NIENKE
FEUILLETON
VERHAAL UIT 'T FRIESCHE VOLKSLEVEN DOOR
(Met toestemming Uitgever J. H. Kok te Kampen) 59)
„Foei, wat ben je droefgeestig. Dat is het, wat ik juist tegen den godsdienst heb als de menschen zich vaak daar erg druk mee gaan maken; ze worden dan zoo ongeschikt voor het leven".
„Dat zit nog. Ik geloof, dat heel velen in hun huis en hun zaken vrij wat beter op hun plaats zouden zijn, als zij maar gehoorzaam waren aan hetgeen de bijbel voorschrijft. Je noemde straks baas Gurbe. Is die dan zoo somber? Of is Pier Boukes, onze koster, dan zoon ongenietbaar man? Of is de familie Piersma van „Burmaniastate" dan triestig aangelegd ? Of Ds Buitenveld ? "
Een oogenblik zweeg boer Santema. Het scheen, dat hij in zijn wiek geschoten was. Nog nimmer werd op „Donia-state" zulk een gesprek gevoerd, terwijl hem het allermeest verwonderde, hoe zijn vrouw bij deze woordenwisseling zoo kahn bleef. Heel anders dan gewoon, wanneer zij zich door haar drift soms dingen ontvallen het, waar zij later spijt van had, maar die de hoogmoed haar belette te herroepen. Het was alsof de godsdienst, waarover immers thans het gesprek ging, zulk een invloed op haar uitoefende, dat zij daardoor zich zelf wist te beheerschen. Onderwijl hij andermaal naar het tabaksvaatje greep om zijn pijp te stoppen, wierp hij een vluchtigen blik op zijn huisgenooten. Moeder en dochter schenen het in deze aangelegenheden ééns te zijn. Doch waren zij daardoor minder geschikt voor het leven, gelijk hij zoo juist gezegd had ? Wat zou er van hem en zijn huis en heel de boerderij worden, indien hij deze beiden eens missen moest ? Was zijn vrouw dan niet op haar plaats, gelijk dat van een echte, Friesche boerin geëischt werd en altijd haar eere was geweest en zou het huis niet uitgestorven zijn als Mini gemist moest worden? Mini, bij wie niet minder een groote verandering had plaats gegrepen, — nooit was hem dit zoo opgevallen als dezen avond en die zoo langzamerhand de lieveling van allen geworden was, zelfs van het dienend personeel ? Gaf zij hem alleen niet oneindig meer genoegen, dan de twee oudsten samen?
Doch het volgend oogenblik rees bij hem weer de gedachte boven aan Tjerk en aan dat meisje uit het schoenmakersgezin. Hij moest er niet aan denken, dat deze laatste hier zou worden ingehaald. Zou 't niet een schande voor heel de familie zijn, dat een Santema van „Donia-state" zich af gaf met iemand, wier verleden geheel in het duister lag, van wier afkomst niemand iets wist, waar nooit over gesproken werd, omdat men dat alles liefst onder den sluier hield ? Wat van de beide oudste kinderen gezegd werd, griefde hem even zeer, doch de gedachte daaraan was voor hem niet zoo pijnlijk als die andere, dat ooit iemand tot de familie zou komen te behooren, voor wie men zich in het publiek te schamen had. En die met den vinger werd nagewezen.
Of waarover mannen als Thijs Sanders zich zouden kunnen vroolijk maken. „Nu, wat jullie gelooven wilt, laat mij tenslotte koud, als je mij maar niet met die nieuwigheden aan boord komt, maar om te komen op het onderwerp : Wat dunkt je van die verhouding tusschen Tjerk en dat meisje ? Komt het je eer ook niet te na, dat een der erfgenamen van „Donia-state"' tot zoo een zich voelt aangetrokken, en dat, waar er boerendochters genoeg te krijgen zijn, bij wie hij kan aankloppen?" „'k Had het ook liever anders, maar het geld alléén kan het niet goed maken". „'t Gaat hier niet alleen om het geld. "'t Gaat ook om den naam. Hoe zal je eigen familie het vinden, dat dit vreemde bloed wordt ingehaald! De Blanksma's zijn toch óók altijd ras-echt gebleven ? ''
Hier kon de boerin, geheel tegen haar gewoonte in, ternauwernood een glimlach onderdrukken. „We zijn geen stamboekvee, hoop ik ? " sprak zij. En daarop weer ernstig : „Tot voor korten tijd zou ik waarschijnlijk mij ook alleen door dezelfde overwegingen hebben laten leiden, omdat het stoffelijk goed mijn één en al was, doch ik wil niet ontkennen, hierover thans wel een weinig anders te denken. Nienke van baas Gurbe mist het kapitaal, denk ik, dat wij van huis-uit mee kregen, hoewel daarbij niet behoeft vergeten te worden, dat zij wel de eenigste erfgenaam zal worden van hetgeen men daar nalaat en dat, volgens sommigen, de schoenmaker niet onbemiddeld is, maar daartegenover staat, dat zij ook veel heeft, wat anderen missen. Met haar handen kan zij heel goed terecht. Gansch Zevenhuizen houdt van haar, met uitzondering dan misschien van een enkele. Toen zij onlangs zoo ziek was, moet de belangstelling zoo buitengewoon zijn geweest, zelfs uit wijden omtrek, en met het oog daarop kon Tjerk wel minder partij krijgen".
„Nog minder!" riep Santema, met verheffing van stem. „En dus, als Thijs Sangers op een goeden dag het weer in zijn hoofd krijgt mij in gezelschap te beleedigen, dan heb ik te zwijgen, omdat m'n eigen vrouw het voor zoo'n vondeling van de straat opneemt!''
„Dat laatste moet nog bewezen worden; een Santema mag niet onbillijk zijn en wat dat eerste betreft, Thijs Sangers behoeft niet zoo hoog van den toren te blazen. Waar is hij zelf weggekomen ? "
,,Hij? Uit het land van de handschrobbers en heidebezems".
(Wordt vervolgd).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 15 augustus 1940
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 15 augustus 1940
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's