De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Uït de kerkelijke Pers.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Uït de kerkelijke Pers.

12 minuten leestijd

De noodzakeliikheid der belijdenis.

Er kan nooit te veel over de belijdenis worden gesproken.

Mits dit spreken in den goeden zin wordt opgevat. Als een getuigen van de noodzakelijkheid, het gezag, de beteekenis, de rijkdom der belijdenis. Als een getuigen van het leven uit de belijdenis, uit de waarheid Gods, die daarin is vervat. Wanneer dit niet het geval is, houden we zoo gemakkelijk een leeg, ijdel roepen over. Woorden, woorden en nog eens woorden. Terwijl de waarheid ook hier dan wel eens bevestigd wordt, dat degenen, die het meest over iets spreken, er het minst van kennen. Voor zulken kan het noodig zijn het „zwijg'' te laten hooren, opdat bij het verstommen van het eigen woord, in de stilte het Woord Gods en de belijdenis moge worden gehoord en verstaan. Dat meerderen hiertoe geraken, is noodiger dan brood. Dat er belangstelling kome voor de belijdenis is geen overbodige weelde. Want we moeten niet denken, dat de belangstelling in breeden kring groot zoude zijn. En men moet nog minder denken, dat de beteekenis van de belijdenis der kerk wordt ingezien. Meerdere malen kan het wel eens uit de mond van hen, van wie we zulks niet verwachten, worden beluisterd : Nu ja, die belijdenis, altijd weer die belijdenis

In zulke uitspraken klinkt een zekere onwilligheid door. Een zekere afkeerigheid verder op deze stof in te gaan. Een afkeerigheid intusschen, welke vaak voortkomt uit onkunde. Zoolang er bij het groot getal onzer kerkleden een zekere onverschilligheid blijft bestaan inzake belijdenis en belijdenisvragen, is het licht van den zoo zeer gewenschten dageraad nog niet te bespeuren, 't Moet beseft worden, dat een belijdenis maar niet iets bijkomstigs is, zoo'n soort vijfde wiel aan de wagen, een soort ballast die wel gemist kan worden. Neen, we moeten juist wijzen op en overtuigen van :

De noodzakeliikheid der belijdenis.

Hierover schrijft R. te M. in De Wachter. De schrijver wijst er op dat Kerk en Belijdenis bijeen behooren. De Kerk, door God zelve geformeerd, heeft van haar Zaligmaker en Koning een bepaalde macht gekregen. Christus heeft een drievoudig ambt en heeft aan Zijn Kerk nu ook een drievoudig ambt gegeven : regeermacht, dienst der barmhartiglheid, leermacht. Het behaagt derhalve den Christus als hoogste Profeet en Leeraar Zijn profetisch ambt uit te oefenen door middel van menschen. Prof. Dr Bavinck wijst er in zijn Dogmatiek op, dat in deze leermacht ligt opgesloten, dat de Kerk heeft te zorgen voor de opleiding harer leeraren, deze heeft te roepen, te bevestigen, te zenden, te onderhouden, door hun dienst het Woord Gods heeft te doen prediken. Dit Woord moet dan bediend worden naar elks behoefte in verschillenden vorm, de vorm van melk aan de jeugdigen, de vorm van vaste spijze aan de volwassenen. De volle rijkdom der Schrift moet echter steeds worden ontvouwd, ontwikkeld en toegepast overeen­ komstig de behoeften van elk land en volk, van elke eeuw en tijd, van iedere gemeente en van alle geloovigen in het bizonder. Dit Woord Gods nu moet de Kerk bewaren, vertalen, uitleggen, verdedigen tegen bestrijding en leugen. Alzoo moet de gemeente gebouwd worden op het fundament van apostelen en profeten om haar te doen zijn een pilaar en vastigheid der waarheid, een zuil en grondslag, die de waarheid draagt en ze uitstalt voor ieders oog.

Hieruit vloeit dan onmiskenbaar voort de roeping en de bevoegdheid der kerk om de waarheid, die naar de Schrift is, te belijden, in een belijdenis te formuleeren en die belijdenis in haar midden ook onverzwakt te handhaven. Prof. Bavinck wordt geciteerd, waar deze zegt: „De Kerk is dan ook bijna van het begin, d.i. van den aanvang der tweede eeuw af, belijdeniskerk geweest, die haar eenheid had in den voor allen gemeenschappelijken regel des geloofs, d.i. in de doopsbelijdenis, in het oorspronkelijke, later eenigszins uitgebreide apostolische symbool, en die voorts telkens in den loop der eeuwen door ketterij en laster tot breedere ontwikkeling der waarheid genoopt werd. Een Kerk kan ook in een wereld vol bedrog en leugen niet bestaan zonder een regel des geloofs; zonder een vaste belijdenis wordt zij, gelijk de geschiedenis ons leert, aan allerlei dwaling en verwarring ten prooi, en onderworpen aan de tirannie der bovendrijvende richtingen en meeningen. Met zulk eene belijdenis doet de Kerk dan ook niet tekort aan de volmaaktheid der Heilige Schrift, maar spreekt zij niet anders uit, dan wat in die Schrift is vervat; de belijdenis staat niet naast, veel minder boven, maar diep onder de Heilige Schrift".

Een vijftal redenen worden dan voor de noodzakelijkheid der belijdenis opgegeven. De belijdenis is noodig voor het eigen leven der Kerk. De Kerk moet zich nu rekenschap geven van wat zij gelooft en dat bewust uitspreken. De belijdenis is noodig voor de zuiverheid des geloofs en de bestrijding van alle ketterij. Als er geen belijdenis is of deze niet gehandhaafd wordt, dan staat de deur open voor allerlei dwalingen. De belijdenis is noodig terwille van de eenheid. Bij overeenkomst in uitdrukkingen als Gods Woord, Jezus Christus de Zaligmaker, kan er nog zoo'n groot onderscheid zijn in wat men hieronder wenscht te verstaan. De belijdenis is noodig voor de geslachten, die na ons komen zullen. Deze moeten kennen en weten wat de Kerk belijdt en hun eenheid en samenbinding met de voorgeslachten bewaren. Het nageslacht moet weer inleven, en zoo noodig, onder de leiding des Geestes, verrijken en uitbreiden de schat der Kerk. Tenslotte is de belijdenis noodzakelijk tegenover de wereld. De wereld moet kunnen weten wat die Kerk belijdt, gelooft en wil. De Kerk moet publiek belijdenis geven. —

We mogen aannemen, dat niemand onder ons de noodzakelijkheid der belijdenis zal ontkennen. Voortdurend is hierop reeds gewezen. Nochtans —we weten het, het „hebben'' der belijdenis is niet voldoende. Van groot belang is of er waarlijk een volk is dat hierin zijn belijdenis heeft, of die belijdenis hare functie vervulle welke zij heeft, of die belijdenis werkelijk gehandhaafd wordt. De geschiedenis van de Kerk in ons vaderland is er maar al te sprekend een bewijs van, hoe door allerlei invloeden en wantoestanden, de band aan de belijdenis kan verslappen, hoe, ondanks het spreken van geest en hoofdzaak, juist beleden kan worden wat met geest en hoofdzaak der belijdenis in flagranten strijd is. Men wil de belijdenis in zekeren zin dan nog waardeeren, wel zeker, als een eerbiedwaardig stuk uit de oudheid, waar men een goede bergplaats voor zoekt, maar waar men intusschen zoo goed als geen verwantschap meer mee gevoelt, omdat doodeenvoudig uit de kostelijke waarheden, daarin beleden, niet meer wordt geleefd. Dezelfde termen en uitdrukkingen worden nog wel gebruikt — maar men vult deze op met een geheel andere inhoud dan de opstellers der belijdenis deden. Dat is in hooge mate misleidend. Dat is onwaarachtig gedoe, ook al bedoelt men dan niet onwaarachtig te zijn. Dat zou al heel bar wezen! Ook thans wordt gesproken over „Fundamenteele prediking". Over het eenige fundament dat gelegd is, Jezus Christus. Deze uitdrukkingen worden gebruikt door menschen van geheel tegenovergesteld belijden. Dat is toch in lijnrechten strijd met het Woord Gods. Als het gaat over fundamenteele prediking, als het gaat over geen ander fundament leggen dan hetgeen gelegd is — dan moet ook waarlijk bedoeld worden het fundament, zooals de Kerk in hare belijdenis daarover spreekt. En dat is niet vaag. Dat is voor geen tweeërlei uitleg vatbaar. Dat laat geen afwijkende meeningen toe. Neem maar artikel 21 onzer geloofsbelijdenis. Daarin wordt gehandeld over de voldoening van Christus. „Wij gelooven, dat Jezus Christus een eeuwige Hoogepriester is, met eede, naar de ordening van Melchizedek, en zichzelven in onzen naam voor Zijnen Vader gesteld heeft, om Zijnen toorn te stillen met volle genoegdoening, zichzelven opofferende aan bet hout des kruises, en vergietende Zijn dierbaar bloed tot reiniging onzer zonden, gelijk de Profeten hadden voorzegd, enz. enz."

Maar ach, wat is er geweest, ook bij degenen die zeggen in te stemmen met de belijdenis. Zooveel:

Halfslachtigheid.

In de Persschouw van Credo is een artikel opgenomen van Dr Brillenburg Wurth, waarin hierop wordt gewezen. Er is zoo weinig kracht van ons Christendom uitgegaan — aldus Dr Br. W. — omdat er altijd die massa van geestelijk halfslachtigen is geweest: Kerkgangers, die nu en dan eens komen. Die niet van Gods Woord afkeerig zijn, maar nooit de moeite deden om werkelijk in die waarheid Gods door te dringen. Die Gereformeerd heeten, maar in wier leven van echt reformatorischen geest geen grein te bespeuren viel. Geestelijke meeloopers. We hebben nu niets aan zulke halfslachtigen. We moeten belijders hebben, die maar niet meepraten met wat „men" zegt; die zélf er eene overtuiging op na houden, waarvan ze zich bewust rekenschap geven. We moeten hebben Gereformeerden, die waarachtig, over héél de linie uit het reformatorisch beginsel willen leven.

Inderdaad staan we hier voor een kwaad, dat ook onder ons voortgevreten is. Noch koud, noch heet. Lauw. Niet stilstaan niet hard loopen. Zoo'n sukkelgangetje. Altijd bang zich te branden. Steeds zien te schipperen. Niet, zooals de Catechismus zegt, „schikken en richten'', opdat Gods naam verheerlijkt worde, maar altijd „schikken en plooien". O, dat kan zoo moedeloos en moe maken. Men is zoogezegd Gereformeerd, maar is het dan toch eigenlijk niet. Er blijkt niets van. Het leven openbaart het niet. In woord noch daad is er veel van te zien. We lezen wel eens in advertenties en hooren wel eens in gesprekken over écht gereformeerd, waarlijk gereformeerd, beslist gereformeerd. Ik weet wel, hierin kan overdrijving schuilen. Feitelijk behooren deze woorden ook niet samengevoegd te worden. Althans : het moest niet noodig zijn. Gereformeerd moest een taal spreken, ook Herv. Gereformeerd, welke duidelijk genoeg is. Maar deze spreekwijze vindt rechtvaardiging in de werkelijkheid, waardoor ze in gebruik is gekomen. Want er is zooveel woord, zonder daad. Er is zooveel naam zonder wezen. En waarlijk — het lijkt wel of men er niet toe te krijgen is om hiermee nu eens ernst te maken. En dit is toch wel een eerste taak voor oud en jong. Om delvers te zijn in de schat der Kerk. Om te smeeken dat leven deelachtig te mogen zijn, dat de kracht der Vaderen was. Om dan nog maar niet te spreken over datgene, wat niet met halfslachtigheid mag worden genoemd, maar wat beslist moet worden aangeduid met afwijking van en verloochening der waarheid, welke in de belijdenis wordt beleden. Dit kwaad nu kan alleen in een Kerk voortwoekeren als er geen:

Handhaving der belijdenis

mogelijk is. Door welke oorzaken dan ook. Door ingezonken geloofsleven. Door dwang van buiten. Door verkeerde bestuursorganisatie. Dit heeft fatale gevolgen voor het kerkelijk leven. Daarom moet alle oplossing van het kerkelijk vraagstuk, alle eenheidspoging op kerkelijk gebied, waarbij Het Woord, de belijdenis en de handhaving der belijdenis, niet de haar toekomende plaats verkrijgen, met kracht worden afgewezen. Integendeel, alle actie, ook de onze, moet er op gericht zijn dat het Woord zeggenschap krijge, alleen, naar de belijdenis der Kerk. Dr G. J. Streeder Mijst op die taak van de handhaving der belijdenis in een artikel: „Het gezag van Schrift en belijdenis", geplaatst in het October-no. 1939 van „Onder eigen Vaandel". Hij zegt daarin dat de kerkelijke belijdenis vordert, dat een Kerkformatie allereerst de „handhaving" harer belijdenis beoogt, met beroep op Gods Woord. „Dit beroep is de openstaande deur tot nadere interpretatie en revisie. Maar deze „revisie'' behoeft geen aparte vermelding. Dat vier eeuwen verliepen sinds de laatste opstelling der belijdenis, is niet een doorslaand argument tegen de ondeugdzaamheid dezer „handhaving" in bet heden. Er liggen ruim tien eeuwen tusschen de Chalcedonesische belijdenis en die der reformatie, welke de oecumenische uitspraken der 4e en 5e eeuw aanvaardde. Men kan betoogen, dat de Kerk der reformatie inzake van revisie der belijdenis in gebreke bleef. Niet minder recht heeft de bewering, dat zij ondanks den nood der tijden geen scheppende kracht tot belijdenisvorming bezeten heeft en nog bezit. Daarom heeft zij allereerst zich door haar eigen belijdenis in haar denken en leven te laten vonnissen". Ruim baan moet er in de Kerk zijn voor Schrift en Belijdenis. Maar een Kerk wordt, om het zoo eens te zeggen, ontkerkt, als het werkelijkheid is wat Dr Hille Ris Lambers, blijkens een verslag in „De Roepstem", heeft betoogd op de jaarvergadering van een Prov. Ver. van Vrijz. Hervormden, dat n.l. onder de dikke laag van dogmatisch geloof toch nog dikwijls iets van het vrijzinnig besef is overgebleven en de lijn in onze volkskerk zóó is, dat, ondanks alles, het ruime begrip zich baan breekt en niet laat verdrijven. Wanneer een Kerk werkelijk Kerk zal zijn en wil zijn, naar het Woord Gods, dan zal er voor dit ruim begrip geen ruim baan kunnen zijn. Dan zal er alleen ruim baan kunnen zijn voor het Getuigenis Gods.

Ruim baan voor den Christus der Schriften.

Ruim baan voor de belijdenis. Ruim baan voor hare handhaving.

Ontvangen geschriften.

Van de preekenserie „Menigerlei genade" ontvingen we een preek over Rom. 8 : 28, een over Openbaring 14 : 6—13 en een over 2 Samuel 24 : 10-17, 25.

In ons bezit kwam tevens de Mei-Juni 1940-aflevering van Nieuwe Theologische Studiën. Prof. de Groot stelt hierhi de vraag of men iets gevoelt voor de oprichting van een Algemeen Nederlandsch Theologisch Tijdschrift. Prof. van Nes geeft een artikel over de Zendingswereld en bespreekt daarin de inaugureele oratie van Dr J. H. Bavinck : Christusprediking in de volkerenwereld; en de dissertatie van H. L. Neethling—Joubert: Die Roeping, Sending en Sendingsbewussijn van die Nuwe- Testamentiese Apostel. Voorts wordt nog in een artikel gesproken over de Shintodienst en een paar kleinere geschriften. De aflevering wordt besloten met Godsdiensthistorische literatuur door Prof. v. d. Leeuw, mededeelingen en aankondigingen van de Redactie en een lijst van toegezonden tijdschriften.

Binnen kwam de Juli-aflevering van het Ger. Theol. Tijdschrift. Dit bevat een verslag van de 29ste Algem. Vergadering van de Vereeniging van Pred. van de Geref. Kerken op Woensdag 27 en Donderdag 28 Maart 1940. Hier werd gesproken over „De bibliotheek van een dominé''; „De wet bij Paulus" ; „Kerkelijke en burgerlijke armenzorg". Voorts is opgenomen een korte opmerking over antwoord 86 van de Catechismus en een artikel over Profetie en ekstase door Dr J. Ridderbos ; Dr A. Sizoo behandelt „De echtheid van Augustinus' Sermo de Symbolo ad Catechumenos". 't Besluit is een recensie over de Verborgenheden van het Koninkrijk der hemelen, Dr H. A. van Andel, door Dr J. Ridderbos.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 augustus 1940

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

Uït de kerkelijke Pers.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 augustus 1940

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's