De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Uit de kerkelijke Pers.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Uit de kerkelijke Pers.

13 minuten leestijd

De „toekomst" heeft steeds het vermogen gehad, aller aandacht te spannen. Dit vermogen wordt er in tijden van groote veranderingen niet minder op. We kunnen dat opmerken in onze dagen. Terwijl in normale omstandigheden de vragen over wat komen gaat, zich vermenigvuldigen, staan velen nu met ingehouden adem te wachten op de ontwikkeling der gebeurtenissen. Waarbij nog komt, dat wij „snel'' leven.

In een kort tijdsbestek voltrekken zich thans mèèr veranderingen, dan vroeger in enkele jaren het geval was. Vandaar komt van menige zijde de vraag naar voren, heftig, nieuwsgierig, soms angstig : ,,Wat zal het worden ? Hoe zal het gaan ? Wat moet er gedaan worden ? Wat moeten wij doen ? " Volkomen begrijpelijk. Wanneer wij de kerkelijke pers nagaan, dan is er menige kolom gevuld met regelen, gewijd aan de toekomst; aan de roeping, welke daarin voor ons ligt; aan de arbeid, welke daarin verricht zal moeten worden; aan de norm, waaraan wij ons te houden hebben ; aan de eischen, die ons worden gesteld.

In het Algemeen Weekblad schrijft J. J. Buskes Jr. een artikel: De Hand aan den ploeg. Het opschrift luidt: Jezus Christus is gisteren en heden Dezelfde en tot in eeuwigheid. Wij hebben hier geen blijvende stad, maar wij zoeken de toekomende. De vraag wordt gesteld of wij, wanneer dit onze geloofsbelijdenis is, om de toekomst het heden zullen verwaarloozen, om de eeuwigheid de tijd zullen miskennen, terwille van het Nieuw Jeruzalem Rotterdam aan zijn lot zullen overlaten, terwille van het hemelsche vaderland het aardsche zullen negeeren. Is het woord van Blumhardt: „Broeders, blijft de aarde trouw ? " wel te verzoenen met deze apostolische geloofsbelijdenis ? Gewezen wordt op het voor de hand liggende gevaar om ons uit de tegenwoordige wereld terug te trekken en ons op te sluiten en te isoleeren in het verlangen naar die andere wereld. De bedoeling des Heeren kan dit echter niet zijn. God plaatst ons toch in deze wereld, ook al heeft deze wereld het eeuwige leven niet. Aan de grens van den tijd zoeken wij het Nieuw Jeruzalem, maar daarom mogen en moeten wij in dezen tijd onze taak vervullen. We hebben hier — in Rotterdam — te werken verwachtende het Nieuw Jeruzalem. Als we het eeuwige leven kennen en daarom ook de vergankelijkheid van het aardsche leven, dan zullen wij in dit vergankelijke aardsche leven God dienen naar Zijn wil. De vreemdeling op aarde is er ook gast. (Hebr. 11 : 13). Wel weet de gast van de tijdelijkheid van zijn verblijf, maar nochtans wil hij graag helpen om van het leven te maken wat er van te maken is. Als wij het hemelsche vaderland zoeken, willen wij ook het aardsche liefhebben en er voor arbeiden.

Uit de verwachting van het hemelsche Koninkrijk blijven wij de aarde trouw en zijn wij als menschen, die het hemelsche Vaderland en de toekomende stad zoeken, Nederlanders en Rotterdammers. Er moet puin worden geruimd en een nieuwe stad gebouwd. De spa moet in de grond. Maar daarbij moet gezien worden op de zon der gerechtigheid. Want gisteren werden wij geboren, vandaag werken wij, morgen sterven wij, maar Jezus Christus is en blijft Dezelfde.

In het Hervormd Weekblad de Geref. Kerk wijst Dr J. C. K(romsigt) ons op wat wij te doen hebben. Hij stelt daarbij de vraag of het nu onze roeping is, dat wij geweldige dingen zullen doen. Om dan te antwoorden : Neen, niet wij. Veeleer is het onze roeping, dat wij groote dingen van Hem verwachten, dat Hij ze aan ons doe in verbeurde genade en als 't Hem behaagt ons daarbij gebruike in Zijn dienst tot Zijn eer. In de eerste plaats wordt dan gewezen op het buigen onder 's Heeren heerschappij. Wij moeten vóórgaan in de eerbiediging van die heerschappij en anderen moeten wij daartoe opwekken. „Niet democratie", noch autocratie, of aristocratie, of dominocratie, of synodale, of bestuurlijke hiërarchie, maar alleen Christologie ! Het verlossende woord en de verlossende werkelijkheid voor enkeling en gemeenschap is : Christusregeering!

In Oude Paden wijdt ook Ds J. J. Kn(ap) enkele woorden aan de toekomst. Herinnerd wordt aan Jezus' woord, dat wij bij het ploegen niet achterom mogen zien. Als we dat wel doen kunnen wij op den akker geen rechte voren trekken. De aandacht moet worden geconcentreerd op wat vóór den ploeger ligt. We moeten niet om blijven zien naar het verleden, terwijl het de eisch des tijds is naar voren, d.i. naar de toekomst te zien. Dit valt vaak moeilijk. Want velen zijn steeds conservatief en laten niet graag oude gewoonten los. Men meent, dat dit oude het eenige en het beste is. ledere vernieuwing wordt geschuwd.

Gewezen wordt op het goede in deze behoudzucht. Overijlde en ondoordachte besluiten worden er door voorkomen. Maar dit mag niet leiden tot stilstand, verstijving en versteening. We moeten niet denken, dat in het verleden het model ligt, waarnaar de nieuwe maatschappij moet worden gevormd. Is er dan geen stabiel element ? Inderdaad, dat is het goede, dat ook in den nieuwen tijd en de nieuwe oriënteering behouden dient te blijven. En dat goede is alles, wat in de ordeningen Gods besloten ligt. Genoemd worden dan de souvereiniteit van 't Gezag, de vrijheid des volks, de onafhankelijkheid van den Staat, de zorg voor 't geheele volk in al zijn geledingen, de sociale rechtvaardigheid, de bediening van het onkreukbaar Recht, en wat dies meer zij. De methoden, middelen en wegen kunnen echter nieuw zijn. En dit nieuwe kan dan gebezigd worden om de oude levenswaarden tot gelding te brengen. Ook in de Bazuin komt een artikeltje voor waarin met klem betoogd wordt, dat bij al het nieuwe, waarover men spreekt, b.v. een soort jeugdunie, wij ons beginsel niet mogen verloochenen. Het gaat hier waarlijk niet om de grootheid van een of andere organisatie. Maar het gaat om den dienst des Heeren en dan mag er geen concessie gedaan worden, waardoor wij in gehoorzaamheid aan 't Woord des Heeren tekort schieten. In gehoorzaamheid aan de autoriteiten, door wie het God belieft ons te regeeren, is er de begeerte voort te gaan, met het eigen werk in eigen geestelijke vrijheid. Dit geldt wel allermeest van de Kerk zelf. Zij mag niets prijsgeven van haar te vervullen taak en zij mag haar roeping niet verloochenen. De geestelijke worsteling is in deze landen toch niet voor niets gestreden. Daarom verzetten wij ons tegen lederen „vaderlander", die dwars tegen de proclamatie van den Rijkscommissaris in, ons in onze geestelijke vrijheid zou beknotten.

Inderdaad worden hier belangrijke dingen aangesneden. Trouwens, het is altijd belangrijk zich af te vragen wat ons in de toekomst te doen staat. Op allerlei gebied, maar speciaal ook op kerkelijk terrein. Nu herinner ik mij eens ergens gelezen te hebben, dat wij het daarin niet gemakkelijk hebben. Daarbij werd dan niet gedoeld op de ernst van de roeping Gods, of op het zware van de taak. Neen, het niet gemakkelijke werd veroorzaakt door het feit dat er, door Gods genade, zooveel grooten onder onze voorvaderen zijn geweest. Op allerlei terrein, óók op kerkelijk terrein. Bij de geloofsmoed, die zij bezaten, bij de arbeid, die zij verzetten, bij de bekwaamheid, die zij hadden verdwijnt alles wat het nageslacht bezit en presteert zoo spoedig in het duister. Dat is volkomen waar. Hierop valt niets af, te dingen.

Maar .......  toen ik deze opmerking las kwam er toch ook nog een andere zijde van de zaak naar voren. En wel een zijde, waardoor het niet moeilijker, maar gemakkelijker worden kan. In die grooten heeft God ons zulke kostelijke gaven geschonken. En in hunne geschriften heeft Hij ons zulk een schat nagelaten. Geleid en verlicht door Zijn Geest gaf Hij menigeen een diep inzicht in Zijn waarheid en teveris de bekwaamheid om die waarheid op uitnemende wijze de Kerk van toen en in geschrift ook de Kerk van nu, te ontvouwen. Door hen werden de eischen des Woords klaar naar voren gebracht inzake de regeering der Kerk. Zij vertolkten het leven der Kerk in eene schoone en rijke, met bloed bezegelde belijdenis. Daaruit volgt dus al onmiddellijk dat wij niet behoeven te zeggen: wij moeten geheel met nieuwbouw beginnen, van de grond op. Hoe zullen we het toch doen ? Zoo staat het niet. De Heere heeft de lijnen, de richtlijnen door de mannen die Hij verwekte laten trekken .

En die richtlijnen, getrokken uit het Woord Gods, zoo scherp ons voorgesteld door Calvijn, ze zijn waarlijk nog niet verouderd. Is het dan geen voorrecht, zoo'n schat te hebben mogen ontvangen ? Gaf de Heere daarin niet een rijken zegen ? Maakte Hij het ons daarin niet gemakkelijk ? En daarbij: Stelt de Heere deze mannen ook nu nog niet ten voorbeeld, om in geweldige tijden ons aan te sporen, te bezielen, ons te wijzen op de bron van kracht, waaruit zij door den Geest geleid, hebben mogen putten ? We vinden dit, met betrekking tot den weg der zaligheid, ook in de Schrift. Degenen, die den loop voleindigd hebben, worden ter bemoediging voorgesteld aan allen, die nog in de loopbaan zijn. „Daarom dan ook, alzoo wij zoo groot eene wolk der getuigen rondom ons hebben liggende, laat ons afleggen allen last en de zonde, die ons lichtelijk omringt, en laat ons met lijdzaamheid loopen de loopbaan, die ons voorgesteld is.......  " (Hebreen 12 : 1).

Maar nu komt het er dan ook op aan, met het oog op de toekomst, te onderzoeken en te doorzoeken, wat God gegeven heeft. Nu staan we weer onmiddellijk voor de zware opdracht ons door den Heere Zelf verleend. We moeten maar niet onmiddellijk alles wat als nieuw wordt aangeboden als het reddende aangrijpen. Ook niet op theologisch gebied. Nog hoor ik het Prof. Visscher op college zeggen: „Men houdt zich op met allerlei nieuwe snufjes, zonder het oude te kennen.'' En het nieuwe kunnen we niet recht waardeeren, zonder het oude te kennen. In dit opzicht echter maken zeer velen zich er met een „Jantje van Leiden" af. Wat lichte lectuur, een krantenartikeltje, dat gaat nog, een „christelijke" roman, best, maar een theologisch werkje, een wat lijviger boek over de dingen van Gods Koninkrijk, komen ze nog ter tafel ? Als we op catechisatie gaan, lezen wij en leeren wij, als 't goed is, de Catechismus. Wanneer wij belijdenis hebben afgelegd, in elk geval niet meer ter catechisatie gaan, verdiepen wij ons dan nog wel eens in dit kostelijke belijdenisgeschrift der kerk ? Om dan van andere werken nog maar niet te spreken, b.v. over de institutie van Calvijn. Weet ge, wat we doen ? Wij hebben de erfenis aanvaard en nu rentenieren we zoo'n beetje. Of, om het te zeggen met de woorden, die ik iemand eens hoorde gebruiken: wij „freewheelen" op de belijdenis. Onze vaderen maakten gang, gedreven door Gods Geest. Zij „trapten". Maar wij ?? Zullen wij in de komende winter met zijn verduistering de hand eens aan de ploeg slaan ? Vele samenkomsten zullen wellicht niet gehouden kunnen worden. Wat een kostelijke tijd wordt ons dan misschien geboden ons eens te verdiepen in wat de Heere schonk. Om de beginselen eens te bestudeeren. Om eens te onderzoeken hoe het moet met de kerk, hoe het zit met de belijdenis, hoe het staat met de vrijheid, waarover zooveel gesproken wordt. O ja, die vrijheid, die is ons dierbaar. Alles moet ingezet worden om die voor de toekomst te mogen behouden of ....... te verkrijgen. Wat moet nu, om daarop thans alleen te wijzen, onze grootste zorg zijn.

Maar, welke vrijheid dan....!

Die vrijheid, welke naar het woord van Groen van Prinsterer, het beginsel is der hervorming. In Ongeloof en Revolutie schrijft Groen op bldz. 108 v.: „De Hervorming, gelijk het Evangelie, predikt vrijheid ; maar de vrijheid in onderwerping gegrond. Onderwerping aan Gods Woord en wet, onderwerping aan elke waarheid uit Gods Woord afgeleid; aan elk gezag van Gods gezag ontleend. Vrijheid ter plichtsbetrachting, vrijheid van der menschen willekeur, om den wille Gods gehoorzaam te zijn. De Hervorming wil vrij zijn van menschelijke traditie, waar deze den Bijbel weerspreekt; vrij van menschelijk bevel, waar dit tegen de bevelen Gods strijdt. Zij wil biddend onderzoek van Gods Woord ; niet om de Openbaring voor de Rede, maar om de vermetelheid van het verstand voor het hooger licht der Openbaring te doen zwichten. Wetende, dat alle Schrift van God ingegeven is, geeft zij den Bijbel aan allen in de hand, niet omdat zij op der menschen eigen wijsheid rekening maakt, maar dewijl zij op de belofte des Heiligen Geestes vertrouwt, en de natuurlijke mensch niet begrijpt de dingen die des Geestes Gods zijn. De Hervorming wil vrijheid, niet om aan Vorsten of Overheden de wet te stellen ; niet ora zich politische voorrechten, te verschaffen ; niet om de vrijheid te hebben als deksel der boosheid, maar als dienstknechten Gods. Vrijheid om God te dienen, om den Heere te belijden. Geen vrijheid om m eiken staat elk gevoelen uit te spreken en aan te prijzen, maar vrijheid om, waar de Overheid zich christelijk noemt, de geboden van Christus te onderhouden, of zoo plichtvervulling belet wordt, naar elders, ter opvolging van wat de consciëntie voorschrijft, te wijken. De Christen weet: "indien de Zoon u zal vrijgemaakt hebben. zult gij waarlijk vrij zijn". Vrij van den vloek der wet, vrij van de heerschappij der zonde, vrij van het verderf. Waar over aardsche machten sprake is, kent hij eene vrijheid ook in het dienen; vrijheid om, in elke betrekking, dienstknecht van God en, in Zijn dienst, dienaar en onderdaan ook van de menschen te zijn". Wil deze vrijheid gekend worden, dan hebben we noodig de groote daden des Heeren, nu en in de toekomst. De groote daden des Vaders, in Christus, door den Heiligen Geest. Daartoe rijze het gebed. Daartoe zij de verwachting alleen van de genade Gods. Wij willen zoo vaak iets nieuws maken, de dingen vernieuwen, maar wat we noodig hebben zijn vernieuwde menschen. Dat kan God alleen geven, door de inlijving in Christus Jezus.

„Wie in Christus is, die is een nieuw schepsel". Dan alleen zullen wij hier werken, Gods opdracht vervullen, maar met de verwachting van het Nieuw Jeruzalem. Dan zal dat leven in ons zijn, waarvan Marnix van Sint Aldegonde uitdrukking gaf in het Vriendenalbum van Jan van der Does. Hierop wijst J. J. Buskes in het bovengenoemde artikel in het Algemeen Weekblad. In dit Vriendenalbum dan teekende Marnix een schip, dat over woelige zee en tusschen klippen door koerst naar het doel: Jezus Christus. Daaronder staan in het Latijn deze twee regels :

Ga onder zeil en zoek de verre rustplaats elders, waarheen de hemelsche Noordstar van het Evangelie roept,

en in het Hebreeuwsch staan er de woorden uit Psalm 119:

Ik ben een vreemdeling op aarde, verberg Uw geboden voor mij niet.

De opdracht aan Jan van der Does besluit Marnix dan met Rom. 5:1: Wij dan, gerechtvaardigd zijnde door het geloof, hebben vrede bij God. Zoo leefde Marnix. Hij koerste naar het doel: Jezus Christus. Hij arbeidde voor land en volk. En tegelijk wist hij zich vreemdeling op aarde, gerechtvaardigd door het geloof. De Almachtige God wekke onder ons, door Zijn Geest, jongeren en ouderen, die aldus hier op aarde leven en werken, nu, en in de toekomst.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 15 augustus 1940

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

Uit de kerkelijke Pers.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 15 augustus 1940

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's