UIT DE HISTORIE
Luthers verklaring van Paulus' Brief aan de Galaten.
Hoofdstuk III.
Gelijkerwijs Abraham Gode geloofd heeft, en het is hem tot rechtvaardigheid gerekend. Vers 6.
Tot nog toe heeft Paulus gesproken uit ondervinding, zeggende: gijlieden hebt eertijds geloofd; en toen ge dat deedt, verrichttet ge wonderen, en kenmerkten vele voortreffelijke deugden u. Bovendien hebt ge veel narigheid en ellende doorstaan. Dit alles was geen gevolg van ie betrachting der Wet, maar van de kracht des Heiligen Geestes.
De Galaten moesten dit wel erkennen, omdat zij hetgeen ze voor hun oogen zagen en ondervonden, niet loochenen konden.
Het betoog van den apostel, dat gegrond is op deze ervaring, is dus wel een klaar en duidelijk bewijs aangaande hetgeen onder de Galaten was voorgevallen en geschied. Hieraan voegt nu Paulus het voorbeeld van Abraham toe; ook haalt hij getuigenissen der Heilige Schrift aan.
In de eerste plaats wijst hij op Genesis 15 vers 6: „En Abraham geloofde in den Heere; en Hij rekende het hem tot gerechtigheid".
Voorts op Romeinen 4 vers 2 en 3 : ,,Want indien Abraham uit de werken der Wet gerechtvaardigd is. zoo heeft hii roem, maar niet bij God. Want wat zegt de Schrift? En Abraham geloofde God en het is hem tot rechtvaardigheid gerekend". Wanneer Abraham dus door de werken der Wet was gerechtvaardigd, dan had hij roem gehad ; doch niet bij God, maar bij menschen. Voor God was hij niet rechtvaardig, omdat hij de werken der Wet betracht had, maar omdat hij geloofde. In Romeinen 4 vers 19—24 wordt deze stof, gelijk zij het waard is, door den apostel uitvoerig en prachtig behandeld en toegelicht.
Door de woorden „Abraham geloofde" komt Paulus tot den hoogsten vorm van godsdienst, tot den diepsten ootmoed, en tot de meest strikte gehoorzaamheid en het grootste offer; en hij komt daartoe krachtens het geloof in God.
Wie een taalgeleerde is, en dezen tekst nader uitspint, zal tot de ontdekking komen, dat het geloof iets geweldigs is, en dat zijn krachten niet uit te spreken en oneindig groot zijn.
Het geloof toch geeft aan God de eer, en niets grooters kan Hem worden toegekend. Aan God de eer te geven, is in Hem gelooven; is Hem belijden, dat Hij waarachtig, wijs, rechtvaardig en almachtig is. Kortom : aan God de eer geven is belijden, dat Hij de oorsprong en de gever is van alle goed.
Het verstand doet zulks niet; alleen het geloof doet dat.
Derhalve is het geloof een groote zaak; ongeloof daarentegen is een gruwelijke zonde.
Iedereen, die, evenals Abraham, de woorden Gods gelooft, is rechtvaardig voor God, omdat hij het geloof deelachtig is, dat Gode de eere geeft. Dat wil zeggen : hij geeft God, wat Hem toekomt. 't Geloof toch spreekt aldus : wat Gij, o God, spreekt, geloof ik. Wat spreekt God?
Antwoord : wanneer ge met uw verstand te rade gaat, dan spreekt Hij onmogelijke dingen, leugens, dwaasheden, ketterijen, enz. Want wat is er belachelijker, dwazer en onmogelijker, dan dat God tot Abraham zegt, dat deze uit het reeds verstorven lichaam van Sara een zoon ontvangen zal ?
Wilt ge dus alles verstandelijk kunnen begrijpen, dan houdt God ons, wanneer Hij komt met het stuk des geloofs, uitsluitend en alleen onmogelijke en ongerijmde dingen voor.
Het verstand vindt 't belachelijk en ongerijmd, wanneer ons bij het Heilig Avondmaal Christus' lichaam en bloed wordt toegereikt ; wanneer wij den doop beschouwen als het bad der wedergeboorte en als een vernieuwing des Geestes. Voorts, dat de dooden ten jongsten dage zullen opstaan ; dat Christus, de Zoon Gods, geboren is uit de maagd Maria ; dat Hij aan het kruis een smadelijken dood is gestorven, doch weder opgestaan is, en thans zit ter rechterhand Gods, hebbende heerschappij in hemel en op aarde.
Vandaar dat Paulus het Evangehe van den gekruisigden Christus de dwaasheid der prediking noemt, den Joden een ergernis, en den Grieken een zotte leer.
Zoo verstaat dus 's menschen verstand het niet, dat 't hooren van het Woord Gods en het geloof de hoogste vorm van godsdienst is. Veeleer denkt het, dat hetgeen men zelf bewerkstelligt Gode welgevallig is.
Het geloof daarentegen doodt 's menschen verdorven verstand, waartoe de heele wereld en alle schepselen niet in staat waren.
Ook Abraham heeft zijn verstand te niet gedaan door het geloof in Gods woord, dat hem zaad beloofde uit Sara, die onvruchtbaar en reeds verstorven was. Inderdaad heeft het geloof in Abraham deze worsteling met het verstand gevoerd, maar het geloof heeft de overwinning behaald, en het verstand, de bitterste en vreeselijkste vijand Gods, gedood en vernietigd.
Alzoo gaan ook alle geloovigen met Abraham de duisternis van het geloof in, het verstand den doodsteek gevende, en zeggende : gij, verstand, zijt dwaas ; ge verstaat niet, wat God is ; spreek me niet tegen, doch zwijg maar liever; oordeel niet, maar luister liever naar hetgeen God zegt, en : geloof!
Op deze wijze dooden alle godvruchtigen een beest, dat grooter is dan de wereld. En zoo brengen zij God een offer, dat Hem het meest aangenaam is.
De christelijke gerechtigheid bestaat in geloof des harten en in toerekening Gods. De zinsnede : „het is hem tot rechtvaardigheid gerekend" uit Genesis 15 vers 6, voegt Paulus niet zonder reden aan zijn betoog toe.
De christelijke gerechtigheid bestaat namelijk in twee dingen, namelijk in geloof des harten en in toerekening Gods. 't Geloof is weliswaar een feitelijke gerechtigheid, doch zij is niet voldoende, wijl de overblijfselen der zonde en des vleesches ons ook na het deelachtig worden des geloofs blijven aankleven. Er moet dus nog een tweede gerechtigheid bijkomen, die de eerste vervolmaakt en bevestigt, namelijk de Goddelijke toerekening.
Het geloof op zichzelf schenkt Gode geen voldoende genoegdoening, wijl het onvolkomen is. Er is in ons maar nauwelijks een vonkje geloof, dat begint met het erkennen der Goddelijke majesteit als zoodanig. Wij hebben slechts de eerstelingen des Geestes ontvangen, doch nog geenszins de volheid des Geestes.
De menschelijke rede wordt in dit leven niet ganschelijk uitgeschakeld, hetgeen blijkt uit de overblijfselen van toorn, ongeloof, enz.
Voorts verheugen de heiligen hier op aarde zich niet voortdurend en volkomen in God, want nu eens zijn ze zus, dan weer zoo gestemd, hetgeen de Heilige Schrift ook betuigt van de apostelen en profeten. Dergelijke onvolkomenheden en dwalingen worden hun echter niet toegerekend wegens hun geloof in Christus; was dat wèl het geval, dan zou er niemand zalig worden.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 15 augustus 1940
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 15 augustus 1940
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's