UIT DE HISTORIE
Luthers verklaring van Paulus' Brief aan de Galaten
De rechtvaardigheid is uit het geloof: niet uit de werken. Wie zijn Abrahams kinderen? Vers 6—14. (III).
Vervolg vers 6.
Ieder christen is dus een echte priester, omdat hij in de eerste plaats zijn natuurlijk verstand en zijn vleeschelijke gezindheid offert en doodt. En vervolgens, omdat hij God de eere geeft wegens het feit, dat Hij rechtvaardig, waarachtig, lankmoedig barmhartig en een Erbarmer is.
Dagelijks en voortdurend brengt een christen dit tweevoudig offer, en er is niemand, die dit christelijk offer naar waarde schatten kan.
Gelijk wij reeds gezegd hebben, bestaat de christelijke gerechtigheid dus in de Goddelijke toerekening als zoodanig, hetzij wegens het geloof in Christus, hetzij ter wille van Hem.
Deze onuitsprekelijke gave Gods gaat alle menschelijke rede te boven, welke hierin bestaat, dat Hij, zonder eenigerlei werk in aanmerking te nemen, hem voor rechtvaardig houdt, die slechts door het geloof Zijn Zoon aanneemt, die ten bate van ons in de wereld gezonden is, aan het kruis geleden heeft, enz.
Wat de formuleering betreft, zijn deze dingen eenvoudig, want de gerechtigheid bevindt zich niet wezenlijk in ons; veeleer is zij buiten ons, namelijk in de genade en de toerekening Gods.
In den grond van de zaak echter valt met een en ander niet te spotten ; de kwestie is dan ook ernstig en van het grootste belang, omdat Christus, die ons gegeven is, en dien wij door het geloof omhelzen, niet iets gerings voor ons tot stand gebracht heeft. Hij heeft voorwaar geen spelletje gespeeld, doch Hij heeft ons, gelijk Paulus zegt, liefgehad, en Hij heeft zich voor ons overgegeven, een vloek geworden zijnde. (Galaten 2 vers 20 en 3 vers 13).
Wij zijn hier in een wereld, waar de menschelijke rede niet meespreekt en waar men er ook niet over redetwist, wat wij doen zullen, en door welke manier van werken wij genade en vergeving van zonden verdienen kunnen.
Hier hebben wij te doen met de Godgeleerdheid ; hier hooren wij het Evangelie, hetwelk verkondigt, dat Chrisüis voor ons gestorven is, en dat wij, wanneer we zulks gelooven, voor rechtvaardigen gerekend zullen worden, al blijven er zonden in ons, en nog wel zeer zware!
Zoo beschrijft ook Christus in het Evangelie naar Johannes de gerechtigheid des geloofs, als Hij zegt: „De Vader zelf heeft u lief" (hfdst. 16 vers 27).
Waarom heeft de Vader u lief ? Antwoord : niet omdat ge phariseër geweest zijt, en onberispelijk wat de gerechtigheid, die uit de Wet is, betreft. Ook niet, omdat ge besneden zijt, goede werken doet, en vast.
Ge zijt echter rechtvaardig, zoo spreekt Christus, omdat Ik u uit deze wereld heb uitverkoren, en gij niets anders gedaan, hebt, dan mij bemind, en geloofd, dat Ik van den Vader uitgegaan ben.
Toch noemt Hij elders de Zijnen boos, en beveelt Hij hun, te smeeken om vergeving van zonden. Dit gaat oogenschijnlijk lijnrecht tegen het voorgaande in. Christenen zouden tegelijk rechtvaardig zijn, en door God worden bemind, en zondaren wezen. Want God kan Zijn Wezen nu eenmaal niet verloochenen, dat wil zeggen : Hij kan niet anders, dan de zonde en zondaren haten, en Hij doet dat ook; anders zou Hij zelf onrechtvaardig, en een liefhebber der zonde zijn.
Hoe kunnen beide tegenstrijdigheden dan tegelijk waar zijn ? Hoe klopt het, dat ik zonde heb, en waard ben, dat God zich over mij vertoornt en mij haat, en dat toch de Vader mij liefheeft ?
Hier kan alleen maar de Middelaar, namelijk Christus, tusschenbeide komen, die zegt: de Vader heeft u lief, niet omdat gij dat waard zijt, doch omdat gij Mij hebt liefgehad, en ge geloofd hebt, dat Ik van Hem ben uitgegaan. Zoo blijft een christen echt deemoedig, werkelijk gevoelende, dat hij gezondigd heeft, en erkennende, dat hij deswege den toorn Gods en het gericht waardig is, benevens den eeuwigen dood, zoodat hij nederig door dit leven gaat. Toch blijft zoo iemand tegelijk een ware en geheiligde hoogmoed bij, waardoor hij zich tot Christus wendt, en waardoor hij zich opricht met betrekking tot het gevoel van den toorn en het oordeel Gods. En hij doet dat in het geloof, dat niet alleen hetgeen er nog aan zonde in hem over is niet wordt toegerekend, maar ook dat hij door den Vader wordt bemind; niet om iets, dat in hemzelf is, doch alleen om Christus' wil, dien hij liefheeft.
Hieruit komt nu vast te staan, op welke wijze het geloof zonder de werken rechtvaardigt, en ook, hoe noodzakelijk tevens de toerekening der gerechtigheid is. De zonden, die door God wel heel erg gehaat worden, zijn en blijven in ons. Met het oog daarop hebben wij de toerekening der gerechtigheid noodig, welke ons deel wordt om Christus' wil, die ons geschonken is, en die door ons in het geloof wordt omhelsd.
Zoolang wij dus in dit leven zijn, worden wij in den schoot der Goddelijke lankmoedigheid en barmhartigheid gedragen en gekoesterd, totdat het lichaam der zonde wordt te niet gedaan, en wij ten jongsten dage als nieuwe menschen zullen worden opgewekt.
Dan zal er een nieuwe hemel en een nieuwe aarde zijn, waarin gerechtigheid wonen zal. (2 Petrus 3 vers 13). Intusschen wonen onder den hemel, die wij nu nog zien, de zonde en de goddeloozen, waarbij komt, dat ook de rechtvaardigen nog zonde hebben.
Vandaar, dat Paulus in Romeinen 7 klaagt over de zonde, welke nog in de heiligen over is, en toch in Romeinen 8 vers 1 zeggen kan : „Zoo is er dan nu geene verdoemenis voor degenen, die in Christus Jezus zijn".
Zoo verstaat gij dan, dat degenen, die uit het geloof zijn, Abrahams kinderen zijn. Vers 7.
Dit is een algemeene uitdrukking van Paulus, en een voorname opmerking tegen de Joden, dat de geloovigen Abrahams kinderen zijn, en niet zij, die uit Abrahams vleesch en bloed geboren zijn.
Hier en elders stelt de apostel dit twistpunt op den voorgrond, want trots en pochend zeiden de Joden : wij zijn het zaad en de kinderen van Abraham, die besneden is, en die de Wet hield; derhalve moeten ook wij doen als onze vader, willen wij ten minste echte kinderen van hem zijn.
Inderdaad was het een eer, en een feit, om op te roemen, wanneer men zeggen kon, Abrahams zaad te zijn, want niemand kan ontkennen, dat God tot het zaad van Abraham gesproken heeft.
Doch dit voorrecht is den ongeloovigen Joden van geen nut, vandaar, dat Paulus tegen hun redeneering een grooten strijd aanbindt. Hij grijpt de Joden in hun trots aan, om hun die te ontnemen, wat hij, als zijnde een uitverkoren werktuig Gods, boven anderen doen kon.
Wanneer wij geheel opnieuw tegen de Joden zouden moeten disputeeren, en we hadden Paulus niet, dan zouden we wellicht weinig uitrichten.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 29 augustus 1940
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 29 augustus 1940
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's