MEDITATIE
Ellende, Verlossing en Dankbaarheid
En roep Mij aan in den dag der benauwdheid; Ik zal er u uithelpen, en gij zult Mij eeren. Psalm 50 vers 15.
Ellende, Verlossing en Dankbaarheid
Ellende.
Dat ééne woordje vertolkt een wereld van moeite en verdriet. Dat woordje is sedert den val onafscheidelijk aan het mensch-zijn verbonden.
Ellende, dat is uit-landig, dat is niet thuis zijn, dat is gemis van het hoogste Goed. Dat wij ellendig zijn en dat er ellende in de wereld is, dat wordt zeker door niemand ontkend, maar dat de ellende het gevolg is van de zonde en de overtreding van Gods Wet, dat wordt niet door allen erkend en zeker slechts door weinigen beleefd. Er is zooveel verschil in belijden en beleven. Want we spreken het zoo gemakkelijk uit, dat we ellendige, doemwaardige zondaren zijn en dat we zonder hartgrondige bekeering voor eeuwig verloren zijn. Maar wie dit alles waarachtig doorleeft, die zal met zijn ellende ook een Toevlucht leeren kennen. Wie God als het hoogste Goed leert missen, die zal ook naar God gaan zoeken en vragen, en dat zien we maiar zoo weinig. Is onze ellende wel waarlijk geestelijk of is ze niet veelal vleeschelijk ? Het godsdienstig leven en belijden kan zoo doodvormelijk zijn. Dat was het ook in de dagen van Asaf, toen hij bovengenoemde woorden neerschreef. Lees den 50sten Psalm maar eens door, hoe God de Heere daar komt tot Zijn Bondsvolk Israël en tot het gansche menschelijke geslacht. „Onze God zal komen en zal niet zwijgen ; een vuur voor Zijn aangezicht zal verteren, en rondom Hem zal het zeer stormen'.
En dan lezen we verder, hoe men wel offeranden aan den Heere bracht, maar den geestelijken zin daarvan niet meer verstond. Waar de offeranden op de rechte wijze gebracht worden, daar moet een arm en ellendig zondaar gevonden worden, die het leven niet langer in zichzelven kan vinden, maar in het offer van Christus' verzoening met God zoekt en voor Gods aangezicht wil leven in nieuwigheid des levens. Daarom zegt de Heere tot Zijn volk, in tegen stelling met hun vormendienst: „Offert Gode dank en betaalt den Allerhoogste uwe geloften".
De mensch zoekt zoo graag in zijn uiterlijke offers zijn gerechtigheid voor God, terwijl hij blind is voor zijn diep verderf. Ja, van zijn ellende wil hij nog een grond maken voor de zaligheid, en dan gaan we roemen in onze ellende en pochen op onze slechtigheid, om daarmede onze gerechtigheid voor God te bewijzen. Maar de Heere wijst dit alles af, door de waarachtige beleving van onze ellende voor te stellen als „de dag der benauwdheid".
Wanneer is het nu waarlijk „de dag der benauwdheid", welke de Heere hier bedoelt ? Och, er is zooveel wat ons benauwt en bedrukt in dit leven der ellende. Het leven is niet anders dan een gestadige dood, waarin de mensch door vele benauwdheden naar lichaam en ziel tenslotte tot het stof, waaruit hij genomen is, wederkeert. Ieder huis heeft zijn kruis, ieder hart zijn smart en iedere schouder zijn last. Ieder kent zijn dag van benauwdheid, als er dierbare banden verbroken, begeerlijke, bijna bereikte idealen weggeslagen of andere aardsche bezittingen eensklaps ontnomen worden, en zeker in deze dagen, waarin velen door de ramp van den oorlog getroffen zijn. Al deze dingen kunnen tegen ons zijn, en toch kunnen ze ons nog niet in die benauwdheid brengen, welke de Heere hier bedoelt.
Het gaat dikwijls wel niet buiten deze uiterlijke dingen om, en er wordt ook nog wel tot God geroepen in dien dag der benauwdheid en de Heere hoort dikwijls, maar als het ons niet verder brengt, dan gaan we den ouden zondenweg weer op. Laten we wel bedenken, dat de uitreddingen uit den tijdelijken nood nog geen grond zijn voor de zaligheid. Neen, de dag der benauwdheid is daar, als we onze zonde en schuld thuis krijgen, dat we tegen zoo'n goeddoend God gezondigd hebben en dat er voor ons geen doen meer aan is. Als de afgrond van eeuwig verderf zich voor ons opent en er geen Helper is. Als het een gansch afgesneden zaak wordt.
Als God de heilige vierschaar spant in onze consciëntie en de aanklagers tegen ons getuigen, en het recht Gods ons veroordeelt, omdat er van onze zijde geen verontschuldiging gevonden wordt en zelfs onze beste deugden voor Gods aangezicht blinkende zonden worden. Als Hij ons voert in de woestijn der volkeren en met ons komt te rechten aangezicht aan aangezicht. Dan is er de dag der benauwdheid, als de onbegenadigde zondaar aangezicht aan aangezicht staat tegenover een rechtvaardig God en geen bedekking kan vin den voor zijn naakte schuldige ziel. Dan wordt het:
'k Wou vluchten, maar 'k kon nergens heen Daar mij de dood voor oogen scheen; En alle hoop mij gansch ontviel, Daar niemand zorgde voor mijn ziel.
Deze benauwdheid ontstaat uit de zaligmakende overtuiging des Heiligen Geestes en daarom is ze ook zaligmakend. Dan gedenkt de Heere in Zijn toorn des ontfermens. Als we het recht Gods mogen liefkrijgen, dat de Heere ons moet verwerpen van voor Zijn aangezicht, dan krijgen we de eere Gods in het oog. Maar dan zal zulk een benauwde ziel daar ook niet kunnen blijven, want zulk een zal nu ook Gods barmhartigheid aanschouwen door het oog des geloofs, om den Heere op Zijn eigen belofte te wijzen, dat Hij gezegd heeft, reeds vóórdat die dag der benauwdheid kwam : Roep Mij aan in den dag der benauwdheid. Dan leeren we het inzien, dat de Heere ons zelf in dien dag der benauwdheid geleid heeft.
Zóó brengt de Heere dien dag der benauwdheid over Zijn geliefde kinderen, niet uit lust tot plagen, ook niet omdat ze iets voor hun zondeschuld moeten betalen, maar omdat Hij de Zijnen gerechtigheid wil leeren, hoe Zion door recht verlost moet worden. In dien dag krijgt Gods kind eerst recht kennis aan Gods deugden en eigenschappen. Zijn gerechtigheid en heiligheid, maar ook Zijn oneindige liefde, wijsheid, goedheid, barmhartigheid, mededoogen en ontfermen. Want de Heere brengt de Zijnen niet alleen in den dag der benauwdheid, maar Hij leidt ze er ook uit, en daarom die lokkende liefdestem : Roep Mij aan! Is dat geen eeuwig wonder, als we Hem nog mogen aanroepen en als Hij ons daartoe Zelf uitnoodigt? Hier roemt Zijn barmhartigheid tegen het oordeel. Als de Heere ons een mond en een hart geeft om te roepen en te bidden en Zijn vrijmoedige Geest ons ondersteunt, dan zal er ook een krachtig roepen uit die benauwdheid geboren worden. Zalig, die met Psalm 116 kan zingen :
Ik lag gekneld in banden van den dood. Daar d' angst der hel mij alle troost deed missen. Ik was benauwd, omringd door droefenissen. Maar riep den Heer' dus aan in al mijn nood: Och, Heer', och wierd mijn ziel door U gered !
Toen hoorde God! Toen vervulde Hij Zijn belofte van verlossing: Ik zal er u uithelpen. Wie door Gods ontdekkend licht in den dag der benauwdheid gekomen is, die zal zijn eigen gerechtigheid leeren kennen als een wegwerpelijk kleed, die zal op al het zijne den dood moeten schrijven, zoodat hij zijn gerechtigheid buiten zichzelven gaat zoeken. Daar is het den Heere juist om te doen, opdat Hij aan Zijn eere mocht komen, dat er buiten Hem geene hulpe noch verlossing te zoeken noch te vinden is. In dien weg leert de ontdekte zondaar eigen onwil en onmacht goed verstaan, en moet dat eigen „ik" steeds meer plaats maken voor dat Goddelijke „Ik". Ik, Ik zal u uithelpen, omdat gij het zelf niet kunt, noch wilt. Ik zal Mijnen Geest in uw binnenste geven en u tot Mij doen roepen met onuitsprekelijke verzuchtingen en dan zal Ik, op uw noodgeschrei, u uithelpen uit al uw benauwdheden. Ik, de Heere, heb zelf een weg der verlossing, buiten u, uitgedacht, waardoor Ik Mijn barmhartigheid aan u bewijzen kan, zonder krenking van Mijn gerechtigheid, in het volbrachte werk van Mijn geliefden Zoon, in Denwelken Ik Mijn welbehagen heb, hoort Hem! Hij was in al uwe benauwdheid benauwd en heeft den vloek van Gods eeuwigen toorn in de angsten der hel moeten dragen, toen Hij het uitbrulde: „Des daags roep Ik en Gij antwoordt niet en des nachts, en Ik vind geen ontfermen!" Zoo had die rechtvaardige God in Christus Zijn roepend volk lief, om ze uit al hunne benauwdheden uit te helpen. Hij zal ze als met menschenzeelen en touwen der liefde uit die ruischende kuil van modderig slijk uittrekken. Hij zelf is in Christus in die kuil afgedaald en is daarin weggezonken dieper dan Zijn volk ooit wegzinken kan. Besmeurd met het smerige slijk der zonde, verzwolgen in de golven van onze ongerechtigheid, heeft Hij Zijn volk opgevoerd uit de kolken van eeuwige verlorenheid en wat Hij eenmaal vastgegrepen heeft, laat Hij nooit meer los, maar Hij trekt ze op en Hij wascht en reinigt ze in Zijn dierbaar bloed.
Zij kunnen er niets aan doen, maar ze behoeven er, Gode zij dank, ook niets aan te doen. Het is alles Zijn Middelaarswerk, waarvan Hij alleen de eere zal ontvangen. Dat is het werk van Gods vrijmachtige genade, die Hij aan Zijn uitverkorenen komt bewijzen. En mogen we nu deze belofte Gods omhelzen en toeëigenen in den dag der benauwdheid, dan kan dat alleen in den weg van een waar zaligmakend geloof, dat afziet van zichzelf en eigen gerechtigheid en de toevlucht neemt tot Zijne gerechtigheid, in Christus geopenbaard, in een volkomen overgave aan Hem, Die Zijn reddende hand naar ons uitsteekt. Ook dat geloof is nog weer een gave Gods, in de wedergeboorte geschonken en werkzaam gemaakt door den Heiligen Geest.
Wij hebben echter alleen te maken met den eisch van deze belofte: Roep Mij aan! Wie Hem aanroept in den nood, Vindt Zijn gunst oneindig groot. Roept maar, zoolang de Heere u een mond geeft, om te roepen. Zoekt echter geen grond in uw roepen, maar alleen in de belofte van den getrouwen Verbondsontfermer.
En wanneer Hij u uit den dag der benauwdheid uithelpt, hoe dan ook, dan zal Hij er zelf voor zorgen, dat Hij van u de eere zal ontvangen, die Hem toekomt. Dan moeten de vruchten der dankbaarheid volgen : „en gij zult Mij eeren''. En nu zal Gods verloste volk bij zichzelf geen dankbaarheid kunnen vinden, hoe gaarne zij het ook zouden willen, want ze gevoelen het zoo diep, hoe de Heere het waardig is. Ze vragen zichzelf af : Wat zal ik den Heere vergelden voor al Zijn weldaden, aan mij bewezen ? Bedenkt echter wel, dat de Heere van u geen dankbaarheid als vergelding voor hetgeen Hij aan u deed, noodig heeft.
De Heere helpt ons niet uit, om daardoor van ons iets terug te ontvangen. We hebben niets, om den Heere te vergelden. Als we dat meenen, doen we tekort aan de volkomene verlossing en gerechtigheid van Christus. Hij is onze rechtvaardigmaking, maar ook onze heiligmaking, en onze vrucht wordt alleen uit Hem gevonden, ook onze vrucht van dankbaarheid. Zoo geven we Hem als uit Zijne hand, net als een kind, dat een cadeautje aan moeder mag geven, dat vader eerst voor ze gekocht heeft. In Christus gerechtvaardigd, zijn Gods kinderen alsof ze nooit eenige zonde gekend of gedaan en zelf aan Gods gerechtigheid genoeg gedaan, en dus ook alsof ze een nooit onderbroken dankbaar leven gehad hebben. Als we vol bekommering uitroepen : Heere, in mij is geen dankbaarheid ; dan mogen we door het geloof Christus' dankbaarheid aangrijpen en daarmede voor God verschijnen. En daarin juist eert Gods volk nu den Heere het meest, als ze in en door Christus vruchten der dankbaarheid mogen voortbrengen. Bedeeld met den Geest van Christus, kunnen ze door het geloof zeggen met den Apostel: En wij hebben den zin van Christus. En dan is dit een heerlijke vrucht van den waren Wijnstok: Leert van Mij, dat Ik zachtmoedig ben en nederig van hart. Als de verloste zondaar in waarheid verootmoedigd wordt onder de weldaden Gods, aan zulk een onwaardige bewezen, De offeranden Gods zijn een gebroken geest en een verslagen hart, wanneer men wegzinkt onder de goedheid Gods met Jakob : Ik ben geringer dan al deze weldadigheid en trouw, aan mij bewezen.
In dien weg zal het Woord des Heeren weer verstaan worden door Israël en al Gods volk : „Offert Gode dank en betaalt den Allerhoogste uwe geloften".
Verstaat dit toch, gij godvergetenden! opdat Ik niet verscheure en niemand redde. Wie dankoffert, die zal Mij eeren ; en die zijnen weg wèl aanstelt, dien zal Ik Mijn heil doen zien. (vs. 14, 22, 23).
Vergeet deze belofte niet, wanneer ook over u, lezer(es), de dag der benauwdheid komt, opdat gij deze moogt aangrijpen door het geloof, want bedenkt wel, dat de Heere zegt: Die Mij eeren, zal Ik eeren, maar die Mij versmaden, zullen licht geacht worden.
We zien het vooral in deze donkere dagen, dat de uitwendige benauwdheid ons niet verder brengt als er geen droefheid naar God is, welke een onberouwelijke bekeering tot zaligheid werkt. Al was er nog maar een uitwendig roepen en bekeeren tot God, zooals bij de inwoners van Ninevé, dan zou de Heere nog berouw hebben en het oordeel wenden, doch zelfs dat wordt niet gevonden. Al was er nog maar een opmerken, dat ware beter dan de vele offeranden, waardoor we onszelf nog willen redden.
De teekenen der tijden zijn duidelijk te zien, wie althans zijn oogen niet moedwillig sluit, en de dag der benauwdheid zal nog grooter worden, maar de Heere heeft voor dien dag nog een heerlijke belofte : Wie alsdan den Naam des Heeren zal aanroepen, zal zalig worden. Roept Hem dan nog aan, terwijl Hij nabij is ; dichter kan Hij niet bij u zijn, dan juist in den dag der benauwdheid, want dien Hij liefheeft, kastijdt Hij en Hij geeselt eenen iegelijken zoon, dien Hij aanneemt. Wanneer Hij u dan uitgeholpen heeft, geeft Hem dan de eer, ja Hem alleen, en zingt Zijnen Naam ter eer, van nu aan tot in eeuwigheid :
Gij hoort hen, die Uw heil verwachten, O, Hoorder der gebeên; Dies zullen allerlei geslachten Ootmoedig tot U treên.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 15 augustus 1940
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 15 augustus 1940
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's