders zegt Paulus : „Want het Koninkrijk Gods is niet gelegen in woorden, maar in kracht" (1 Korinthe 4 vers 20). „Kracht" wil zeggen, dat men niet alleen over het Rijk Gods ,,praten'' kan, maar dat men door daden toont, dat God door Zijnen Geest krachtdadig in ons werkt. Insgelijks zegt de apostel in Galaten 2 vers 8: ,,Want die in Petrus krachtiglijk wrocht tot het apostelschap der besnijdenis, die wrocht ook krachtiglijk in mij onder de heidenen".
Wanneer een prediker zóó spreekt, dat zijn woord niet zonder vrucht blijft, doch onder zijn hoorders effect heeft, — dat wil zeggen : als geloof, hoop, liefde en geduld er het resultaat van zijn, — dan bewijst zulks, dat God met Zijn Geest gekomen is, en dat Hij krachtige daden doet onder degenen, die het woord des predikers hooren.
Op gelijke wijze spreekt Paulus hier.
God heeft den Galaten Zijn Geest geschonken, en daden onder hen verricht, zoodat de apostel als het ware zeggen wil: God heeft door mijn prediking niet alleen bewerkt, dat gij geloovig geworden zijt, maar ook, dat gij heilig leeft, en vele vruchten des geloofs voortbrengt, kwade bejegeningen en lijden verdragende. Door dezelfde kracht Zijns Geestes zijt gij, die eertijds gierigaards, overspelers, en toornige, vijandige lieden waart, geworden tot menschen, die mededeelzaam, kuisch, zachtmoedig en lijdzaam zijn, en die hun naaste hartelijk liefhebben.
Het liefhebben van den naaste, en de bereidheid, geld, bezittingen, oogen, leven en alles wat men heeft, prijs te geven ten bate van zijn eigen zaligheid, als ook het geduldig dragen van allerhande tegenspoeden, — dit alles zijn ongetwijfeld openbaringen van de kracht des Heiligen Geestes.
En deze krachten, zoo zegt de apostel, hadt gijlieden, voordat de valsche apostelen tot u gekomen waren. Ge hadt deze echter niet ontvangen uit de werken der Wet, doch van God zelf, die u ook Zijn Geest dagelijks in ruimere mate heeft geschonken, zoodat het Evangelie onder u wel een zeer gelukkigen voortgang maakte. Deze dingen wetende, en in uw gemoed van een en ander volkomen overtuigd zijnde, — hoe komt het nu, zoo vraag ik u, dat gij niet meer dezelfde levenshouding aanneemt als vroeger ? Waarom wijkt ge af in de leer ? Waarom gelooft ge niet meer ? Waarom leeft ge niet meer behoorlijk ? Waarom doet ge geen goede werken meer? Waarom verdraagt ge niet meer geduldig allerlei leed en ellende ? Wie heeft u zoo van de wijs gebracht, dat gij mij niet meer bemint zooals vroeger ? Thans staat het zoo, dat ge Paulus niet meer als een engel uit den hemel zoudt aannemen, enz. Hoe komt het, zeg ik, dat gijlieden niet meer zoo vurig voor mij ijvert, doch thans de valsche apostelen stelt boven mij, terwijl deze lieden u toch zoo ellendig verleiden ?
Zoo gaat het heden ten dage nóg.
Toen het Evangelie pas verkondigd werd, waren er, die door onze leer werden aangelokt, en die jegens ons oprechte en eerbiedige gevoelens koesterden.
Op de prediking van het Evangelie volgden krachten en vruchten, die gevolg waren van geloof.
Wat gebeurt er echter?
Plotseling staan er dwaalgeesten op, die in korten tijd omverstooten, wat wij gedurende lange jaren met veel moeite en inspanning hebben opgebouwd. Bovendien beïnvloeden zij de harten van hen, die ons te voren innig liefhadden en onze leer dankbaar aanvaardden, zoodanig, dat onze naam bij hen meer gehaat is, dan wat ook. De duivel is echter de oorzaak van dit alles, want in zijn leden werken krachten, die juist tegengesteld zijn aan die des Heiligen Geestes.
Paulus zegt dus : Beste Galaten, uit eigen ervaring hadt gij kunnen weten, dat de krachten van weleer geen gevolg waren van het houden der Wet, want, gelijk gij ze niet hadt vóór de prediking des geloofs, zoo hebt gij ze ook thans niet, aangezien valsche apostelen onder u de lakens uitdeden.
Hetzelfde kunnen wij ook in dezen tijd zeggen, en wel tot degenen, die er zich op beroemen. Evangelisch te zijn, en vrij van de tirannie van den paus. We zouden kunnen vragen: zijt gij de heerschappij van het pausdom te boven gekomen, en hebt gij de vrijheid in Christus aanvaard door middel der dwaalgeesten, of door ons, die u het geloof in Christus gepredikt hebben ? Wanneer bedoelde lieden de waarheid willen zeggen, dan moeten zij bekennen : inderdaad door de prediking des geloofs. En zoo is het ook.
Aanvankelijk hadden onze prediking en onze leer aangaande het geloof een gelukkigen voortgang. De mis, het vagevuur, de aflaten en meer dergelijke verfoeiselen werden afgeschaft, en het heele pausdom kwam mede ten val. Niemand kon ons op goede gronden veroordeelen. Want wij waren zuiver in de leer; veler consciëntie werd opgericht en getroost; en velen dankten God, omdat zij door middel van net Evangelie, hetwelk wij door Gods genade het eerst verkondigden, uit de strikken en martelingen der consciëntie werden bevrijd.
Er stonden echter geesten op, die onze leer gingen belasteren, en die kwamen met het argument, dat wij het onder elkander niet eens waren, hetgeen velen ergernis heeft gegeven, en waarom zij de waarheid dan ook den rug hebben toegekeerd. Zulks verwekte onder de papisten de hoop, dat wij met onze leer in korten tijd zouden ondergaan en verdwijnen. Bedoelde dwaalgeesten hebben dan ook de kerk niet gediend, doch meer geschaad; het pausdom daarentegen hebben zij vaster in den zadel gezet. Had men daarentegen eendrachtig op de handhaving van het stuk der rechtvaardigmaking aangedrongen, dan zou men ahengs het pausdom in zijn geheel onderstboven geworpen hebben.
Wanneer nu het pausdom op zijn fundamenten waggelt en ineenstort, dan geschiedt zulks niet door het rumoer, dat de dwaalgeesten maken, doch door de prediking van het stuk der rechtvaardigmaking, hetwelk onze eenige toevlucht en steun is : niet alleen tegenover alle macht en listen van menschen, maar ook tegenover de poorten der hel.
Alleen door het geloof in Christus, zonder de werken, worden wij rechtvaardig verklaard en zalig.
De gerechtigheid des harten weet van geen wet. Alleen door middel van de prediking des geloofs komt de ware gerechtigheid tot stand, op welke de daden en vruchten des Geestes volgen.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 8 augustus 1940
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 8 augustus 1940
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's